“Zie, Ik heb met name benoemd Betsaleel.” (31:2-4)
Rasji merkt op dat we hier moeten lezen: “Ik heb met name benoemd, om Mijn arbeid te verrichten, Betsaleel” [niet: Ik heb de naam van Betsaleel genoemd; Onderwijzer]. Opperrabbijn maakt hiermee duidelijk dat wij de tekst niet foutief moeten lezen. We hadden kunnen begrijpen dat er hier sprake was van naamgeving of aanroepen van Betsaleel maar dat is niet juist. Het gaat erom dat Bestsaleel hier benoemd wordt tot uitvoerder van het werk aan de Misjkan.
Hoewel Avraham en Ja’akov middenin hun leven een andere naam kregen, wordt dit bij Betsaleel nergens vermeld. Verder spreekt G’d Betsaleel nooit direct aan. Het is dus niet plausibel dat hier sprake is van naamsverandering, noch dat Betsaleel direct wordt aangesproken door G’d. Daarom voegt Rasji het woordje “et” bij Betsaleel toe, om duidelijk te maken dat de bedoeling van het roepen was dat Betsaleel als lijdend voorwerp werd aangewezen om “Mijn werk te verrichten”. Dit werk wordt iets verder vermeld in 31:5. Rasji haalt het even naar voren om duidelijk te maken dat het hier gaat om het benoemen in een functie. Het was niet zo dat Betsaleel deze kundigheden (om ontwerpen te maken, om ze uit te voeren in goud en zilver, om steen te bewerken, om ze te zetten of om hout te bewerken) vanzelf had meegekregen. Hij was net zo slaaf geweest als alle andere Joden, die hard moesten werken in Egypte met steen, klei en leem (hierdoor verloren zelfs kundige diamantbewerkers hun slijpvaardigheden).
Het was werkelijk een gave van G’d dat Bestaleel in staat was al deze subtiele, artistieke werkzaamheden uit te voeren. Mensen die grof werk moesten verrichten, kunnen meestal deze fijne handvaardigheden niet meer aan. Daarom was dit een werkelijk wonder, en zoals benadrukt in 31:3, een door G’d ingegeven talent, dat hij in staat was om al deze werkzaamheden tot in de kleinste details uit te voeren.
“U nu, spreek tot de Bnee Jisra’eel als volgt: maar Mijn Sjabbatdagen zult u in acht nemen, want een teken is het tussen Mij en u bij uw geslachten, om te weten dat Ik Hasjeem ben die u heiligt” (Sjemot 31:13).
Rasji geeft als verklaring op de woorden:[”Want een teken is het tussen Mij en u”] – “want een teken van grootheid is tussen ons d.w.z. de omstandigheid dat Ik u heb uitverkoren, daar Ik u Mijn rustdag ten erfdeel heb gegeven tot rust”. Het teken is dus niet de Sjabbat als zodanig maar wel het feit dat, wanneer de Joden Sjabbat houden, dit een teken is dat G’d hen heeft uitverkoren. Normaliter wordt Sjabbat opgevat als een teken dat G’d gerust heeft op de zevende dag bij de schepping. Maar Rasji wordt genoodzaakt tot deze verklaring van`Sjabbat als teken van uitverkiezing van het Joodse volk’omdat het begin van de pasoek zegt: “Jullie zullen Mijn Sjabbat-dagen (in het meervoud) in acht nemen”.
“Het is een teken” staat in het enkelvoud. “Het teken” (enkelvoud) kan niet slaan op de Sjabbat-dagen in het meervoud. Rasji verklaart daarom, dat de uitverkiezing van het Joodse volk, het teken is. De uitverkiezing om Mijn rustdag te mogen houden is het teken van verbond tussen ons. De uitverkiezing is enkelvoud en vormt de inhoud van het “ot” (=teken).
Er bestaan verschillende redenen waarom wij Sjabbat houden. Volgens de eerste Tien Geboden (Sjemot 20:8 e.v.) houden wij Sjabbat omdat G’d de wereld heeft geschapen in zes dagen en Hij op de zevende dag rustte. Maar bij de tweede Tien Geboden (Dewariem 5:12 e.v.) staat de uittocht uit Egypte als reden voor de Sjabbat.
