Afgelopen zondag was opperrabbij
n Israel Meir Lau de hoofdspreker bij de Jewish Identity Day.
Voor een overvolle zaal in het Joods Cultureel Centrum in Amsterdam hield de voormalige opperrabbijn van Israel en huidig opperrabbijn van Tel Aviv een gloedvol betoog over de verbondenheid van het Joodse volk met het Joodse land, en het verlangen naar een eigen staat dat in 1948 werd gematerialiseerd. Nadien vertelde hij over de parsja van deze week, Jitro, de volgende dewar Tora, die wij trachten hier zo goed mogelijk verwoorden. Op blz. 2 [v.a. ‘Hierop sprak …’] de verklaringen van rabbijn Evers.
“Toen Jitro hoorde …” Zo begint deze week de parsja. De Talmoed stelt de vraag wat Jitro hoorde. Jitro hoorde van twee gebeurtenissen. Maar over welke twee gebeurtenissen gaat het hier?
De Gemara antwoordt: dit zijn de kerijat jam soef – het splijten van de zee waardoor het Joodse volk, op de vlucht voor de Egyptenaren, werden gered – en de strijd die het Joodse volk voerde met Amalek. Beide gebeurtenissen werden in de vorige parsja beschreven en staan ons dus nog vers in het geheugen wanneer we de openingszin van deze parsja lezen.
Nadat Jitro van deze twee gebeurtenissen heeft gehoord, stuurt hij een boodschap naar Mosjé Rabbenoe: ”Ik kom naar jou toe in de woestijn; ik verlaat mijn woning in Midjan, mijn positie als priester daar, om mij bij jou, mijn schoonzoon te voegen”. En Jitro gaat, samen met de rest van zijn familie, over tot het Jodendom.
Opperrabbijn Lau vertelde in dit verband over de volgende gebeurtenis die jaren geleden plaats vond juist in de week dat parsja Jitro werd gelezen:
Toen rabbi Aryeh Levin – een grote Joodse geleerde uit Jeruzalem – ziek was, kwam het hoofd van het Zuidelijke Commando van de Israëlische strijdkrachten aan zijn ziekbed. Dit was Ariel Sharon, die later premier van Israël zou worden. Rabbi Levins ziekbed zou uiteindelijk het sterfbed worden van de grote geleerde. Het was nog voordat Sharon in de Jom Kippoeroorlog met zijn troepen het Suezkanaal zou oversteken en op 100 kilometer zou staan van Cairo als Henri Kissinger, de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, de Israëlische troepen er van zou weerhouden door te stoten naar de Egyptische hoofdstad.
“Arik, waarom wachtte Jitro tot de tweede gebeurtenis”, vroeg rav Levin aan Sharon. “Waarom besloot Jitro niet al na de doortocht door de Rietzee, zich bij het Joodse volk aan te sluiten? We zien dat de omringende volkeren nog veertig jaar na de gebeurtenis bij de zee bevreesd zijn voor het Joodse volk vanwege de G-d die achter hen staat. Voor hen was dit overduidelijk na de wonderbaarlijke redding die Hij daar heeft verricht. Waarom, als de omringende volkeren zo’n ontzag voor G-d hadden, wachtte Jitro nog tot na de strijd tegen Amalek om zich dan bij Mosje te voegen?”
Rabbi Levin antwoordde: “Bij de kerijat jam soef deed het Joodse volk niets. ‘Beweeg niet’, zei Mosje, ‘je zult zien hoe G-d de strijd aangaat, wa’atem tacharisjoen, en jullie zullen zwijgen.’ Hieruit begreep Jitro dat hij G-d in Midjan kon blijven dienen. Er was geen reden om zich bij de Joden in de woestijn te voegen. G-d deed wonderen en het Joodse volk bleef volledig passief, deed niets”.
“Maar na de strijd tegen Amalek lag het anders. Daarin zag Jitro de kracht van het Joodse volk. In de oorlog tegen Amalek zien we een volk dat net honderden jaren van slavernij achter de rug heeft. Een volk dat bereid is te vechten voor haar bestaan en niet alleen hoopt op wonderen. ‘Bij zo’n volk wil ik horen’, zegt Jitro en hij sluit zich aan bij Mosje en het Joodse volk. Wat toen is gebeurd, zal opnieuw gebeuren”, zei rabbi Levin tegen Arik Sharon. En in zekere zin is het ook zo uitgekomen, legde rav Lau uit: Sharon heeft gestreden en is door het water getrokken. In zijn geval streed hij met de Egyptenaren, en stak hij met zijn manschappen het Suezkanaal over.
