Parsja Tetsave

TETSAVE (beveel): Mosjee krijgt de opdracht ervoor te zorgen dat de Menora brandend gehouden wordt en Aharon en zijn zonen aan te stellen als priesters (kohaniem). Ook moeten er kleren voor hen geweven worden, die gedetailleerd beschreven worden: o.a. een borstschild, een voorhoofdsplaat, een schoudermantel (efod), een tulband en een gordel. Er moeten ook twee stenen waarin de namen van de stammen gegraveerd worden, aan de schouderstukken gehecht worden. Voorts een borstschild ‘’voor bijzondere beslissingen’’ met speciale stenen die Aharon op zijn hart moet dragen. Onderaan de mantel moeten belletjes aangebracht worden.Voor de aanvaarding van het priesterschap moeten er offers gebracht worden en de nieuwe priesters moeten zich zeven dagen voorbereiden, Aharon wordt ook gezalfd met olie, met een meeloffer, olie en wijn.
Bestaat er een chronologische volgorde van gebeurtenissen in de Tora?
Net zoals G’d niet aan tijd gebonden is, is het ook plausibel dat er in de Tora sporen zijn van een losse binding met de tijd. De Talmoed zegt dat er geen chronologische volgorde in de Tora bestaat. Dit is een van de tweeëndertig interpretatieregels van Rabbi Eli’ezer ben Josee. Maar de toepassing van dit principe kan verschillen. Rasji gebruikt dit principe redelijk vaak wanneer de tijdsvolgorde van de gebeurtenissen in de Tora niet goed te volgen is. 

Ramban (Nachmanides) is van mening dat dit principe zeer zuinig moet worden toegepast. Wanneer de Tora duidelijk aangeeft dat er geen chronologische volgorde wordt aangehouden, is dit principe uiteraard van toepassing, aldus Ramban. Een duidelijk voorbeeld hiervan vormt het begin van het boek Bemidbar. Het eerste hoofdstuk begint op dag één van de tweede maand van het tweede jaar na de uittocht uit Egypte terwijl hoofdstuk 9 begint met de eerste maand van het tweede jaar. Daar moet men concluderen dat er geen chronologische volgorde wordt aangehouden. Maar normaliter geeft de Tora, volgens Ramban, de chronologische volgorde aan.

Een typisch voorbeeld van dit meningsverschil is te vinden in de volgorde van de Parsjiot Teroema, Tetsave en Ki Tisa. Op de pasoek: “Toen gaf G’d aan Mosje, toen Hij klaar was met hem te spreken op de berg Sinai, twee tafelen van getuigenis, Stenen Tafelen, geschreven met de vinger G’ds” (Exodus 31:18) geeft Rasji als commentaar dat de Tora geen tijdsvolgorde volgt. Het gouden kalf (hfst. 32) ging vooraf aan het bouwen van de Misjkan (hfst. 25). Want op de 17e Tammoez werden de Stenen Tafelen gebroken. Op Jom Kippoer daarna verzoende G’d zich weer met het Joodse volk. De dag daarna (11 Tisjri) stroomden de gaven voor de bouw van het Misjkan binnen. Het Misjkan werd pas op de eerste Nisan van het volgend jaar opgericht. 

Hoewel dus het debacle met het Gouden Kalf (hfst. 32) al in de vierde maand na de Uittocht plaatsvond, begon men de inzameling voor de bouw van het Tabernakel pas op de dag na Jom Kippoer in de zevende maand Tisjri, die in Exodus hfst. 25 wordt vermeld. Het Tabernakel was pas klaar op 1 Niesan, een half jaar later, bijna een jaar na de Uittocht uit Egypte. De inwijding van het nieuwe Misjkan wordt in Leviticus 9:1 vermeld. De Tora vermeldt de zonde van het Gouden Kalf pas na de opdracht voor de bouw van het Misjkan. Dit was de visie van Rasjie.

