“En Mosjé kon de Tent der Samenkomst niet binnen gaan” (40:35).
Rasji wijst hier op een ogenschijnlijke tegenstrijdigheid. In Bemidbar 7:89 staat geschreven: Wanneer Mosjé de Tent der Samenkomst binnenging… In deze parsja kon Mosjé kennelijk niet zomaar het Misjkan binnen maar elders blijkt dat dat wel mogelijk was. Rasji legt uit dat deze twee passages elkaar toch niet tegenspreken. Een derde passage heft de tegenstrijdigheid op. We kunnen dat zien door met andere ogen te kijken naar het tweede deel van de pasoek: En Mosjé kon de Tent der Samenkomst niet binnen gaan want de wolk rustte erop en de Glorie van Hasjeem vulde de Woning” (40:35). Hieruit wordt duidelijk dat Mosjé de Tent alleen niet binnen kon gaan omdat de wolk erop rustte, maar als de wolk niet aanwezig was kon hij dus wél naar binnen.
Toch is het probleem nog niet helemaal opgelost. In de volgende pasoek lezen wij namelijk: ‘En wanneer de wolk van boven de “Woning” opsteeg, trokken de kinderen Israëls verder op al hun tochten’. Als Hasjeem met Mosjé sprak wanneer de wolk was opgetrokken, en Bnee Jisra’eel verder reisden als de wolk optrok, wanneer had Hasjeem dan tijd om met Mosjé te spreken?
Rasjbam, een kleinzoon van Rasji, lost dit probleem op door uit te leggen dat Mosjé de Tent niet binnen kon gaan wanneer de wolk het hele Misjkan vulde. Voordat Hasjeem helemaal optrok van het Misjkan bleef de wolk boven het Heilige der Heiligen hangen. Mosjé kon dan de Tent binnengaan en met Hem spreken.
Ramban geeft een andere verklaring. Hij stelt dat wanneer wij lezen dat Mosjé de Tent niet binnen kon gaan dit betekent dat Hasjeem hem niet had geroepen. Volgens Ramban kon Mosjé enkel de Tent binnengaan wanneer Hasjeem hem daartoe had opgeroepen.
Rasjie hanteert bij zijn verklaring een uitlegprincipe, dat de dertiende interpretatieregel van Rabbi Jisjma’eel wordt genoemd: ‘Twee verzen uit de Tora, die elkaar lijken tegen te spreken, ver¬eisen een derde vers om tussen hen af te wegen en te beslissen’. Wanneer twee verzen in de Tora elkaar tegenspreken, dan kunnen zij niet door mensenhand geharmoniseerd worden. De Tora zelf moet in een derde pasoek (vers) verklarend optreden. Voor de uitlegpraktijk betekent dit, dat we verder moeten zoeken in de Tora naar een an¬dere pasoek, die de tegenstrijdigheid oplost.
Het begin van deze dertiende uitlegregel geeft aan dat een tegenstrijdigheid aanleiding vormt om verder te zoeken en het einde van deze interpretatieregel duidt op het resultaat: een compromis. Een typisch voorbeeld is het volgende: vlak voor de Tien Geboden staat: ‘Toen daalde Hasjeem neer op de bergtop en Hasjeem riep Mosjé op de bergtop en Mosjé klom naar boven’ (19:20). Hieruit blijkt dat G’d op aarde afdaalde. In een andere pasoek (20:22) staat: ‘Toen zei Hasjeem tot Mosjé: zo zult u zeggen tot de Israëlieten dat u hebt gezien dat ik van de Hemel tot u gesproken heb’. Hieruit blijkt dat G’d met de Joden sprak vanuit de Hemel. Een derde pasoek lost deze tegenstrijdigheid op. Dat luidt namelijk (Devariem 4:36): ‘Vanuit de Hemel heeft Hij u Zijn stem doen horen om u te tuchtigen en op de aarde heeft Hij u Zijn grote vuur laten zien’. Uit dit vers kunnen we opmaken dat G’d inderdaad van de berg gesproken heeft, maar Zijn stem kwam vanuit de Hemel. Volgens de Chagamiem betekent dit dat G’d de Hemel als het ware heeft laten doorbuigen tot op de berg Sinai. De Hemel veranderde niet, zij werd slechts verplaatst, zodat G’d zowel vanaf de berg als vanuit de Hemel gesproken heeft.
