WAJAKHEEL (de gemeenschap bijeenroepen). 26e parsja. Mosje vraagt om bijdragen in natura voor de bouw van de Woning. Vele vrouwen spinnen en weven de nodige kleden. De vorsten brengen de stenen voor het efod en het borstschild. Naast Betsalel uit de stam Jehoeda wordt Aholiav uit de stam Dan als meesterbouwer aangesteld. Er wordt zoveel materiaal gebracht, dat Mosje laat omroepen, dat er nu genoeg is. Betsaleel maakt de Arke voor de Stenen Tafelen.
Koheen, 35:1-20. Mosje verzamelt het volk op de eerste Jom Kippoer, nadat hij veertig dagen en nachten op de berg Sinaï is geweest, voor de bouw van het Misjkan. Hij draagt op om Sjabbat te houden.
Waarom werden de vele details van Sjabbat pas na de vergeving van de zonde van het gouden kalf gegeven? Reeds eerder in de Tora – in Mara – had het volk al de opdracht om Sjabbat te houden gehoord! Na Jom Kippoer kon iedereen weer opgelucht adem halen. Hun zonde was vergeven! Iedereen was besimcha – in vreugde. Na de volledige tesjoeva konden ze met totale overgave alle moeilijke details van Sjabbat aanvaarden.
“Dit zijn de zaken, die G’d geboden heeft om te doen” (35:1). Sjabbat is geen dag van pure rust. Het is bedoeld om kedoesja (heiligheid) te genereren. Door zich alleen met hogere zaken bezig te houden, creëert men een nieuwe ziel. Dat is de diepere betekenis van `om te doen’.
“Mosje verzamelde de hele gemeente van de Bnee Jisra’eel” (35:1). Rasjie zegt dat deze bijeenkomst, om te vertellen over de Sjabbat en over de gaven aan het Misjkan, op 11 Tisjri plaatsvond, de dag na Jom Kippoer 2448. Elders zegt Rasjie (18:13) dat Mosje, de dag na Jom Kippoer, het volk berechtte. Waarom was een berechting nodig voordat het Misjkan gebouwd zou worden?
De Kli Jakar stelt dat Mosje bang was dat men dingen zou bijdragen aan het Misjkan die niet hun eigendom waren. Het zou een misvatting zijn om het Misjkan te bouwen van gestolen zaken of zaken die niet duidelijk aan de donateur toebehoren. Door de rechtspraak van Mosje zou iedereen exact weten van wie welke spullen waren. Pas dan zou de contributie aan het Misjkan goed en passend zijn. Deze hakheel (bijeenkomst) was verder erg belangrijk voor de onderlinge vrede. Bij de bouw van het Misjkan werden ze allemaal verenigd in één nationaal project en doel. Alle legeringen vonden plaats temidden van ruzie en machloket. Op Jom Kippoer werden zij echter vredig met elkaar verenigd. Daarom was het de dag daarna eenvoudig om ze eensgezind bij elkaar te brengen. De vrede van gister speelde nog in hun achterhoofd. De onderlinge verdeeldheid werd, met het oog op de band tussen mens en G’d, op Jom Kippoer opgeheven. Het enige wat nog resteerde waren de intermenselijke meningsverschillen. Die werden door Mosje opgelost door de precieze lijnen tussen ‘mijn en dijn’ vast te leggen.
“Op de zevende dag zal het voor jullie heilig zijn” (35:2) Rabbenoe Jona Girondi geeft een andere reden voor de verplichting om op Sjabbat een derde maaltijd te houden. Wanneer men weet, dat er aan het einde van de dag nog een derde maaltijd volgt, eet men niet veel bij de tweede maaltijd. Zo zal men zich realiseren dat Sjabbat niet bedoeld is om zich vol te eten maar juist gericht moet zijn op zo veel mogelijk spiritualiteit. Behalve dat dit veel gezonder is toont matig eten ook, dat men beseft dat de mens niet leeft bij brood alleen.
