Parsja Wajikra

WAJIKRA: Derde boek van de Tora. Wajikra heet ook Torat Kohaniem – Leer van de Priesters. Een groot deel is gewijd aan de taak van de kohaniem in het (draagbare) Heiligdom. Daar moesten brand-, vredes- eerstelingen-, zonde- en schuldoffers en meeloffers gebracht worden. Bij alle offers komt zout te pas. Wie een offer brengt, legt de handen op de kop van het dier. De offers worden soms geheel, soms gedeeltelijk verbrand. In het laatste geval is wat overblijft deels voor de koheen, en soms ook voor de aanbieder van het offer

“Nu riep Hasjeem Mosje en Hij sprak tot hem vanuit de Tent der samenkomst” (1:1).

Rasjie geeft hierop het volgende commentaar: “Aan alle toespraken en aan alle gezegden en aan alle bevelen ging een roepen vooraf. Dit roepen is een uitdrukking van liefde, een uitdrukking waarmee de dienstdoende engelen elkaar toeroepen wanneer zij G’d huldigen. Dit is ongetwijfeld een uitdrukking waarin liefde besloten ligt. Want er is gezegd: en de een riep de ander toe (Jesjaja 6:3). Maar aan de heidense profeten openbaarde Hij Zich met een uitdrukking van toeval en onreinheid, want er is gezegd: G’d trof bij toeval en vond in onreinheid (Bil’am) (Numeri 23:4).

Volgens Rabbijn A. Bonchek wil Rasjie in dit commentaar G’ds speciale liefde voor Israël duidelijk maken. Behalve dat dit een terugkerend thema is in de Joodse literatuur was het juist in de tijd van Rasjie noodzakelijk om de Joden een hart onder de riem te steken. In de tijd van Rasjie stond men aan de vooravond van de kruistochten en dat heeft er ‘stevig ingehakt’. Als we Rasjie’s openingscommentaar op ieder van de vijf boeken van de Tora met elkaar vergelijken, zien we dat hij telkens weer de liefde voor het Joodse volk benadrukt.
Zo zegt Rasjie op Bereesjiet 1:1 dat G’d de Tora met de schepping van de wereld begint omdat wanneer de volkeren tegen Israël zouden zeggen: “Rovers zijn jullie want jullie hebben de landen van de zeven volkeren (Israël) veroverd, dan kunnen de Joden aan de Verenigde Naties antwoorden: de gehele aarde is van G’d. Hij heeft haar geschapen en haar gegeven aan degene die Hij goed achtte. Hij gaf het land Israël aan de zeven volkeren en Hij heeft hij het hun ook weer ontnomen. Daarna heeft Hij het ons gegeven” (een uiterst actueel thema).

Op de eerste frase van Sjemot geeft Rasjie als commentaar: “Hoewel men de Joden bij hun naam genoemd heeft tijdens hun leven (vgl. Bereesjiet 46:8) noemt men hem nog een keer op na hun dood, om daarmee Hasjeems liefde voor het Joodse volk te benadrukken, omdat ze gelijk gesteld worden met de sterren die Hij tevoorschijn brengt en weer intrekt op getal en op naam”.

Ook bij het openingscommentaar van Rasjie op Bemidbar wordt zo’n liefdevolle uitdrukking gebracht: “Uit liefde voor het Joodse volk telt G’d hen ieder ogenblik”. Toen de Joden uit Egypte trokken heeft Hij hen geteld. Toen zij gevallen waren door het gouden kalf heeft Hij hen geteld om het aantal van de overgeblevenen te kennen. In het begin van Bemidbar telt Hij hen nogmaals om Zijn G’ddelijke majesteit op hen te laten rusten. Op de eerste Nisan werd het Misjkan opgericht en op de eerste Ijar heeft Hij de Joden geteld om daarmee duidelijk te maken dat dit een uitdrukking van de liefde was. Hetzelfde thema zien we in het eerste commentaar van Rasjie op Devariem:”Omdat het boek Devariem woorden van straf zijn en alle plaatsen worden opgesomd waar de Joden G’d kwaad maakten. Daarom noemt men de door de Joden gepleegde misdrijven niet duidelijk maar vermeldt ze slechts door een aanduiding uit eerbied voor het Joodse volk”.

