Parsja Bo

BO (kom) De hovelingen van Farao zijn wanhopig. Toch blijft Farao weigerachtig. Wel wil Farao de mannen laten gaan, maar dat weigert Mosjé. Daarna overvallen sprinkhanen het land. Wat er nog over was van veldgewas en bomen vreten de sprinkhanen aan. Desondanks volhardt Farao in zijn weigering. Dan daalt een tastbare duisternis over het land maar ook dat verandert Farao’s houding niet. Dan volgt een uitgebreide instructie over het Pesachoffer (waarvan het bloed aan de deuren gesmeerd moet worden) en het wegruimen van het gezuurde (chameets). Tenslotte sterven alle eerstgeborenen van Egypte van zowel mens als dier. Na deze verschrikkelijke gebeurtenis dringt Farao er bij Mosjé en Aharon op aan ogenblikkelijk te vertrekken. Hierna volgen de geboden van Tefillien en het lossen van mens en dier. Koheen, 10:1-11. G’d waarschuwt Farao voor de sprinkhanen. Levie, 10:12-23. Sprinkhanen overvallen Egypte. Farao geeft toe dat hij gezondigd heeft en verzoekt Mosje en Aharon te dawwenen dat de plaag verdwijnt. Een omgekeerde wind voert de sprinkhanen weg.

“En G’d zei tot Mosjé: ‘Kom tot Farao want ik heb zijn hart versteend en het hart van zijn dienaren om deze tekenen van Mij in zijn midden te plaatsen’” (Sjemot 10:1). Rasjie legt hier uit dat Mosjé naar Farao moest gaan om hem te waarschuwen. Waarom moet dit worden uitgelegd? Omdat bij de andere plagen Mosjé de opdracht krijgt: “Ga naar Farao en zeg tegen hem etc.”. Een dergelijke inhoudelijke mededeling wordt hier niet gedaan. Bovendien staat hier: “omdat ik het hart van Farao versteend heb”. De bedoeling is dan: “ga naar Farao want ik heb zijn hart versteend”. Dit lijkt bijna tegenstrijdig. Het doel van Mosjé’s bezoek aan Farao was om hem te waarschuwen voor de volgende plaag, maar Mosjé vroeg zich af waarom dat nodig was. Farao had al zeven plagen achter de kiezen. Niets maakte indruk op hem. Waarom zou men Farao nog een keer bezoeken? G’ds antwoord luidde dat Farao niet kon toegeven omdat Hij zijn hart versteend had. Niettemin draagt G’d Mosjé wederom op om hem te waarschuwen voor een volgende plaag. Dit staat ook iets verder (in 10:4): “want als jij weigert Mijn volk weg te sturen dan zal Ik morgen sprinkhanen in jouw gebied brengen”. Alleen zo kon G’ds almacht getoond worden.

De negende plaag was duisternis. De Tora vertelt dat gedurende deze makka ‘geen Egyptenaar zijn naaste kon zien en niet kon opstaan van zijn plaats voor drie dagen. Maar voor alle kinderen van Israël was er licht in hun woningen’ (10:23). G’d schiep een tastbare duisternis waarin de Joden konden zien maar de Egyptenaren niet. Waarom was het noodzakelijk om zo’n wonderlijke duisternis te creëren? Het zou toch simpeler zijn geweest om de Egyptenaren tijdelijk het gezichtsvermogen te ontnemen? Dat zou hetzelfde resultaat hebben opgeleverd.

Chatam Sofeer (1762-1839) legt uit dat G’d de Egyptenaren niet blind wilde maken, omdat het natuurlijke gevolg van blindheid een verhoogde gevoeligheid van de andere zintuigen met zich meebrengt. Door ervoor te zorgen dat zij door externe omstandigheden niet konden zien, werd ze die extra gevoeligheid van de andere zintuigen ontnomen. Zij konden niet zien maar waren ook niet in staat om extra gebruik te maken van hun andere zintuigen. Rabbi Elijahoe Dessler (1891-1954) legt ons uit dat wij dezelfde methode moeten gebruiken om G’d te dienen. In eerste instantie moeten we onze sterke punten leren herkennen en ons daarop concentreren. Het ontwikkelen van onze sterke kanten heeft een effect ook op andere levensgebieden, waarin we juist niet zo sterk zijn. Wanneer we zeker zijn in onze sterke kanten zal ons dat succesvoller maken, ook op de gebieden waarop wij zwakker zijn. Net zoals een blind mens zijn energie richt op de zintuigen die hij wel kan gebruiken en daardoor meer kans van slagen heeft, moeten wij onze sterke karaktereigenschappen ontwikkelen. Wanneer wij van nature geneigd zijn tot liefdadigheid en gebed, moeten wij ons daarop richten, in plaats van al onze energie te focussen op onze zwakke punten. Dit advies in de wind slaan is gelijk aan de vloek van de Egyptenaren: verspillen van tijd door het onmogelijke proberen te bereiken. Daardoor verliezen we belangrijke energie en verdelen wij onze krachten verkeerd. Vaak gaat hierdoor veel potentieel verloren.