Ook op initiatief van de Geleerden?
Uit de laatste woorden van deze 13e regel: ‘totdat de Tora zelf een oplossing biedt via een derde vers dat een compromis vormt’ zou blijken dat de Chagamiem zelf niet met een compromis als oplossing mogen komen; alleen de Tora zou dat mogen.
Rabbi Sjlomo Algazi (16e eeuw) schrijft in zijn Jawien Sjemoe’a dat in sommige gevallen de Geleerden op eigen initiatief een tegenspraak tot oplossing mogen brengen. Dit is het geval als de tegenspraak niet volledig is. Slechts in het geval van een volledige tegenspraak moeten we het probleem laten liggen totdat we een derde vers tegenkomen dat oplossing biedt. Rabbi Sjlomo Algazi neemt dus aan dat in bepaalde omstandigheden eigen inbreng van de Geleerden mogelijk is. Kennelijk vond Ramban Rasji’s tegenstrijdigheid niet zo ernstig, dat hij niet zelf op zoek kon naar een eigen antwoord.
Rabbi Awraham ben David (Rawed) schrijft echter dat de Geleerden uit bovengenoemde interpretatieregel kunnen opmaken, hoe te handelen als twee verzen elkaar tegenspreken, zonder dat er een derde verklarend vers gevonden kan worden. Een treffend voorbeeld hiervan vinden we in de Talmoed (B.T. Sota 27b): Op verschillende plaatsen in de Tora treffen we aan dat de Levieten geen aandeel hadden in de verdeling van het land; hun werden slechts 48 woonsteden met de daaromheenliggende weideplaats ter beschikking gesteld (de zes vluchtsteden en verder 42 woonsteden). De omliggende weideplaats wordt in Numeri (35:4 en 5) aangegeven als 3000 el naar de vier windrichtingen, 1000 el als stadsgrond en verder nog 2000 el als akkers en wijngaarden.
Numeri 35:5 luidt: ‘U zult buiten de stad afmeten aan de oostzijde 2000 ellen en aan de zuidzijde 2000 ellen en aan de westzijde 2000 ellen en aan de noordzijde 2000 ellen met de stad in het midden. Dit zullen voor hen de weidegronden van de steden zijn’.
Vers 4 van hetzelfde hoofdstuk luidt echter: ‘en de omstreken van de steden, die u aan de Levieten zult geven, zullen van de stadsmuur naar buiten rondom 1000 ellen zijn’.
Rabbi Akiva past 35:4 toe naar de eenvoudige verklaring en zegt dat rond de steden van de Levieten 1000 el vrij land moest zijn, waar zaaien niet was toegestaan. Dit land dient ter verfraaiing van de stad. En de 2000 el uit 35:5 past hij niet toe op de steden van de Levieten, maar laat hij gelden als maat voor het loopverbod op Sjabbat. Op Sjabbat is het verboden zich meer dan 2000 el buiten de stad te begeven. De eerste pasoek wordt dus opgevat in eenvoudige zin, het tweede wordt van toepassing geacht op een ander onderwerp, het loopverbod op de Sjabbat. De woorden van Rabbi Awraham ben David (Rawed) worden bevestigd door de eigen interpretatie, die Rabbi Akiva gaf aan de twee elkaar weersprekende verzen, zonder hulp van een derde vers.
Twee categorieën van tegenstrijdige verzen
De stelling van Rabbi Awraham ben David (Rawed) lijkt in strijd met de letterlijke betekenis van de dertiende interpretatieregel. Hij heeft, als één van de Risjoniem, echter niet het recht van mening te verschillen met een Tanna als Rabbi Jisjmaëel. Waarschijnlijk spreken beiden over twee verschillende categorieën van ‘twee verzen, die elkaar tegenspreken’. Er bestaat namelijk verschil tussen het geval van ‘twee verzen, die elkaar tegenspreken’ rond een feitelijke toedracht van zaken, en het geval dat twee wetsbepalingen in de Tora niet met elkaar verenigbaar lijken.