Ramban is het totaal niet eens met Rasji. Aan het begin van parasjat Vajakheel (35:1) legt hij zijn mening uit: “Het is mogelijk dat Mosje daags na zijn afdaling van de berg Sinai hen opdracht heeft gegeven om een Misjkan te bouwen, wat hem opgedragen werd voor het breken van de Stenen Tafelen. Later verzoende G’d Zich weer met het Joodse volk, gaf Hij Mosje Rabbenoe de tweede Stenen Tafelen en sloot Hij een nieuw verbond met hen dat Hij met hen zou verder gaan. Hij herstelde dus Zijn oorspronkelijke relatie met hen en vernieuwde als het ware de liefde van hun ‘huwelijk’. Nu was er nog een goede reden om Zijn Sjechina in hun midden te laten rusten, zoals Hij in eerste instantie al opgedragen had in 25:8: “Laat zij een Heiligdom voor Mij maken, dat Ik temidden van hen kan wonen”. 

Ramban legt de volgorde van de gebeurtenissen als volgt uit: G’d geeft opdracht om de Misjkan te bouwen (hfst. 25). Daarna zondigde het volk met het Gouden Kalf (hfst. 32). Daarna verzoent G’d Zich met het Joodse volk (33:14) en uiteindelijk volgt de opstelling van het Misjkan (hfst. 36) precies in de volgorde waarin ze in de Tora staan. De gebeurtenissen behoeven geen nieuwe tijdsinterpretatie.

Het verschil tussen Ramban en Rasji is niet alleen historisch maar ook filosofisch. Was de mitsva van het bouwen van het Misjkan een gevolg van de zonden van het Gouden Kalf of niet? Rasji meent dat het Misjkan de mogelijkheid van tesjoeva (inkeer) bood. Als er geen Gouden Kalf zou zijn geweest, zou er ook geen Misjkan zijn geweest.

Ramban is echter van mening dat het Misjkan geen verband houdt met de zonde van het Gouden Kalf. Het Misjkan was bedoeld om dicht bij G’d te komen. Het Misjkan maakte dat de Sjechina die op de berg Sinai rustte a.h.w. nu met het Joodse volk kon meereizen. Het Misjkan zou een draagbare berg Sinai worden. Het was bedoeld om continu G’ds aanwezigheid te voelen temidden van het Joodse volk, waar het ook zou gaan.

“In de tent van samenkomst, buiten het voorhangsel dat voor het Getuigenis is, zullen hem Aharon en zijn zonen in orde doen (aroch) zijn van de avond tot de ochtend voor Hasjeem” (27:21).

Rasji geeft als commentaar: “Geef hem zijn maat, opdat de Menora zal branden van de avond tot de ochtend (niet, dat het in orde brengen plaats vond tussen de avond en de ochtend). En onze Geleerden hebben het berekend op een halve log voor de nachten van Tevet, die lang zijn; en zo heeft men het ook gelaten voor alle nachten. Indien er in korte nachten wat zou overblijven hinderde dat niet”.

Het woord ‘aroch’ kan twee dingen betekenen. Het kan betekenen ‘in orde maken’ of ‘netjes opstellen’ zoals bij sjoelchan aroeg, gedekte tafel. Maar het kan ook ‘schatten’ betekenen, zoals bijvoorbeeld in Vajikra 27:14 staat: “De koheen zal de waarde ervan schatten of het goed is of slecht; zoals de koheen de waarde ervan schat zal het zijn”. Omdat het niet plausibel is dat Aharon en zijn zonen daar de hele nacht de Menora in orde maakten, kiest Rasji voor de woordbetekenis ‘schatten’.

“Spreek daarom tot allen, die wijs zijn van hart, tot hen die Ik vervuld heb van de geest van wijsheid, dat zij zullen maken de kleren van Aharon om hem te wijden, om Mij tot priester te zijn” (28:3).