3e alija, 10:24-11:3. Farao stelt Mosje voor de dieren achter te laten. Mosje benadrukt dat allen zullen vertrekken.

“Spreek alsjeblieft (‘’na’’) tot het volk en laat ieder van zijn vriend en vriendin zilveren en gouden voorwerpen lenen” (11:2). Het Hebreeuwse woord “na”, dat we vertalen als “alsjeblieft”, geeft de zin de volgende betekenis: “Ik vraag je Mosjé, geef de Joden alsjeblieft opdracht om zilveren en gouden voorwerpen te lenen zodat de rechtvaardige Avraham niet zal zeggen : ‘Hij heeft de belofte dat “zij hen tot slaven zullen maken en hen zullen pijnigen” vervuld, maar de belofte “en daarna zullen zij vrijuit gaan met grote rijkdom” heeft Hij niet aan hen vervuld’.” Soms betekent het Hebreeuwse woordje “na”: “nu”. Soms betekent het “ongekookt”, maar hier betekent het “alsjeblieft”. De centrale vraag hier luidt waarom G’d er bij Mosjé “alsjeblieft” op moest aandringen om herstelbetalingen van de Egyptenaren te vragen. Ongetwijfeld zouden de Joden dat graag uit zichzelf vragen. “Alsjeblieft” lijkt hier niet erg op zijn plaats. In de Talmoed (B.T. Berachot 9a) staat dat de Joodse slaven zo spoedig mogelijk wilden vertrekken, ook zonder cadeau’s en geschenken. De Talmoed vergelijkt het met een gedetineerde in de gevangenis. Als men hem vertelt “we laten je morgen vrij en je krijgt veel geld” antwoordt hij dat hij nu meteen vrij gelaten wil worden en het geld niet nodig heeft. De Joden in Egypte zouden op dezelfde wijze hebben gereageerd; aan geld hadden zij geen behoefte, als ze maar vrijgelaten zouden worden. Voor hen hoefde het niet. Dáárom moesten de Joden overgehaald worden om het geld wel aan te nemen. Uit zichzelf hadden ze dit niet geëist. G’d wilde echter Zijn belofte aan Avraham vervullen. Daarom vroeg Hij de Joden “Alsjeblieft: Jullie hebben er misschien geen behoefte aan maar Ik moet Mijn belofte aan Avraham vervullen”.

4e alija, 11:4-12:20. Mosje kondigt aan dat alle eerstgeborenen zullen sterven. Farao zal blijven weigeren.

“En dan zal elke eerstgeborene van het land Egypte sterven, van de bechor van Farao die op zijn stoel zou zitten tot de eerstgeborene van een slavin die achter de handmolen zit en alle eerstgeborenen van het vee” (11:5). Rasjie legt uit waarom de eerstgeborenen van de gevangenen ook stierven terwijl zij de Joden nooit tot slaaf hadden gemaakt: Opdat zij niet zouden zeggen dat hun god hun vernedering had gewroken en de Egyptenaren strafte. Aan het einde van de tiende plaag staat inderdaad dat ook de eerstgeborenen van de gevangenen stierven. Een kind van een gevangene staat in de sociale hiërarchie lager dan het kind van een dienstmeisje. In de pasoek (11:5) wordt gezegd dat elke eerstgeborene in het land Egypte zal sterven. Niet alleen de eerstgeborenen van de autochtonen maar ook de eerstgeborenen van de allochtonen zouden sterven. Waarschijnlijk was dit niet belangrijk in de ogen van Farao. Hij maakte zich wellicht alleen zorgen om zijn eigen burgers. In feite viel de gevangene buiten de oorspronkelijke waarschuwing. Toch blijkt uit 12:29 dat ook de eerstgeborene in de gevangenis stierf. Dit vereist uitleg. Rasjie geeft die uitleg door te stellen dat op die manier niet gezegd kon worden dat zijn god hem gered had om zijn vernederingen te wreken.

“Deze maand zal bij jullie zijn het begin van de maanden, de eerste zal zij zijn voor jullie van de maanden van het jaar” (12:2). Rasjie geeft twee verklaringen: G’d toonde Mosjé de maan in haar vernieuwde staat en zei tegen hem: “wanneer de maan zich vernieuwt zal dit het begin zijn van de maand voor jullie”. De pasoek verliest echter niet zijn eenvoudige verklaring. G’d sprak in feite tegen Mosjé over de maand Nisan: deze maand zal het begin van de nieuwe volgorde van de maanden zijn zodat Ijar de tweede en Sivan de derde maand zal heten.
De pasoek herhaalt zichzelf. Volgens Rasjie (in eerste instantie) laat G’d hem eerst de methode van het bepalen van de nieuwe maan zien op grond waarvan hij een nieuwe maand moet uitroepen. Daarna vertelt G’d aan Mosjé dat het sikkeltje de eerste maand en het nieuwe kalenderjaar betekent. Maar Rasjie heeft verschillende problemen met zijn eerste verklaring. Normaliter betekent “chodesj” in Tenach “maand” en niet “nieuwe maan”. Bovendien staat er “deze nieuwe maan is het hoofd van de maanden” (meervoud terwijl enkelvoud beter op zijn plaats zou zijn). Vandaar dat Rasjie eigenlijk voorkeur geeft aan de eenvoudige verklaring (hoewel het wel dubbel overkomt).