“Iedereen, die daarop werk doet” (35:2). In deze parsja – na de zonde van het gouden kalf – waarschuwt de Tora eerst de Sjabbat in acht te nemen en pas daarna volgt de bouwopdracht voor het Misjkan. In de sidra van de afgelopen week – Ki Tisa – stond er eerst de bouwopdracht Pas daarna werd de Sjabbat verordonneerd. Het verschil ligt in de spirituele daling na het gouden kalf. Daarom had men eerst de heiligheid van de Sjabbat nodig, die de aanzet zou vormen voor de hasjra’at Sjechina – het rusten van G’ds Majesteit temidden van het volk.
“Zes dagen zal er arbeid verricht worden en op de zevende dag zult u iets heiligs hebben, de hoogste Sjabbat, ter ere van Hasjeem… U zult in al uw woningen geen vuur ontsteken op de Sjabbat” (35:2-3). Er zijn ook halachische redenen waarom hier het vuurontstekingsverbod apart behandeld wordt. Volgens Rasjie zeggen sommigen van onze Geleerden dat het onsteken van vuur uit het algemene werkverbod naar voren wordt gehaald en apart vermeld wordt, om daarmee aan te geven dat het vuurontstekings verbod minder zwaar is dan de andere werkverboden op Sjabbat. Maar andere Geleerden zeggen dat het vuurontstekingsverbod niet minder zwaar is dan alle andere werkverboden. Het wordt hier apart vermeld om aan te geven dat men niet alleen Sjabbat overtreedt bij het verrichten van alle 39 werkzaamheden samen, maar dat men zelfs door het doen van één van de werkzaamheden al Sjabbat overtreedt. Eén van die werkzaamheden is bijvoorbeeld het ontsteken van vuur. Dit is de halachische reden waarom hier het voorbeeld van het onsteken van vuur apart wordt vermeld.
Volgens een derde mening wordt het vuur ontsteken hier apart vermeld om duidelijk te maken dat alleen in onze woningen of woonplaatsen geen vuur mag worden aangestoken. In de Tempel mocht er echter wel vuur worden aangestoken. Ook op Sjabbat werden offers gebracht en verbrand.
Maar er zijn ook andere, diepere redenen. Vuur staat nog al eens symbool voor een heftig meningsverschil. De Tora zegt dan: “Je moet op Sjabbat rust houden en geen werk verrichten maar zorg ervoor dat jullie, door de vrije tijd, niet tot machloket vervallen”. Door de week is men druk bezig met zijn werk en heeft men weinig tijd voor ruzie. Op Sjabbat wordt er niet gewerkt en is er juist meer aanleiding om te vrezen voor machloket. Daarom moest ook het hele volk eensgezind bij elkaar gebracht worden om duidelijk te maken dat G’d niet wil dat op Zijn heilige dag vuur ontstoken wordt, d.w.z. men machloket zou maken omdat men meer vrije tijd heeft. Het is de bedoeling om die vrije tijd te gebruiken om Tora te leren.
“Dit zijn de zaken die G’d heeft opgedragen om ze te doen: zes dagen zal er werk gedaan worden” (35:1-2). Waarom staat hier: ‘werk zal gedaan worden’ passief? Het werk dat hier bedoeld wordt, is het brengen van bijdragen voor de bouw van het Misjkan. Ook dit wordt werk genoemd, zoals er staat geschreven: “Man noch vrouw moeten verder nog werk doen en toen stopte het volk met het brengen van bijdragen” (B.T. Sjabbat 96b). ‘Zal gedaan worden’ slaat op het overbrengen van geschenken van privé-terrein naar openbaar terrein, van de eigen tent naar de centrale verzamelplaats. De passieve vorm staat in verband met het feit dat de vrijwillige bijdrage niet bevolen kon worden. Het moest allemaal vanzelf gebeuren. Daarom staat deze passieve vorm.
Levi, 35:21-29. Zowel mannen als vrouwen brachten veel gaven. De leiders van de stammen gaven edelstenen voor de schouderstukken van de Efod (schort) en de Chosjen (borstplaat) van de Koheen Gadol, specerijen en olie voor het rookwerk en de zalfolie.