Rasji stelt hier:”Om hem te heiligen, om hem namelijk in te leiden in het priesterschap door middel van de kleren, zodat hij Mij tot priester zal zijn. De uitdrukking kehoena betekent dienst”. Er zijn hier drie mogelijke vertalingen van het eind van de pasoek (zin): 1. Om hem te heiligen, om Mij te dienen.
2. Om hem te heiligen, om hem tot priester te maken voor Mij.
3. Om hem te heiligen, zodat hij een priester zal worden voor Mij.
De eerste vertaling heeft als probleem dat na ‘om mij te dienen’ een lijdend voorwerp (4e naamval) op zijn plaats was geweest en niet het Hebreeuwse ‘li’, voor Mij (3e naamval). Vertaling 2 is moeilijk omdat er het verbindende woord ‘en’ had moeten staan: ‘Om hem te heiligen en om hem tot priester te maken voor Mij’. Maar dat woordje ‘en’ ontbreekt. De derde verklaring is de beste. ‘Priester worden voor Mij’ is de invulling van ‘hem te heiligen’. In de derde vertaling zijn er geen problemen met de derde naamval in plaats van de vierde noch problemen met het ontbreken van het verbindende woord ‘en’. Het heiligen van Aharon bestond uit het aantrekken van de priesterkleren. `Voor zijn wijding als priester’ is de uitleg van ‘hem te heiligen’. Daarom staat er geen verbindend ‘en’. Heiligen betekent dus in dienst treden bij Hasjeem door het aantrekken van de priesterkleren.

“En jij zult leggen in het borstschild voor het recht Oeriem en Toemiem. Deze zullen zijn op het hart van Aharon, wanneer hij komen zal voor Hasjeem; zo zal Aharon dragen het recht van de kinderen Israëls op zijn hart voor Hasjeem altijd” (28:30).

Rasji legt uit dat de Oeriem en Toemiem perkament was ‘waarop de volledige naam van G’d geschreven stond’. Dit deed men tussen de vouwen van het borstschild, waardoor het borstschild zijn woorden verlichtte (duidelijk doet zijn. Oeriem komt van het woordje ‘or’, licht en zijn woorden volmaakt en daarom beslissend deed zijn. ‘Toemiem’ van het woordje ‘tamam’, ‘volmaakt zijn’) (Joma 73b). In de Tweede Tempel was het borstschild er wel want het was ongeoorloofd voor de koheen gadol om niet alle kleren aan te hebben. Maar de naam van G’d was er niet. Met het oog op dat geschrift met G’ds naam (waardoor het in staat was beslissingen te geven) wordt het misjpat, rechterlijke uitspraak, genoemd (waarmee zijn beslissingen gelijk stonden) want er is gezegd: “En hij zal hem vragen naar de rechterlijke uitspraak van de Oeriem” (Bemidbar 27:21).

Dit is een unieke verklaring van Rasji. Er zijn geen bronnen voor te vinden. Ramban is het eens met Rasji en stelt: “Daarom moest de borstplaat dubbel zijn, zodat de Oeriem en Toemiem in de vouw konden liggen”. Bij het werk van de kunstige handwerkslieden worden de Oeriem en Toemiem totaal niet vermeld. Bij de priesterkleding zegt de Tora: “En hij maakte het efod en hij maakte de borstplaat”(39:8). Er staat nergens dat hij de Oeriem en Toemiem maakte. Wanneer dit speciaal graveerwerk zou zijn geweest, zou de Tora daar in detail over hebben uitgewijd. 

Alleen bij de Oeriem en Toemiem staat er een bepalend lidwoord. Bij alle andere voorwerpen uit het Misjkan staat er een onbepaald lidwoord: “en zij zullen een Arke maken”(25:10); “en je moet een tafel maken”(25:23); “en je moet een kandelaar maken”(25:31). Bij de Tabernakel staat echter: “Je moet het Misjkan maken” (26:1) omdat het Misjkan al eerder vermeld wordt (25:8). Nu staat er bij de Oeriem en Toemiem: “Jij moet de Oeriem en de Toemiem in de borstplaat van de rechtspraak plaatsen”. Maar nergens staat eerder iets over deze Oeriem en Toemiem en toch worden ze vermeld met een bepalend lidwoord.