Hier is echter geen sprake van tegenstrijdigheid. In de eerste Tien Geboden wordt alleen beschreven waarom Hasjeem de Sjabbat-dag gezegend en geheiligd heeft. G’d rustte op de zevende dag en daarom heeft de Sjabbat een speciale status. Maar in de tweede Tien Geboden wordt aangegeven waarom de Joden de Sjabbat hebben gekregen. Er waren vele volkeren die uitgekozen konden worden om Sjabbat te houden. Na de slavernij in Egypte had het Joodse volk aan de voorwaarden, om de Tora te krijgen, voldaan en werden zij uitgekozen om dit gebod in acht te nemen.
In Sjemot 31:13 staat:”Want een teken is het tussen Mij en u, om te weten dat Ik Hasjeem ben, die u heiligt”. Hier wordt aangegeven waarom specifiek de Joden zijn uitgekozen voor deze grote mitsva. Iets verderop in zin 17 (31:17) staat: “Tussen Mij en de kinderen Israëls is het een teken voor eeuwig, dat Hasjeem in zes dagen hemel en aarde gemaakt heeft en op de zevende rustte en Zich verkwikte”. Sjemot 31:13 legt de uitverkiezing van het Joodse volk voor het houden van Sjabbat uit. Sjemot 31:17 geeft de reden voor de speciale uitverkiezing van de Sjabbat als rustdag aan, zoals dat ook gebeurde op de eerste Stenen Tafelen. Rasji geeft dus in zijn verklaring op 31:13 aan dat het Joodse volk uitverkoren werd. Hier wordt de connectie tussen Hasjeem en Am Jisra’eel gelegd. Daarom staat pasoek 31:13, waar de relatie tussen G’d en het volk wordt omschreven, in de tweede persoon. Maar in 31:17, waar wordt gesproken over de speciale status van Sjabbat in de schepping, staat het in de derde persoon: “Tussen Mij en de kinderen Israëls’ (gebaseerd op de Rasjie-verklaringen van Rav A. Bonchek).
Overtuiging vereist actie
Enkele weken na de uittocht uit Egypte vervalt het Joodse volk tot afgoderij. Dit was zó erg dat Mosje opmerkt: ‘Dit volk heeft inderdaad een grote zonde begaan!’ (Sjemot 32:31). Waar was het Joodse volk eigenlijk schuldig aan? Toen de Levieten de schuldigen ombrachten, bleken er slechts 3000 van de 600.000 mannen tussen de twintig en de zestig ter dood te zijn veroordeeld. Dit was ‘slechts’ een half procent van de totale mannelijke bevolking. Sommigen anderen stierven tijdens een plaag (32:35). Maar waarom moest het hele Joodse volk beschuldigd worden van “een grote overtreding”?
De 16e eeuwse commentator Sforno (Italië) legt het als volgt uit: ‘Toen Mosje van de berg Sinaï afdaalde en het dansen rond het gouden kalf waarnam, zag hij dat ‘het volk onbeheerst was, want Aharon had het de vrije teugel gelaten’ (32:26). Dit betekent dat Aharon het ware karakter van het volk had blootgelegd, toen hij deed alsof hij instemde met het maken van een gouden kalf. In de woorden van Sforno: ‘Er waren geen rechtvaardige mensen onder het volk, want als maar enkelen Aharon hadden geholpen om de oproerkraaiers te bezweren, zou hij dat gouden kalf nooit gemaakt hebben’. Anders geformuleerd: hoewel maar weinigen het gouden kalf werkelijk gediend hadden, werd het tolereren van deze situatie en het gebrek aan actie om het te voorkomen, beschouwd als een misdrijf. Het was de zwijgende meerderheid, die Mosje voor hun niet-optreden kastijdde.
Is de zwijgende meerderheid schuldig?