In het eerste commentaar van Rasjie op Vajikra wordt duidelijk dat iedere G’dspraak tot Mosje vooraf gegaan werd door een oproep. Bovendien wordt duidelijk dat dit roepen liefdevol was. Dit liefdevolle aanroepen gebeurde alleen bij Joodse profeten.
Rasjie komt tot deze uitleg door de dubbele uitdrukking van roepen in de openingsvers van Vajikra. Vajikra komt vaker voor in Tenach, zoals in Bereesjiet 12:18: ”Toen ontbood Farao Avram en zei: ‘Wat heb je mij daar gedaan? Waarom heb je mij niet meegedeeld dat zij jouw vrouw is?’ ”. Maar daar heeft vajikra een andere betekenis: ‘ontbieden’. Nog eerder in Bereesjiet – hoofdstuk 3, zin 9 – roept G’d Adam: “Toen riep G’d de mens en zei tot hem: waar bent u?”.

Hier wil de Tora duidelijk maken dat alleen Adam op het matje geroepen werd en niet Eva. In onze pasoek zijn beide mogelijkheden uitgesloten. Mosje bevond zich al in de Ohel Mo’eed -Tent van samenkomst toen G’d met hem sprak. Het was niet nodig om hem te ontbieden en er was niemand anders om tegen te spreken. Daarom voelde Rasjie zich geroepen een verklaring te geven voor dit schijnbaar overbodige roepen. Hier wordt de derde betekenis van Vajikra ingezet: iemand wordt speciaal belicht en liefdevol benaderd.

In Sjemot (3:4) staat er: “Toen Hasjeem zag dat Mosje heenging om te kijken, riep G’d hem vanuit het doornbosje en zei: ’Mosje, Mosje!’ ”. Hier wordt dezelfde formule gebruikt die ook aan het begin van Vajikra wordt gebezigd. Het roepen van een dubbele naam geeft intense liefde aan.

Rasjie ondersteunt zijn stelling dat dit ook aan het begin van Vajikra gebeurde door een citaat uit de profeet Jesjaja (hoofdstuk 6 waar de engelen elkaar toeroepen bij het prijzen van G’d): “de een roept naar de ander en zei: ‘Heilig, heilig, heilig is Hasjeem, de hele is gevuld met Zijn Glorie’.Ook hier zien we dat men elkaar toeroept voordat men begint te praten.

Rabbi David Kimche (14e eeuw) maakt in een zeer originele uitleg duidelijk dat de engelen elkaar hier bij naam roepen. Een engel heet kadosj (heilig). Voordat er uitgesproken wordt dat Hasjeem kadosj is, roepen de engelen elkaar twee keer aan met de naam “heilig”. De engelen bejegenen elkaar met liefde.

Bovendien is er een verschil in betekenis tussen het werkwoord roepen met het voorzetsel el en hetzelfde werkwoord met het voorzetsel le. Wanneer iemand ontboden wordt, staat er le G’d riep le Mosjee vanaf de berg Sinaj om naar boven te komen op de berg (Sjemot 19:20). Maar toen G’d de mens riep staat er el ha’adam (Bereesjiet 3:9). Of zoals bij Awraham staat vanuit de Hemel riep een engel tot (el) hem. G’d roept Adam niet tot zich, de engel ontbiedt Awraham niet bij zich. El duidt op het feit dat G’d de aangesprokene bij naam noemt.
Rasjie vindt een duidelijk bewijs in een passage in het boek Samuel I (3:4-10): En Hajeem riep Sjemoe’eel en hij zei “Hier ben ik”. Hij rende naar Eli en zei “Hier ben ik, want u heeft mij geroepen”. Maar hij zei “Ik heb je niet geroepen, ga terug en ga liggen”. Hasjeem riep nog eens “Sjemoe’eel!” dus Sjemoe’eel stond op en ging naar Eli en zei “Hier ben ik, want u heeft mij geroepen”. Maar hij zei “Ik heb je niet geroepen mijn zoon, ga terug en ga liggen”. Sjemoe’eel kende Hasjeem nog niet en het woord van Hasjeem was nog niet aan hem geopenbaard. Hasjeem bleef hem roepen “Sjemoe’eel”voor de derde keer en hij stond op en ging naar Eli en zei “Hier ben ik, want u heeft mij geroepen”. Toen realiseerde Eli zich dat Hasjeem de jongen riep. Eli zei tegen Sjemoe’eel “Ga liggen en wanneer Hij je roept moet je zeggen ‘Spreek, Hasjeem, want Uw dienaar luistert’”. Sjemoe’eel ging naar de plaats en ging liggen. Hasjeem kwam en verscheen en riep zoals de voorgaande keren “Sjemoe’eel, Sjemoe’eel”en Sjemoe’eel zei “Spreek want Uw dienaar luistert”.

