Parsja Wa’era

WA’ERA (en Ik verscheen). G’d zegt tot Mosjé dat hij het klagen van het volk heeft gehoord en dat hij de Joden moet vertellen dat G’d ze uit Egypte zal voeren, maar ze luisteren niet. Dan beveelt G’d Mosjé naar Farao te gaan en hem te vragen het Joodse volk vrij te laten. Na een geslachtsregister draagt G’d Mosjé weer op naar Farao te gaan, waar Aharon zijn woordvoerder zal zijn. Als ze bij Farao komen, werpt Aharon zijn staf op de grond, waar deze een slang wordt. Echter, de tovenaars van Farao doen hetzelfde. Farao weigert op het verzoek van Mosjé en Aharon in te gaan. Dan strekt Aharon zijn staf over de Nijl uit en al het water verandert in bloed. Desondanks weigert Farao de Joden te laten vertrekken, waarna de plaag van de kikkers volgt.

Echter, ook de tovenaars van Farao kunnen kikkers over het land laten komen. Na het verdwijnen van de kikkers slaat Aharon het zand, waarop luizen het land overwoekerden. Zelfs dat konden de tovenaars ook, maar het ongedierte verdrijven niet. Farao wil nog niet naar Mosjé luisteren. Dan ontstaat de plaag van wilde dieren, die het land Gosjen niet bezoekt. Farao staat dan de Joden toe te offeren maar daartoe mogen ze niet Egypte verlaten.Mosjé wil drie dagreizen ver gaan, maar dat staat Farao niet toe. Afwisselend verhardt G’d het hart van Farao of de koning zelf verhardt zich. Daarna volgt de veepest, maar van het vee van de Joden sterft er niet één. Mosjé en Aharon krijgen de opdracht handenvol ovenroet in de lucht te werpen; de stofwolk die dit veroorzaakt brengt huidontsteking te weeg bij mens en dier. Maar nog luistert Farao niet. Dan daalt een zeer zware hagel uit de hemel neer en al wat in het veld is sterft; ook het gewas is verwoest.

Koheen, 6:2-13. G’d besluit Am Jisraeël te verlossen.

”Toen sprak Mosje tot de Bnee Jisra’eel maar zij luisterden niet naar Mosje uit ongeduld en vanwege de harde slavernij “(6:9).
Sommige Joden luisterden later wel naar Mosje en Aharon maar zeer velen ook niet (helaas). De meesten bleven waar ze waren. Bij de Uittocht was het mogelijk om te kiezen om mee te gaan of niet. Tegenwoordig kan dit niet meer. Men blijft altijd Joods. De Talmoed (Sanhedrien 44a) stelt dat hoewel iemand gezondigd kan hebben, hij nog steeds Joods blijft. Ondanks alles behoudt iedere Jood zijn Jiddisje nesjomme. Deze nieuwe hechting van na Matan Tora – de acceptatie van de Tora bij de berg Sinai – wordt aangeduid in de Hagada in de inleiding op de passage van de vier kinderen, waar staat “èchad chagam we’èchad rasja”. Het woord ‘èchad’ betekent ‘één’, en geeft aan dat in iedereen, van de eenvoudigste tot de meest wijze, het gevoel van de Eenheid van G’d aanwezig is. Een bekend voorschrift wil dat zodra er één van de 600.000 letters in de Tora ontbreekt, de Tora niet meer gebruikt mag worden om daaruit voor te lezen. Hetzelfde geldt voor de zeshonderdduizend leden van het Joodse volk. Wanneer er maar één ontbreekt, is het Joodse volk gebrekkig. Daarom moeten wij ook bij het Seiderverhaal de rasja betrekken. Zou hij niet bij de viering van de uittocht betrokken zijn, dan zou er iets missen aan de eenheid van het Joodse volk. Eigenlijk is het zo, dat wij bij het Seiderverhaal ons in hoofdzaak richten tot de rasja, omdat juist hij buiten de boot dreigt te vallen.
Dit verklaart ook, dat de rasja naast de chagam staat, want alleen de chagam kan de rasja van zijn desinteresse afhelpen. Juist de uiterst goede is in staat het extreem slechte te helen en te helpen.

Voorgaande geldt ook intra psychisch. Want iedere chagam draagt een rasja in zich. De Talmoed verklaart, dat iedereen die groter is dan zijn naaste, ook meer neigt tot het ‘slechte’. Daarom staan ook alle volgende zonen met zo’n verbindende waw (èn) “èchad chagam we’èchad rasja” in relatie tot de chagam. Want juist de chagam is in staat alle volgende categorieën Joden te helpen, door zijn kennis en leiding. Hierdoor kunnen alle Joden een eenheid vormen, die nodig is voor het vervolg op de Uittocht uit Egypte, het ontvangen van de Tora.