Of die zwijgende meerderheid inderdaad schuldig was, vormde een meningsverschil tussen Mosje en Jehosjoe’a. Toen Mosje afdaalde van de berg Sinaï met de beide Stenen Tafelen, riep Jehosjoe’a, die op enige afstand van het Joodse kamp aan de voet van de berg stond, tegen Mosje: ‘Er is krijgsgeschreeuw in de legerplaats’. Maar Mosje antwoordde hem: ‘Geen geluid van roepen bij nederlaag – geluid van beurtzang is het wat ik hoor’ (32:17). Mosje bedoelde een geluid van G’dslasterlijke beurtzang. De Talmoed Jeroesjalmi zoekt een diepere betekenis achter de woorden van Mosje. Mosje zei eigenlijk tegen Jehosjoe’a: ‘Jij, Jehosjoe’a, zult in de toekomst leider worden van 600.000 mensen. Jij kan niet eens onderscheid maken tussen het ene geluid en het andere?!’.
Rabbi Alexander Zoesja Friedman legt in zijn ‘Majana sjel Tora’ uit, dat Jehosjoe’a wel de geluiden hoorde van degenen die protesteerden tegen de aanbidders van het gouden kalf. Er was een verbale oorlog aan de gang: ‘Er is krijgsgeschreeuw in het kamp’. Maar Mosje antwoordde: ‘Het is alleen maar een verbale strijd, een oorlog van woorden’. Het feit dat ze slechts met woorden protesteren betekent, dat het hun eigenlijk niet zo veel kan schelen. Ze twijfelen tussen de verschillende partijen. Hun bezwaren zijn alleen maar mondeling. Ze ondernemen geen actie. Mosje gaf mee aan Jehosjoe’a, de toekomstige leider van het Joodse volk, dat hij de situatie niet goed geanalyseerd had. Hij begreep niet waar het hart van het volk werkelijk lag.
Het verband met de haftara
De sidra en de daarbij behorende haftara (niet die van Para) komen qua thema overeen: een houding van passief en weinig effectief verzet tegen misstanden. Op de berg Carmel confronteert de profeet Elija 450 valse profeten met de waarheid. Hij slaat het volk met de gesel van zijn woorden: ‘Hoelang zullen jullie nog hinken op twee gedachten? Als G’d de Ware G’d is volg dan Hem, maar als het de ba’al is, volg hém dan. En het volk antwoordde hem niet’.
De weifelende houding bij de episode van het gouden kalf zien we terug in de haftara, waar de Israëlieten twijfelen tussen het geloof in de Enige Ware G’d en de ba’al-cultus. Zowel in de sidra als in de haftara zien we dat het volk uiteindelijk weer zijn commitment oppakt en G’d volgt. In de sidra wordt het gouden kalf vernietigd en in de haftara daalt het vuur uit de Hemel neer en wordt het offer van Elija verteerd. Geen woorden maar daden!
Uit de episode van het gouden kalf zien we dat het onvoldoende is om ons Jodendom alleen met woorden te belijden. Een werkelijke overtuiging komt tot uiting in daden. Voor de praktijk betekent dit, dat we alles moeten doen om bijvoorbeeld een chiloel Hasjeem – een ontwijding van G’ds Naam – te voorkomen. Iedere Jood/Jodin heeft het lot van zijn/haar geloof en zijn/haar hele volk in handen. Een zwijgende meerderheid is geen goede zaak. Als wij durven op te staan als Joden en ons geloof durven te bekennen aan onze omgeving zullen we duidelijk ervaren, dat onze daden belangrijker zijn dan onze woorden.
“Ieder gordde zijn zwaard aan zijn heup, en ieder moet zijn broeder, zijn verwant en zijn naaste doden’.’ De Levieten deden naar het woord van Mosje en er vielen van het volk die dag ongeveer drieduizend man” 32:27-28.
Hadden de afgodendienaren geen recht op een eerlijk proces? Hoe kunnen de Levieten zoveel mensen in de woestijn hebben gedood? Wat was er gebeurd?