Hier zien we dat Sjemoe’eel wordt aangesproken: Hasjeem riep el Sjemoe’eel. Sjemoe’eels naam moet genoemd zijn omdat hij anders geen aanleiding had om naar Eli te rennen in de veronderstelling dat de hogepriester Eli hem geroepen had en er staat aan het einde van deze passage dat G’d hem alle keren “Sjemoe’eel, Sjemoe’eel” heeft toegeroepen. Hierin ligt het uiteindelijke bewijs voor Rasjie.

“En im wanneer u het meeloffer van de eerstelingen aan Hasjeem zult brengen, dan zult u aren, in vuur geroosterd, fijn gestoten veldvruchten brengen als meeloffer van uw eerstelingen” (2:14).
Rasjie verklaart, dat het woord im, dat normaal vertaald wordt met “als” hier gebezigd wordt in de zin van “wanneer”. Het bewijs van Rasjie ligt in het feit dat hier geen sprake is van een vrijwillig offer. Het gaat hier over het Omer meeloffer. Dat is een verplichting.

Hetzelfde vinden we in Bemidbar 36:4 “En wanneer het Jubeljaar zal zijn”. Ook daar betekent het woord im niet “als” maar “wanneer” het Jubeljaar zal aanbreken. Deze verklaring lijkt vrij duidelijk.

Ramban (Nachmanides) heeft echter een andere mening. Hij wijst op het begin van hoofdstuk 2 van Vajikra dat als volgt luidt: “En wanneer iemand een meeloffer wil brengen voor Hasjeem, en dit een offer van meelbloem zal zijn, dan zal men daarop olie gieten en wierook leggen” (2:1). Daarna gaat de Tora verder met allerlei soorten meeloffers. Een daarvan is het Omer. De Tora zegt in feite “wanneer je een meeloffer brengt, doe dat op de volgende manier. Als het iets is dat in een platte pan wordt klaargemaakt of als het iets is dat in een diepe pan wordt klaargemaakt of indien er een meeloffer van bikoeriem wordt gebracht” (2:5,7,14). Ramban legt uit dat “als” hier slaat op “indien je een meeloffel brengt als Omer dan gelden de volgende voorschriften”. Toch is de verklaring van Rasjie goed te verdedigen. Leest u 2:5: “En als uw offer mocht zijn een meeloffer op de platte pan dan zal het zijn van meelbloem, aangemengd met olie, en ongezuurd zijn”. In hoofdstuk 2:7 lezen wij: “En indien uw offer een meeloffer in een diepe pan is…”. Terwijl er echter in 2:14 staat: “En wanneer u het meeloffer van de eerstelingen aan Hasjeem zult brengen”. In onze pasoek (2:14) volgt er een werkwoord op het woord im: “als u offert”. Daarmee moet Rasjie duidelijk maken dat `im’ hier niet willekeurig is. Het offer van de bikoeriem is een plicht.

En als de gezalfde koheen mocht zondigen tot bezondiging van het volk, dan zal hij wegens zijn zonde, die hij begaan heeft, een var, een jong rund, zonder gebrek, aan Hasjeem tot zondeoffer brengen” (4:3).
Rasjie citeert de verklaring van de Midrasj: “Hij is alleen verplicht het offer te brengen wanneer de zaak hem onbekend was (als hij meende, dat iets verbodens door de Tora werd toegestaan) en deze vergissing verbonden was met de dwaling bij de handeling, dwz. als bij de handeling dezelfde dwaling nog bestond en deze dus een gevolg was van die dwaling, zoals er geschreven staat tot bezondiging van het volk, en daarbij luidt het (4:13) “En de zaak was aan de ogen van de gemeente ontgaan en zij hebben gedaan”. Maar de eenvoudige zin ervan is in overeenstemming met de Agada: wanneer de koheen gadol zondigt dan is dit een schuld voor het volk want zij zijn van hem afhankelijk wat betreft het verzoening doen over hen en het davvenen voor hen en nu is hij zelf in het ongerede geraakt. Einde citaat van Rasjie.
Begin hoofdstuk 4 worden 2 voorschriften behandeld: wat te doen wanneer de koheen gadol zondigt en wat als de hele gemeente per ongeluk zondigt. `Wanneer de hele gemeente per ongeluk zondigt’ slaat op het geval dat het Sanhedrien, dat hier de ogen van de gemeente wordt genoemd, een verkeerde halachische beslissing gaf en de mensen de verkeerde psak hebben gevolgd.