Mosje Rabbenoe laat zien dat hij niet afwacht en vraagt wat er zal gaan gebeuren. Nee! Hij stelt zich de vraag: “Wat is er te doen?” Zelfs na de slavernij in Egypte beschikt het Joodse volk over de kracht om te overleven en weer op te bouwen.
“Kijk naar het Jodendom in Europa”, zei rav Lau. “Kijk wat er sinds de Shoa allemaal weer is opgebouwd. Ik realiseer me dat ik bij de Europese Rabbijnenconferentie was in 1980, met dertig, misschien veertig rabbijnen. En zie hoe wij er vandaag voor staan. Kijk naar alles dat zich sindsdien in Rusland heeft afgespeeld, het is een wonder. Ik ben een paar jaar geleden in Zhitomir geweest, in Rusland. De Joodse kinderen van Zhitomir gaven mij een oorkonde. Daarop stond van ieder kind wat het beloofde te gaan doen op het gebied van hun Jodendom, de een ging een keppel dragen, de ander tsietsiet. Ik bewaar deze rol in mijn bibliotheek, vlakbij de Torarol uit Polen (rav Lau kwam als Pools-Joods weeskind uit de oorlog). Deze rol is een heilig voorwerp voor mij dat ik bewaar in mijn bibliotheek. Het toont aan hoe krachtig het Joodse volk is, ook na decennia van verdrukking van het geloof, na jaren van vervolging en van vernietiging.”
Hierop sprak G’d al deze woorden om te zeggen (Sjemot 20:1). Volgens de Midrasjverzameling Mechilta sprak G’d alle Tien Geboden ineens uit. Daarna specificeerde Hij ze. Waarom was dit nodig? Om duidelijk te maken, dat het Jodendom een totaalpakket vormt. We hebben niet het recht om naar believen van de ‘Jodendomsschaal’ te pakken. Wat betekent om te zeggen? Het Joodse volk antwoordde op de geboden ‘ja’ en op de verboden ‘nee’. Volgens een tweede lezing in de Mechilta zei men ook op de verboden ‘ja’. G’d sloot een verbond met Klal Jisra’eel. Hoe verheven men zich ook voelde toch moest er ook iets uitgaan van het volk. Louter passieve aanvaarding was te weinig. De opwekking van Boven moest beantwoord worden met een respons van beneden.
Volgens de tweede lezing werd ook op de verboden positief met ‘ja’ geantwoord. Hoe gaan wij om met het negatieve in de wereld? Als het ons aan iets ontbreekt beweegt dat ons om iets te gaan doen. Als we spiritueel willen stijgen, moeten wij het negatieve, dat wij ervaren, niet als straf zien maar als stimulans om steeds verder richting G’d te groeien en proberen aan Hem gelijk te worden. G’d is de toestand van opperste volmaaktheid. De wereld werd geschapen om de mens “het genot de lieflijkheid van G’d te mogen aanvaarden” te schenken. Dit geldt voor de gemeenschap maar ook voor het individu. “Ik ben HaSjeem, uw G’d, die u uitgevoerd heeft” (20:2). Waarom staat er uw G’d in het enkelvoud? De Midrasj stelt, dat G’d iedereen recht in de ogen keek en aansprak op zijn G’ddelijke ziel. Dit geeft de mens waardigheid, hoop en verantwoordelijkheid. Iedereen wordt geacht te zeggen: “Voor mij werden de Tien Uitspraken gegeven en ik ben verplicht ze te vervullen”. Dit is geen hoogmoed. Het is onze morele roeping en vervulling! Is dit nu een gebod of een groeiproces?
Volgens Rabbi Chasdai Crescas (1340-1410) “is het verkeerd om het geloof als een gebod op te vatten. Het woord mitsva kan per definitie alleen maar slaan op zaken, die men vrijwillig kan kiezen. Geloof wordt echter niet door de vrije wil beheerst. Wellicht betekent het eerste ‘gebod’, dat G’d Zijn claim op het Joodse volk verklaart: “De Exodus vormt voldoende reden voor jullie onderwerping aan Mij”. Het kan ook zijn, dat G’d in de eerste Uitspraak iets van Zijn ware Wezen toont: “Omdat Ik af en toe verander van gestalte, moeten jullie niet denken, dat er twee machten zijn. Ik ben het, die als een iesj milchama – een oorlogsheld verschenen ben bij de Rietzee en Ik ben dezelfde, die op de berg Sinaï als een wijs geleerde zal verschijnen”. Toch ben Ik dezelfde. G’ds verschijningsvormen kunnen verschillen, Zijn Wezen blijft onveranderd. Men kan het vergelijken met een wit licht. Kijkt men er door met een rode of groene bril, dan lijkt het licht een andere kleur te hebben. Maar het licht is hetzelfde.