Nieuw volk, Mosje als voorvader
G’d doet Mosje een voorstel. G’d wil het volk vernietigen en een nieuw volk opbouwen met als voorvader Mosje. Mosje slaat dit aanbod af, houdt een groot pleidooi en dringt er bij G’d op aan dat Hij verder moet met de afstammelingen van Awraham, Jitschak en Ja’akov. Mosje zegt tegen G’d: “Een tafel met drie poten (een volk met drie Aartsvaders) kan al niet blijven staan (zij vervallen af en toe tot zonde), dan toch zeker kan een tafel met één poot (als ik de voorvader wordt van het Joodse volk) niet blijven staan.” Mosje pleit voor Israël omwille van G’ds verbond en belofte aan hen en hun voorouders. Zijn inspanningen worden met succes beloond. Maar het incident met het gouden kalf kan niet ongestraft voorbijgaan. De zaak is duidelijk. Op afgoderij staat de doodstraf. Mosje zoekt mensen om het vonnis uit te voeren. De Levieten melden zich aan. Zij plaatsen de G’dsdienst boven hun eigen emoties. Zij kwijten zich zo goed van hun taak, dat Mosje hen aanneemt als bedienaars van de G’dsdienst, in plaats van de bechoriem (eerstgeborenen), die tot dan deze taak vervulden.
Toch zit er een moeilijk punt in deze episode. Wanneer Mosje opdracht geeft om de afgodendienaren te doden, stelt hij: “Als volgt zegt G’d: ‘Laat ieder zijn zwaard omgorden’.(32:27). Waar staat in de Tora dat G’d dit ook werkelijk heeft gezegd? Rasjie heeft dit probleem opgemerkt en verwijst ons naar de sidra van de vorige week: “Iedereen die voor afgoden offert, moet ter dood worden gebracht” (22:19).
Poorten zijn gerechtshoven
Toch komt de Midrasj met een andere verklaring. Op het versdeel dat Mosje in de “poort van het kamp stond” (Sjemot 32:26) leggen onze verklaarders uit dat met “poort” meestal het Sanhedrin wordt bedoeld, het gerechtshof van éénenzeventig oudsten. Voordat Mosje opdracht gaf om de zondaars te executeren, consulteerde hij het Sanhedrin, de hoogste gerechtelijke autoriteit. Ieder van de drieduizend overtreders heeft ongetwijfeld een apart proces en vonnis gekregen, waarbij getuigen en waarschuwingen van te voren niet ontbraken. Daarom stond Mosje Rabbenoe in de poort van het gerechtshof.
Met open vizier
De meeste beulen bedekken hun hoofd uit schaamte of angst voor represailles. In het Jodendom wordt ook van de ‘executeur’ verwacht dat hij een hoog moreel niveau heeft. Mosjé’s woorden “Wie aan de kant van G’d staat” noodzaakten niet zozeer tot kiezen voor de ‘partij van G’d’ maar slaan veel meer op de soort persoonlijkheid, die in aanmerking komt om beul te worden in deze uiterst onverkwikkelijke geschiedenis. Veel Joden hadden het gouden kalf zelf niet gediend maar hun passieve afzijdigheid toonde onvoldoende karakter en gebrek aan werkelijke toewijding aan het Jodendom. Mosje zocht mensen die zó toegewijd waren dat hun enige beweegreden de verheffing van het Joodse volk was. Alléén déze mensen mochten de uitvoerders van het doodsvonnis worden. De uitdrukking “Iedereen dode zijn broeder” is niet slechts een opdracht maar tevens een indicatie van het karakter en de persoonlijkheid van de beulen. Haat, woede, wraakgevoelens of bitterheid mochten niet hun drijfveer zijn. Zij moesten oprechte broederlijke gevoelens koesteren tegenover degene, die zij moesten executeren. Zou dit niet het geval zijn, dan zou het ene geweld slechts het andere geweld oproepen.
Geen moordenaars
Wil men het slechte vernietigen dan moet men zuiver gericht zijn. Er moet sprake zijn van commitment. De enige beweegreden moet liefde voor G’d of haat tegen het kwaad zijn. Men mag niet haatdragend zijn tegenover de mens, die het kwaad bedreven heeft, omdat ieder mens tesjoewa kan doen en zichzelf ten positieve kan veranderen. Na de oproep van Mosje staat er “En de zoons van Levi handelden naar het woord van Mosje en op die dag vielen er drieduizend mensen”. In de vers wordt het woord ‘moorden’ niet vermeld, omdat de Levieten geen moordenaars waren.
Afgoderij moet vermeden worden omwille van het geloof en de morele verheffing van het Joodse volk. Maar dit betekent niet dat men er maar in het wilde weg op los moet slaan. Een eerlijk proces, een onbevooroordeelde rechter, een beul met zuivere motieven zijn belangrijke elementen van het juridische systeem van de Tora.