Maar wat bedoelt de Hagada dan met de uitspraak dat indien deze rasja in Egypte was, hij niet bevrijd zou zijn? Wij willen hem hiermee niet de toegang tot het Jodendom ontzeggen. Integendeel! Deze uitspraak gold alleen vóór het geven van de Tora op de berg Sinaï. Na de Tora wetgeving, toen G’d Zelf aan iedere Jood zei: ‘Ik ben jullie G’d’ is het idee ontstaan dat iedereen voor eeuwig onlosmakelijk verbonden is met het grotere geheel van het Joodse volk.
Dit legt ook uit, waarom het belangrijkste deel van de Seider zich richt op de tweede zoon, de rasja. En over de vijfde zoon, die niets van het Jodendom weet en zich op geen enkele wijze verbonden voelt met onze voorouders, Awraham, Jitschak of Ja’akov, spreken we bij het stukje van “oorspronkelijk waren onze voorouders afgodendienaren”. Nog voor het begin van het Joodse volk was er toch al een oorsprong te vinden, en daar kan iedereen zich mee verbonden voelen.

Pas na de bespreking van de positie van de rasja en de vijfde zoon, is het zinnig om verder te gaan praten over de uittocht uit Egypte. Het doel van de voor Seider, het vertellen over de uittocht, is om de weg te bereiden voor de komst van de Masjieach. En die kan pas komen nadat alle Joden zich verenigd hebben.

Levi 6:14-28. De geslachtenregisters van Re’oeween, Simon en Levi. 3e Alija, 6: 29-7:7. Aharon zal het woord voeren. 4e Alija, 7:8-8:6. De 1e plaag is bloed, de 2e kikvorsen.

“Ga in de morgen tot Pharao” (7:15). Egypte werd gedurende één jaar door de plagen bezocht. Op verschillende wijzen kan men een systematiek ontwaren in de tien plagen. Rabbiner S.R. Hirsch (19e eeuw, Duitsland) onderscheidt de plagen naar drie categorieën:

geroet, vreemdelingschap;
awdoet, slavernij; en
inoejiem, pijnigingen.

Hij stelt, dat alle plagen ‘mida keneged mida’ waren als een vergelding voor wat er misdreven werd, met een educatief doel zowel voor de Egyptenaren als voor de Joden. De eerste categorie ‘geroet’, vreemdelingschap, betekende dat de Joden langzamerhand werden uitgestoten door de Egyptische samenleving, ontheemd en ontworteld raakten en in een uitzonderingspositie werden geplaatst.
De tweede categorie, `awdoet` betekent overheersing. De Egyptenaren overheersten het Joodse volk. Daarom kregen zij kikvorsen, een klein schepseltje, dat door zijn massaliteit de machthebbers toch enorme angst aanjoeg. De veepest verzwakte de fysieke kracht van de verdrukker en de sprinkhaan tastte de rijkdom en daarmee ook de eigenwaan van de overheerser aan. De derde categorie noemt Rabbiner Hirsch ‘inoejiem’, pijnigingen. De Egyptenaren moesten voor korte tijd voelen, wat zij anderen hadden aangedaan. Dus ze kregen luizen, huiduitslag en werden volledig geïmmobiliseerd gedurende de plaag van duisternis.

“En er zal bloed zijn in het gehele land Egypte” (7:19) De eerste twee plagen troffen het water. Mosjé moest het water met zijn staf bewerken om deze wonderen te verrichten. Maar Mosjé weigerde. Aharon zou het water slaan. Mosjé was gered door de Nijl. Bij de derde plaag mocht Mosjé ook niet actief zijn. De luizen zouden ontstaan uit de aarde. Mosjé was de aarde dankbaar omdat het de Egyptenaar, die hij had gedood, had verborgen. Ethici leidden hieruit af dat we altijd dankbaar moeten zijn en niet mogen ‘spuwen in de put waar we uit gedronken hebben’. Maar ware het niet beter geweest, dat Mosjé het water of de aarde tot wonderen zou hebben gewekt om daarmee G’ds Alomtegenwoordigheid aan te tonen? De plagen bloed, kikkers en luizen waren inderdaad een bovennatuurlijke ingreep, een vingerwijzing G’ds. Maar Mosjé’s eigen redding kwam van deze elementen waar hij een persoonlijke band mee had. Die wilde hij niet verbreken. Een kwestie van liefde en dankbaarheid.