Maar bij de overtreding van de koheen gadol staat niets van dit alles beschreven. De vraag is dus of er een connectie bestaat tussen deze twee leerstukken of complexen van voorschriften. Rasjie ziet in de woorden “tot bezondiging van het volk” een hint naar de voorschriften die vanaf hoofdstuk 4:13 uitgesproken worden over de schuld van het volk. In pasoek 4:3, waar gesproken wordt over de zonde van de koheen gadol, lijken ze niet erg op hun plaats. Wat heeft de zonde van de hoge priester te doen met de schuld van het volk? Zijn zonde is zijn zonde en van niemand anders.

Volgens de Midrasjverklaring worden beide voorschriften die zo vlak achter elkaar behandeld worden aan elkaar gekoppeld en gelden dezelfde parameters als bij een zonde van het Sanhedrien en het volk ook voor de koheen gadol. Dit betekent dus dat de koheen gadol alleen een schuldoffer moet brengen als hij per ongeluk gezondigd heeft en op basis van een foute halachische beslissing. In de Agada staan verschillende commentaren op deze misstap van de koheen gadol. Rabbi Chija leerde dat het juist is dat de koheen gadol eerst zijn zonde verzoent want hij moet daarna voor het hele volk verzoening brengen (vgl. 16:24). Rabbi Levi voegt hieraan toe dat “Wee het land wiens dokter ziek is, wiens penningmeester maar één oog heeft en wiens officier van justitie schuldig is aan moord”.

Wanneer de hogepriester gezondigd heeft moet hij eerst zelf vergiffenis proberen te krijgen. Pas dan kan hij vergiffenis proberen te krijgen voor de gemeenschap. Ook hier speelt de frase “tot bezondiging van het volk” een belangrijke rol. Het volk is in de problemen als de koheen gadol zelf nog kapara moet krijgen. Met name deze laatste verklaring klinkt aannemelijk en eenvoudig. Hoewel Rasjie’s verklaring wellicht afkomstig is uit de Agada is het toch heel duidelijk psjat.

Asjer Wanneer een vorst mocht zondigen en een van de zaken mocht doen waarvan Hasjeem geboden had dat zij niet gedaan mochten worden dan is hij schuldig” (4:22).
Rasjie legt uit dat het woordje asjer een uitdrukking van geluk is. De bedoeling is dan “gelukkig is de generatie waarin de koning er op let een verzoeningsoffer te brengen wegens een in dwaling begane overtreding. Hoeveel te meer dan dat hij berouw zal tonen wanneer hij opzettelijk gezondigd heeft”. Rasjie’s verklaring lijkt een woordspel en suggereert een mooie morele gedachte. De vraag is echter waarom Rasjie deze verklaring nodig vond.

Rasjie vraagt zich af waarom onze pasoek (4:22 ) anders begint dan de voorgaande pesoekiem die allemaal beginnen met im (als) “Als de gezalfde priester” (4:3), “Als de hele gemeenste Israëls mocht dwalen” (4:13) en “Als iemand van het volk in dwaling mocht zondigen” (4:27). Hier echter begint het met het woordje asjer hetgeen ongebruikelijk is. Volgens Rasjie geeft het woord asjer aan dat na de zonde van een vorst, koning, president of prins, de erkenning van zijn fout en zijn zondebelijdenis, een speciale aangelegenheid is.

De Nassi is de hoogste autoriteit. Hij hoeft in principe niemand verantwoording af te leggen (behalve aan Hasjeem). Iedereen die een hogere autoriteit boven zich heeft weet dat hij gestraft en vernederd kan worden. De prins, president of koning hoeven echter geen aardse autoriteit te vrezen. Niemand zal hem vervolgen of straffen. Als juist deze persoon zijn schuld toegeeft is dit des te prijzenswaardig.

Waarom Rasjie moet zeggen “gelukkig is de generatie” en is hij niet tevreden met “gelukkig is de koning, prins of president”? Rasjie kan niet zeggen dat wanneer iemand zondigt er reden is voor vreugde. Maar een volk dat gezegend is met een leider die zijn fouten toegeeft, is inderdaad gelukkig (bron: Rasjie-verklaringen van Rav A. Bonchek).

Reacties zijn gesloten.