De Tien Geboden stonden op twee tafelen beschreven. De eerste vijf tussen mens en G’d stonden tegenover de laatste vijf tussen mens en medemens, aldus Rabbi Chanina ben Gamliël. Het grijpt allemaal in elkaar:“Ik ben HaSjeem” stond tegenover “Gij zult niet doden” omdat een moordenaar de G’ddelijke aanwezigheid in de mens vermindert en reduceert. “Gij zult geen andere goden voor Mijn Aangezicht hebben” stond tegenover “Gij zult geen overspel plegen” omdat ontucht en afgoderij in verschillende contexten dezelfde betekenis hebben: ontrouw. “Gij zult de naam van HaSjeem niet ijdel uitspreken stond tegenover “Gij zult niet stelen” omdat een dief, wanneer hij gepakt wordt, uiteindelijk vals zal zweren. “Gedenk de Sjabbat” stond tegenover “Gij zult niet als valse getuige optreden” omdat G’d zegt: “Als u vals tegen uw medeburger getuigt, reken Ik het u aan alsof u getuigd hebt, dat Ik de wereld niet in zes dagen geschapen heb en niet gerust heb op de zevende dag. “Gij zult niet begeren de vrouw van uw naaste” stond tegenover “Eer uw vader en uw moeder” omdat misplaatste begeerte ertoe kan leiden, dat men een man eert, die niet zijn vader is.
Jitro, de koheen van Midjan en de schoonvader van Mosje, hoorde alles wat G’d had gedaan voor Mosje en Israël zijn volk, dat hij het Joodse volk had uitgevoerd uit Egypte (18:1).
[Zie ook de woorden van rav Lau aan het begin van deze parasja-verklaring] In de Talmoed worden op de vraag waarom Jitro kwam om zich te bekeren, drie meningen gegeven.
Rabbi Jehosjoe’a zegt dat Jitro hoorde over de oorlog met Amalek. Rabbi Elazar Hamodai zei dat hij hoorde van het geven van de Tora en Rabbi Eliezer zei dat Jitro hoorde over het splitsen van de Jam Soef. Rasjie bespreekt niet de mening van Rabbi Elazar Hamodai omdat Jitro, als hij gehoord had van het geven van de Tora, pas na Matan Tora had kunnen komen. Dat is inderdaad een meningsverschil in de Talmoed, of Jitro voor of na de Matan Tora is gekomen, maar Rasjie laat zich hier niet over uit.
Volgens de mening dat Jitro vóór Matan Tora gekomen was, kan er geen sprake zijn van gioer omdat voor Matan Tora er nog helemaal geen sprake was van gioer (overgaan tot het Jodendom). Jitro kwam met name naar aanleiding van hetgeen hij hoorde over de rol van Mosje bij de uittocht uit Egypte en de oorlog met Amalek. Hij was de schoonvader van Mosje. Rasjie vraagt naar de aanleiding waarom Jitro zijn schoonzoon opzocht. Hij moest een lange reis ondernemen met Tsippora, Gersjom en Eliezer, de zoons van Mosje. Wat motiveerde Jitro om te komen? Het antwoord: Keriat Jam Soef en Amalek, die direct voorafgaan aan parsjat Jitro.
Waarom Jitro hier (18:1) zowel een koheen van Midjan wordt genoemd, als de schoonvader van Mosje, heeft te maken met natuurlijke en bovennatuurlijke wonderen, die het Joodse volk toen begeleidden. De bovennatuurlijke wonderen kon hij ook als priester van Midjan, als afgodendienaar waarnemen. Iedereen is in staat om bovennatuurlijke wonderen te zien, maar de wonderen die verweven zijn in de natuur, zoals de overwinning op Amalek, was iets waarvoor men dieper inzicht nodig heeft. De oorlog met Amalek leek een normale oorlog. Maar het was in feite een wonder dat in de natuur besloten lag. Alleen een schoonvader van Mosje was in staat om ook dat wonder te zien. Beide eigenschappen verenigden zich in Jitro.
Daarom kwam hij om zich te bekeren en het afgodische uit zijn persoonlijkheid te verwijderen.