5e Alija, 8:7-18. De 3e plaag is ongedierte.
6e Alija, 8: 19 – 9:16. De 4e plaag zijn wilde dieren, de 5e plaag is veepest. De 6e plaag is zweren.
7e Alija, 9:17-35. De 7e plaag is hagel.

“Sla het stof der aarde; het zal tot luizen worden” (8:16). De eerste twee plagen troffen het water. Mosjé moest het water met zijn staf bewerken om deze wonderen te verrichten. Maar Mosjé weigerde. Aharon zou het water slaan. Mosjé was gered door de Nijl. Bij de derde plaag mocht Mosjé ook niet actief zijn. De luizen zouden ontstaan uit de aarde. Mosjé was de aarde dankbaar omdat het de Egyptenaar, die hij had gedood, had verborgen. Ethici leidden hieruit af dat we altijd dankbaar moeten zijn en niet mogen ‘spuwen in de put waar we uit gedronken hebben’. Maar ware het niet beter geweest, dat Mosjé het water of de aarde tot wonderen zou hebben gewekt om daarmee G’ds Alomtegenwoordigheid aan te tonen? De plagen bloed, kikkers en luizen waren inderdaad een bovennatuurlijke ingreep, een vingerwijzing G’ds. Maar Mosjé’s eigen redding kwam van deze elementen waar hij een persoonlijke band mee had. Die wilde hij niet verbreken. Een kwestie van liefde en dankbaarheid.

We moeten dankbaar zijn voor alles wat we krijgen, hoewel we niet direct inzien waar het allemaal voor dient en waar het allemaal toe leidt. Dankbaarheid is belangrijk voor geestelijke groei. Gevoelens van dankbaarheid koesteren we niet graag, omdat het betekent dat we iets schuldig zijn aan onze weldoener. Sommige mensen ontkennen zelfs, dat anderen hen iets goeds bewezen hebben. Erkenning van de G’ddelijke liefde, die we dagelijks ervaren, wekt G’ds goedheid voor de toekomst op. Als we G’d danken voor de dag die voorbij is, verdienen wij Zijn zegen voor de volgende dag. Dankbaarheid leidt op het rechte pad.

Koning Salomo zei: “G’d heeft de mens oprecht gemaakt” (Prediker 7:29). De mens is van nature recht door zee maar omdat we dit rechte pad vaak verlaten, worden dingen soms bijzonder gecompliceerd. De Talmoed stelt dat indien de Tora niet gegeven was, men goed gedrag uit de fauna had kunnen leren. De heiligheid van privé-bezit kan men leren van de mieren. Echtelijke trouw kan men zien bij duiven, ingetogenheid kan men leren van de katten (B.T. Eroewien 100b). Verschillende dieren leren de mens hoe zich te gedragen. Toch is deze uitspraak van onze Wijzen moeilijk te begrijpen; misschien hadden we slechte eigenschappen geleerd van andere dieren, zoals promiscuïteit van honden en roofzucht van tijgers. Maar deze vraag is niet echt relevant. Wanneer wij de natuur maar onbevangen observeren, komen we er vanzelf wel achter welke eigenschappen we zouden moeten overnemen, omdat de mens van nature “jasjar” is (oprecht). Alleen omdat wij door onze driften, passies en lusten vaak anders willen, is het zo dat we ons slechte gedrag rationaliseren en onze Schepper niet meer recht in de ogen kunnen kijken

Onze Aartsvaders hielden zich al aan de Tora-regels al nog voor deze gegeven waren. Hoe konden zij weten wat goed en kwaad was? Awraham werd inderdaad geboren in een familie van afgodendienaren. Maar zijn heldere geest bracht hem tot de conclusie, dat het dienen van beelden verkeerd is. Awraham kon de waarheid vatten door logische redenering. Op zoek naar de waarheid liet hij zich niet leiden door aardse belangen. Awraham was een spiritueel mens. Het doel van de Exodus was de Tora. Aan de voet van de berg Sinaï – bij de voorbereiding voor het ontvangen van de Tora – bereikten de Joden het niveau van de Aartsvaders. Gelijk Awraham, Jitschak en Ja’akov konden zij de Tora vatten, nog voor dat deze gegeven was. Allen hebben wij een aangeboren gevoel voor goed en kwaad en een kompas voor juist gedrag. Als we niet verleid zouden worden door de jetser hara, onze aardse neiging, zouden we zonder enig probleem uitgroeien tot de spirituele wezens, die wij eigenlijk zouden moeten zijn. Dankbaarheid is daarbij een belangrijke richtlijn.

Reacties zijn gesloten.