Als het gaat om een feitelijke toedracht van zaken volgen wij de opdracht van Rabbi Jisjmaëel en wachten we op een derde vers, die de twee verzen met elkaar verenigt. Als echter wetsbepalingen elkaar tegenspreken hebben de Chagamiem het recht deze verzen naar eigen inzicht op zodanige wijze te interpreteren dat de tegenstrijdigheid opgelost wordt.
Spanning tussen ethiek en ritueel
Heiligheid heeft morele en juridische aspecten. Maar er zijn ook rituele aspecten en tussen ethiek en ritueel kunnen spanningen ontstaan. Wanneer we teveel nadruk leggen op de rituelen kan ons morele bewustzijn daaronder lijden en ontstaat er een gebrek aan spiritualiteit. Wanneer wij alle rituelen negeren, bestaat er het gevaar van de vergeestelijking en “spiritualisme” van de religie. Door het uitvoeren van de rituelen drukken wij onze loyaliteit aan G’d uit en onderwerpen wij ons aan de expliciete opdracht uit de Tora. In heiligheid bereiden wij ons voor op G’ds nabijheid. Heiligheid betekent afzondering, losraken van het seculiere, het aardse en het profane en in de sfeer van het G’ddelijke kan heiligheid slaan op mensen, op ruimten, op tijden en op dingen. Sjabbat is de heiliging van de tijd, offers zijn heiliging van dieren. De kohaniem (priesters) waren afgezonderd van het volk voor de Tempeldienst, een heiliging in de menselijke sfeer.
“Hij zette het wasvat tussen de Tent van Samenkomst en het altaar en hij deed er water in voor de wassingen. Mosjé en Aharon en diens zonen wasten daarmee hun handen en voeten” (Sjemot 40:30-31).
Voordat de Kohaniem de Ohel Mo’eed – de Tent van Samenkomst – binnenkwamen of het altaar naderden, moesten zij hun handen en voeten wassen. Wanneer dit werd nagelaten, was dit een doodzonde. De Sidra van deze week besluit het boek Sjemot. In Pekoedé worden alle voorwerpen van de Tabernakel opgesomd. Het laatste voorwerp was het wasbekken. Indien wij werkelijk iets willen begrijpen van dit wasbekken, moeten we in herinnering roepen wat we afgelopen week hebben gelezen: ‘Hij maakte het wasvat van koper, met een voetstuk van koper, van de spiegels van de dienstdoende vrouwen, die dienst deden bij de ingang van de Ohel Mo’eed’ (Sjemot 38:8).
De Tora heeft de vrouwen nooit opgedragen om de spiegels te doneren. De Ibn Ezra noemt deze bijdrage een overwinning van de geest op het lichaam. De Joodse vrouwen wilden G’d dienen door een groter belang te hechten aan goede daden dan een aantrekkelijk uiterlijk. Zij doneerden hun spiegels. Men kan zich afvragen of iets dat zo profaan en uiterlijk gericht is, wel een instrument kan worden voor kedoesja. (heiligheid) Dit was inderdaad, stelt Rasji, de vraag die Mosjé bezighield: ‘De Joodse vrouwen bezaten spiegels die zij gebruikten om zichzelf op te maken en zelfs déze wilden zij doneren aan de Tabernakel. Toen Mosjé deze gaven verwierp omdat ze op lichtzinnigheid zouden duiden, zei G’d: ‘Neem ze aan, want deze spiegels zijn Mij dierbaarder dan wat dan ook’. Rasji benadrukt dat we het lichamelijke deel van ons bestaan niet te snel moeten verwerpen, zelfs wanneer dit de relatie tussen man en vrouw betreft. Het huwelijk heet in het Jodendom Kiddoesjien, van het woord ‘kadosj’ (heilig)! Het voortzetten van het Jodendom door het creëren van een nieuwe generatie, is één van de heiligste hoogten die een mens kan bereiken. Als een spiegel daarbij kan helpen, is er geen reden om dit te verwerpen voor de bouw van het Misjkan.