5e alija, 12:21-28. De uittocht moet herinnerd worden met vragen en antwoorden. 6e alija, 12:29-51. Na de dood van de eerstgeborenen overladen de Egyptenaren de Joden met cadeaus en verdrijven ze. Het deeg heeft geen tijd om te rijzen. Het Korban (=offer) Pesach wordt besproken. 7e alija, 13:1-16. De eerstgeborenen moeten gelost worden van mensen, dieren en ezels. Tefilien moeten op de arm en het voorhoofd gedragen worden.

Na de tiende plaag krijgen de Bnee Jisra’eel hun eerste nationale mitsva (12:2). Het klassieke Rosj Hasjana, dat begint met de schepping van Adam en Eva, valt op de eerste Tisjri. Nisan is de maand van de Joodse bevrijding. Het is het beginpunt van alle Joodse feestdagen omdat het (nog steeds) het beginpunt vormt van de ontwikkeling van de joodse spirit. Hoe belangrijk de plagen, onze bevrijding en uittocht uit Egypte ook waren, uiteindelijk zijn dit allemaal voorbereidende stadia voor de essentie: Matan Tora, het aanvaarden van de Tora op de berg Sinai. Als het echte begin van het Joods nationaal bestaan pas bij de berg Sinai begon in de derde maand, dan is moeilijk te begrijpen waarom Siwan niet de eerste maand op de Joodse kalender is. Uiteindelijk ging het daarom. De essentie van het Joodse leven, de Tora, zou centraal moeten staan als startpunt van de nieuwe kalender.

Rabbi Mosje Feinstein (1895-1986) beantwoordt onze vraag. Wil de Tora enige betekenis voor ons hebben, dan moeten wij de Tora op waardige wijze ontvangen. De acceptatie van de Tora moet levensvatbaar zijn. Dat de Tora een centrale rol zou spelen in ons leven is afhankelijk van al die stadia van geestelijke voorbereidingen die de Joden maakten voordat zij aan de voet van de berg Sinai arriveerden. Ons gevoel voor recht en waarheid, geloof en gerechtigheid moest ontwikkeld worden. Onze positieve karaktereigenschappen moesten gaan overheersen, onze negatieve persoonlijkheidstrekjes moesten geminimaliseerd worden. Dit zelfreinigende proces begon met de uittocht en duurde 49 dagen.

Daarom begint het tellen van de maanden vanaf Nisan, toen dit spirituele proces begon. Alleen na deze voorbereidende stadia zou de ontvangst van de Tora in Sivan mogelijk zijn. Volgens Rabbi Mosje Feinstein zien we uit deze Tora-keuze dat ouders een geweldige verantwoordelijkheid hebben bij het opvoeden van hun kinderen. Een zuiver karakter en een oprecht geloof zijn de voorwaarden voor bezig zijn met de Tora. Tora-leren is niet alleen een intellectuele bezigheid. Een immense en intense voorbereiding is nodig, wil de Tora onze levensgids worden om ons bewustzijn van het G’ddelijke in de wereld te doordringen. Dat is onze uitdaging vandaag de dag.

“En je zult je zoon op die dag vertellen als volgt: ‘vanwege dit (ze)heeft G’d mij gedaan toen ik uittrok uit Egypte’” (13:8). Rasjie zegt dat men Zijn geboden zal uitvoeren zoals het Pesachoffer, het eten van matza en bittere kruiden. “Ze” betekent altijd iets aanwijsbaars. Pesachoffer, matza en bitter kruid (maror) zijn duidelijk aantoonbaar. Het Hebreeuwse woord “ba’avoer” wijst op het doel van de uittocht uit Egypte. Het verklaart niet de oorzaak van de ge- en verboden. Om deze mitsvot die voor ons liggen te kunnen doen zijn wij uitgetrokken uit Egypte. Uiteraard gaat het niet alleen om de mitsvot van de seideravond, er is meer in het Jodendom. G’d heeft ons uitgevoerd opdat wij alle ge- en verboden in de Tora zouden doen. Op de seideravond (dat is de betekenis van “op die dag”) gaat het natuurlijk om de specifieke seider-mitsvot, maar in feite vond de uittocht plaats opdat wij alle mitsvot uit de Tora zouden aanvaarden. Ramban echter verklaart: “wij doen al deze mitsvot vanwege alles wat G’d voor ons gedaan heeft toen Hij ons uitvoerde uit Egypte”. Volgens Ramban herinneren een aantal mitsvot ons aan historische gebeurtenissen. Volgens Rasjie is het uitvoeren van de mitsvot het doel van alles in ons leven, inclusief de Exodus.

Reacties zijn gesloten.