Mosje was de enige die ze in de borstplaat van de rechtspraak kon plaatsen. De Oeriem en Toemiem waren geen werk van andere experts. Daarom staat er ook op het moment van het maken dat alleen Mosje ze in de borstplaat plaatste. De Oeriem en Toemiem waren een geheim dat G’d aan Mosje had kenbaar gemaakt. Niemand anders kon ze maken. Ze waren dus van hemelse origine. Daarom wordt de fabricage ervan niet beschreven en worden ze wel beschreven met een bepalend lidwoord. Het was een heilige G’dsnaam. Door de kracht in die G’dsnaam lichtten de stenen op de borstplaat op voor de ogen van de Hogepriester, wanneer hij een uitspraak moest doen.

“En je zult maken aan zijn zoom granaatappels van purperblauwe en purperrode en karmozijnkleurige wol, aan zijn zoom rondom; en gouden bellen daartussen rondom. Telkens een gouden bel en een granaatappel, een gouden bel en een granaatappel, aan de zoom van het onderkleed rondom”(28:33-34).

Rasji legt dit uit: “Rond en hol waren zij als een soort granaatappels die de vorm hebben van een ei van een kip”. En de gouden belletjes legt Rasji uit als: “Bellen met klepels, die erin behoorden”. “Daartussen rondom”, zegt Rasji: tussen twee granaatappels was één bel vastgehecht. Deze hing aan de zoom van het onderkleed: een gouden bel en een granaatappel en daarnaast een gouden bel en een granaatappel.

Rasji legt in eerste instantie uit dat er klepels in de belletjes zaten. In zijn tweede verklaring geeft hij aan dat de belletjes tussen de granaatvormige appels hingen aan de onderzoom van de onderjurk. Het derde commentaar versterkt het tweede commentaar en stelt dat de belletjes en granaatappels elkaar afwisselden. Men had namelijk kunnen denken dat de belletjes binnen de granaatappels waren. Dat zou kloppen met een eerdere verklaring van Rasji (28:33) waarin hij stelt dat de granaatappels hol waren. 

In zin 28: 33 staan de woordjes ‘in hen’, hetgeen inderdaad opgevat kan worden als: ‘de belletjes in de granaatappels’. Daarom zegt Rasji heel duidelijk dat het betekent: belletjes tussen de granaatappels en niet in de granaatappels. Aan de onderkant van het me’iel zaten dus opeenvolgend granaatappels en belletjes. Als de belletjes aan de granaatappels hingen zouden ze niet aan het kleed hebben gehangen. De Tora-tekst zelf geeft aan dat de belletjes wel aan het kleed hingen. Dus de belletjes kunnen nooit in de granaatappels hebben gehangen. 

Ramban is het niet met Rasji eens. Ramban stelt dat de belletjes inderdaad in de granaatappels van wol opgenomen waren. Daarzonder zouden de granaatappels geen doel dienen, aldus Ramban. Als de granaatappels alleen maar ter sier waren, hadden ze net zo goed in de vorm van gouden appels kunnen zijn en niet in de vorm van holle granaatappels. Bovendien wordt in de Tora niet uitgelegd of er haakjes gemaakt moesten worden waaraan de belletjes zouden hangen. Daarom is het plausibel dat zij in de granaatappels zelf hingen. Volgens Ramban geven de woorden in Sjemot 39:25 aan dat de belletjes werkelijk in de granaatappels hingen. In 39:24 wordt alleen verteld dat de granaatappels aan de rok hingen. In zin 39:25 wordt gesproken van de belletjes, maar wordt niet verteld dat ze direct aan de jurk hingen. Er wordt alleen gesteld dat ze in de granaatappels waren, die zelf weer hingen aan de jurk. Ook in 39:26 wordt gesuggereerd dat de bellen en granaatappels één geheel waren. Maar Rasji brengt zijn bewijs uit zin 28:35. Daar staat dat het geluid van de belletjes gehoord moet worden wanneer hij in het Heilige komt. Wanneer de belletjes niet omgeven zijn door wollen granaat- appels zullen ze zeker beter gehoord kunnen worden.

(Gebaseerd op Rasji-verklaringen van Rav A. Bonchek)

Reacties zijn gesloten.