“Verder zei Mosje tot de hele gemeente van de kinderen Israëls’: ‘Dit is de zaak, die Hasjeem geboden heeft als volgt: neemt van het uwe een heffing ter ere van Hasjeem…’ “ (35:4-5). Rav A. Bonchek brengt de drie volgende Rasjie-verklaringen. Rasjie geeft hier als commentaar: “Dit is de zaak, die Hasjeem mij geboden heeft u te zeggen”. Rasjie voegt hier toe de woorden ‘mij’ om te zeggen ‘aan u’.
Opmerkelijk is, dat in deze pasoek het woord `lemor’ (om te zeggen) twee keer voorkomt. `Lemor’ kan op verschillende manieren vertaald worden. Meestal geven we het weer als ‘als volgt’. In feite kan het in moderne termen vertaald worden als ‘om te quoten’. Maar het kan ook betekenen ‘om door te vertellen’: G’ d sprak tot Mosje om het door te vertellen aan de Bnee Jisra’eel. Vajakheel is een herhaling van parsjat Teroema waar voor het eerst aan de Bnee Jisra’ eel opdracht wordt gegeven om spullen in te zamelen voor de bouw van het Misjkan.
In Teroema (25:2) spreekt Hasjeem tot Mosje over een opdracht van Mosje aan de Bnee Jisra’eel: ”Spreek tot de kinderen Israëls, dat ze voor Mij een heffing nemen”. Hier echter (in Vajakheel (35:4) spreekt Mosje direct tot de gemeente van Israël: “Neem van jullie”. Mosje spreekt direct tot het volk. Het tweede `lemor’ betekent: ‘om aan jullie door te vertellen’. Nu wordt de vierde zin van Vajakheel duidelijk. Mosje spreekt tot de Bnee Jisra’eel: quote, dit is de zaak die G’d mij een tijd geleden heeft verteld om aan jullie door te zeggen: neem van het uwe een heffing.
Aan het begin van parsja Vajakheel staat: “Toen verzamelde Mosje de hele gemeente van de kinderen Israëls en zei tot hen: ‘Dit zijn de zaken die Hasjeem geboden heeft te maken. Zes dagen zal arbeid verricht worden en op de zevende dag zult u iets heiligs hebben, de hoogste Sjabbat, ter ere van Hasjeem’ “ (35:1-2). Hier is er een opdracht voor het hele volk, inclusief de leider. Ook Mosje moest Sjabbat houden, gelijk alle andere Joden. Maar waar het gaat om de heffing voor het Misjkan, daar is dat een opdracht aan de Bnee Jisra’eel. Zij moeten doneren. Mosje zelf werd hier kennelijk niet aangesproken. De opdracht in 35:4 was niet dat Mosje zelf zou bijdragen, maar dat hij aan de Bnee Jisra’eel zou vragen om bij te dragen.
Hier staat – terzijde – een aanduiding voor de bekende gedachte dat wanneer men anderen aanzet tot doneren dat groter en belangrijker is dan zelf doneren. Bezig zijn met de gemeenschap betekent vaak anderen aansporen tot het doen van goede daden. Degene die aanspoort tot goeds wordt het als een grote verdienste aangerekend, dat hij anderen heeft aangezet tot goede daden: ”Groter is hij die anderen aanzet tot goede daden dan degene die ze zelf doet”. Een opsteker voor iedereen die zich uitslooft voor de gemeenschap.
3e alija, 35:30-36:7. Betsalel uit de stam Jehoeda en Aholiav van de stam Dan worden de architecten van het Misjkan.
Bij de aanstelling van de architect van het Misjkan, Betsalel, de zoon van Oeri, de zoon van Choer van de stam Jehoeda, staat: “En om te onderrichten heeft Hij hem in het hart gegeven, hem en Aholiav, de zoon van Achisamach van de stam Dan” (35:34). Rasjie verklaart hier dat Aholiav van de stam Dan kwam. Dan was een stam met weinig aanzien. Dan was namelijk een nakomeling van een van de bijvrouwen van Ja’akov. G’d stelde hem bij het maken van de Misjkan gelijk met Betsalel, die van de meest voorname stam was.