De zaak gaat nog wat dieper. De Midrasj verwoordt G’ds liefde voor deze spiegels in zeer opmerkelijke termen: ‘Door middel van deze spiegels vervulden deze vrouwen hun missie in Egypte. Wanneer hun mannen uitgeput van het harde werk naar huis kwamen, brachten zij hen voedsel en gaven zij hen te eten. De vrouwen namen dan de spiegels en keken naar zichzelf samen met hun mannen. De vrouwen verleidden dan hun mannen met de woorden: ‘Ik ben mooier dan jij’. Zo werd het Joodse volk groter’.
“Toen was voleindigd al het werk voor het Misjkan, tot Tent van Samenkomst en de kinderen Israëls hadden gemaakt naar alles wat Hasjeem Mosjé geboden had, zo hadden zij gemaakt” (Sjemot 39:32). Rasji voegt hier één woord toe en zegt “en de kinderen Israëls hadden gemaakt het werk naar alles wat Hasjeem geboden had”. Rasji probeert te beantwoorden waarom in deze pasoek twee keer het woord ‘maken’ staat: “En de kinderen Israëls hadden gemaakt… zo hadden zij gemaakt”. Dit lijkt overbodig. Welke oplossing brengt Rasji aan? Door het woord ‘het werk’ in te voegen, maakt Rasji duidelijk dat hier bedoeld is dat zij het Miskjan en de voorwerpen daarin gemaakt hadden. Daarnaast geeft Rasji heel duidelijk aan dat we de pasoek in twee stukken moeten verdelen.
1. De Bnee Jisra’eel maakten het Misjkan, en
2. ze deden wat Hasjeem Mosjé had opgedragen.
De Tora gebruikt de woorden ‘avodat haMisjkan’ en Rasji legt uit dat het hier niet zo zeer gaat om het fysieke aspect van het werk, de moeite en de inspanning, maar dat het gaat om het resultaat; het Misjkan. Het woordje ‘melacha’ slaat meer op het resultaat dan op het proces van de arbeid, de inspanning en het werk.
Het Misjkan en alle keliem waren klaar. Mosjé wilde duidelijk laten zien dat hij heel eerlijk was. Alles wat hij gekregen had als bijdrage en cadeau’s van de Bnee Jisra’eel, wilde hij optellen, om te laten zien dat hij alle spullen gebruikt had en dat hij helemaal niets voor zichzelf had genomen. Alle beetjes goud, alle kilo’s zilver, alle stukjes koper werden precies geteld. Mosjé liet de telling nog eens doen door zijn neef Itamar, om er zeker van te zijn dat hij geen fout maakte. De Bnee Jisra’eel waren erg blij dat alle cadeau’s voor Hasjeem, ook door Hasjeem werden aangenomen om daarmee het Misjkan te bouwen. Hoezo vond Mosjé het echter nodig om verantwoording af te leggen? Tijdens de bouw hoorde Mosjé dat sommigen negatieve opmerkingen maakten, met betrekking tot de bijdrages die hij beheerde voor de bouw. Hoewel Hasjeem de waarheid weet, is het beter om verantwoording af te leggen, om verdenkingen van mensen te voorkomen.
Het Misjkan was na drie maanden af (op 25 kislev 2449). Hasjeem zei echter tegen Mosjé, dat hij moest wachten met het Misjkan op te zetten tot 1 nissan. Toen Bnee Jisra’eel hoorden dat er gewacht moest worden, waren er enkelen die niet geloofden dat de Sjechina zou rusten op het werk (het Misjkan) van Mosjé. Toen het zover was, gingen deze mensen aan de slag voor de opbouw, maar het lukte hen niet. Daarna probeerden de wijzen het op te zetten, maar dat mislukte ook. Uiteindelijk was het Mosjé, in zijn eentje, die het lukte. Op 1 nissan daalde de Sjechina weer neer op aarde. Deze was sinds de zonde van Adam niet meer op aarde geweest. Vanuit het Misjkan straalde het over de hele wereld. Hasjeem deed dat, omdat de bouw van het Misjkan nog waardevoller voor Hem was dan de Schepping. Het Misjkan werd namelijk gebouwd door arbeid van tsaddikiem. De Schepping gebeurde ‘slechts’ door uitspraken van Hasjeem zelf.
Aharon begon zijn werk als koheen gadol door het aantrekken van de speciale bigdee kehoena, kleren die lijken op die van de engelen. Heel Am Jisra’eel kreeg de opdracht om materiaal bij te dragen. Het weven gebeurde door elke man of vrouw, die Hasjeem vreesde. Elk volk realiseerde dat deze kleren ‘anders’ waren.Toen koning Achasjverosj een groot feest hield van 180 dagen, liet hij elke dag een andere schat zien, waaronder de bigdee kehoena. Deze waren bewaard gebleven, nadat koning Neboechadnetsar deze had meegenomen toen de Babyloniërs de Tempel hadden verwoest.` Elke (gewone) koheen droeg vier witte, linnen kledingstukken; een shirt, een broek, een riem en een tulband. De koheen gadol droeg deze ook. In plaats van een tulband (met een punt naar boven, droeg hij echter een mitsnefet (rond). De koheen gadol droeg daarbij nog vier gouden kledingstukken; een mantel, een schort, een borstplaat en een hoofdplaat.
Elk kledingstuk stond voor een boetedoening van een bepaalde zonde van het Joodse volk. Het shirt stond voor alle moorden, die, door het ontbreken van twee getuigen, niet door een beet dien bestraft konden worden. De broek stond voor immoraliteit. De tulband (zowel de spitse als de ronde) stond voor arrogantie en de riem voor ongepaste gedachtes van het hart. Verder stond de borstplaat voor corrupte oordelen, het schort voor het dienen van afgoden, de mantel voor kwaadspreken en het hoofdplaat voor choetspa. In de Tempel hadden kohaniem-families speciale taken gekregen. Zo had de familie van Pinchas de leiding over de bigdee kehoena. Zij kleedden de kohaniem en waakten over de kleren in een opslagruimte.
Tsimtsoem inperking van de Alomtegenwoordigheid
G’ds wolk rustte op het Misjkan. Tot de meest ontzagwekkende daden van G’d behoort echter dat Hij Zijn oneindige en tijdloze glorie als het ware heeft ingeperkt, opdat er eindige en tijdgebonden werelden konden ontstaan met hun eigen werkelijkheden en diversiteiten, met hun natuurkrachten en weelde van schepselen. Dit betekent dat wij met onze zintuigen alleen kunnen waarnemen wat zich aan ons als werkelijkheid voordoet. Maar het is op deze schijnbare werkelijkheid, dat het geheel van onze verplichtingen en gedragingen gebouwd is, die G’d ons heeft geboden als een orde om niet te overschrijden (Psalmen 148:6). Vanuit dit gezichtspunt vergelijken onze Chagamiem G’d met de ziel in het lichaam. Zoals de Zohar zegt: “G’d is de ziel van alle werelden”.
Ook een mens kunnen we alleen via zijn lichaam waarnemen. Hoewel onze ziel ons hele lichaam doordringt, onttrekt ze zich aan het materiële oog en openbaart de ziel zich alleen aan ons geestesoog.
Algehele doordringing
Zo doen ook de werelden zich als werkelijkheid aan onze waarneming voor, hoewel het G’d is die alles doordringt, ook al zien wij Hem niet en verbergt Hij zich als het ware in het binnenste van alle werelden, van waaruit Hij alles doet leven en stand laat houden. Zo ook penetreert de ziel tot in alle hoeken van het lichaam maar houdt zich in het binnenste daarvan verborgen en geeft het lichaam leven en vastigheid.
Alle namen, aanduidingen en eigenschappen van G’d, die in de Tora beschreven staan, spreken vanuit de wijze waarop wij Hem waarnemen van ónze kant in termen van onze verplichtingen en gedragingen. Van G’ds kant is alles echter pure eenheid zoals het was voor de Schepping. Maar tot dit ontzagwekkende domein kunnen wij niet doordringen. Wij kunnen niet begrijpen hoe G’d alle plaatsen vult met volstrekte eenheid. In onze wereld zijn sommige plaatsen rein en toegestaan en andere gebieden en domeinen bezoedeld en verboden. Dat vloeit voort uit de menselijke beperkingen.