Hiermee werd vervuld wat in Job (34:19) staat: ”Bij wie de rijke niet in aanzien is boven de arme”. Rasjie leert ons dat G’d geen verschil maakt tussen arm en rijk, voornaam en gering. Iedereen is met het oog op het Jodendom gelijk. Toch is het moeilijk te begrijpen waarom Rasjie zijn verklaring pas bij dit vers doet. Waarom geeft Rasjie deze verklaring niet eerder? Eerder in de Tora (in Parsjat Ki Tisa [31:6]) staat: “En zie, Ik heb bij hem (Betsalel) geplaatst Aholiav, de zoon van Achisamach van de stam Dan”.
Toch is onze pasoek de meest aangewezen plaats om de boodschap van `gelijkheid ondanks de verschillen in aanzien’ te brengen. Pas in onze pasoek (35:34) wordt duidelijk dat Aholiav op hetzelfde niveau staat als Betsalel. Eerder in de Tora (in 31:6) staat wel dat Aholiav met Betsalel is aangesteld. Maar ‘met’ kan op meerdere manieren begrepen worden. Het kan inderdaad ‘samen met’ zijn, op hetzelfde niveau, maar het kan ook betekenen: ‘ondergeschikt’. Daarom maakt Rasjie pas hier (in 35:34) duidelijk dat het gaat om een gelijk niveau.
4e alija, 36:8-19. Bouw van het Misjkan. 5e alija, 36:20-37:16. De planken met de zilveren voetstukken, het voorhangsel, de Ark en de tafel worden beschreven. De muren waren opgetrokken uit 48 planken: twintig aan de noord- en zuidkant, acht aan de westkant. Elke plank stond op twee zilveren voetstukken. Een geweven gordijn vormde de afscheiding tussen het voorportaal en het Allerheiligste.
“En iedereen, bij wie aangetroffen werd purperblauwe, purperrode en karmozijnkleurige wol en linnen en geitenhaar en roodgeverfde ramsvellen en tagasj-vellen, zij brachten het” (35:23). Rasjie geeft hier als commentaar dat de zin als volgt begrepen moet worden:”En iedereen, bij wie aangetroffen werd purperblauwe of purperrode of karmozijnkleurige wol of ramsvellen of tagasj-vellen, zij allen brachten”.
Rasjie wil een mogelijk misverstand voorkomen. Men had namelijk kunnen denken dat alleen degene, die al die verschillende stoffen bezat, het recht had om bij te dragen aan de bouw van het Misjkan. Rasjie maakt duidelijk dat het hier gaat om: ‘of’. Iedereen die maar iets te doneren had, mocht bijdragen. Ook hier staat een mooie gedachte: willen we iets gemeenschappelijks opbouwen, dan moet iedereen bijdragen, hoe klein ieders geschenk ook is. Het gaat er voornamelijk om, dat men wil contribueren aan alle gemeenschapsprojecten en niet om hoeveel. Een positieve oog voor het algemeen belang is heel belangrijk.
Het vers begint met enkelvoud en eindigt in het meervoud. Zij allen, betekent ‘iedereen individueel samen’, kwamen zij tot een genereuze donatie. Hoewel Rasjie dit niet zo duidelijk zegt, geeft hij hier een morele waardering. Wanneer vele mensen kleine dingen doneren, wordt het samen één grote opoffering. De gemeenschap bestaat uit vele individuen, die allemaal kleine dingen kunnen doen, maar samen gerekend kan het iets heel groots en moois opleveren. Het geheel is meer dan de som der delen.
6e alija, 37:17-29. De Menora is uit één stuk puur goud gemaakt en had zes zij-armen. 7e alija, 38:1-20. Hier volgen het brandoffer, het wasvat en het voorhof.
