Parsja Sjemot

SJEMOT (namen): De kinderen van Ja’akov hadden zich zeer sterk vermeerderd. Farao wordt bang en maakt hen tot slaven. Hij geeft de vroedvrouwen opdracht pasgeboren zoontjes te doden. Zij doen dit echter niet. Een Leviet, Amram, huwt een vrouw uit dezelfde stam en zij krijgen een zoontje, dat in een waterdicht mandje in de Nijl wordt gezet. Batja, een dochter van Farao vindt hem, redt hem en de grote zus van de baby, Mirjam, biedt aan een voedster voor hem te vinden. Later brengt ze hem naar Batja, die hem Mosjé noemt. Volwassen geworden ziet Mosjé hoe een Joodse man geslagen wordt door een Egyptenaar. Hij brengt hem ter dood en verbergt hem onder het zand. Hij begrijpt dat zijn leven in gevaar is en vlucht naar Midjan, waar hij gastvrijheid vindt bij de priester Jitro. Hij huwt zijn dochter Tsippora en zij krijgen twee zonen.

Dan wordt Mosjé geconfronteerd met het brandende doornbos, waar G’d hem opdraagt het Joodse volk naar het Beloofde Land te leiden. Mosjé verzet zich tegen deze opdracht en denkt dat het volk hem niet zal geloven, maar G’d geeft hem drie wonderen, zodat het volk hem wel als gezonden zal geloven. Ook zegt Mosjé dat hij een slechte spreker is; G’d belooft dat Aharon zijn woordvoerder zal zijn. Mosjé, Tsippora en hun zonen gaan op reis, maar onderweg treedt G’d tegen Mosjé hard op; Tsippora begrijpt dat één van hun zonen nog niet besneden is en volvoert de operatie haastig. Aharon en Mosjé gaan samen naar Farao en bepleiten de vrijlating van het volk maar Farao treft nog hardere maatregelen. Het volk raakt ontmoedigd en maakt de broers verwijten, maar G’d belooft zijn kracht te tonen.

Koheen, 1:1-17. De 70 zielen, die afdaalden naar Egypte, worden vermeld om de bevolkingsexplosie te benadrukken.

´Dit zijn de namen van de kinderen Israëls, die naar Egypte komen’(1:1).
Veel verklaarders vragen zich af waarom hier een tegenwoordige tijd staat: naar Egypte komen. De Joden voelden alsof ze opnieuw naar Egypte waren geëmigreerd, omdat de Egyptenaren hun mede-Joden na de dood van Joseef anders begonnen te bejegenen. Een actueel probleem van gevoeligheid richting de allochtoon.
Er waren vier aanleidingen voor de de sluipende jodenvervolging. Het begon met het overlijden van Joseef. Met Joseef in de buurt had niemand het gewaagd de Joden aan te pakken. Daarna overleden de broers van Joseef, want ook zij stonden hoog in aanzien. Jaren later waren alle zeventig afstammelingen van Ja’akov die naar Egypte waren gekomen, niet meer in leven. Zij waren dusdanig choogem, dat de Egyptenaren met hun mooie praatjes hen nooit hadden kunnen bewegen voor hen te gaan werken. Maar de directe aanleiding was de ongebreidelde vermeerdering van het Joodse volk, dat binnen 210 jaar van zeventig zielen tot minimaal 3 miljoen mensen uitgroeide. De Tora geeft aan dat iedereen met zijn eigen huis kwam. Dit betekent dat iedereen gehecht bleef aan zijn eigen vrouw. Men ging niet mee in de onzedelijkheid van Egypte. Hierdoor werd een belangrijk stuk van onze volksidentiteit behouden.

Sterren. Rasjie vergelijkt de Joden met sterren. Letterlijk zegt hij: ’Hoewel Ja’akovs kinderen met name geteld werden toen zij leefden, worden zij opnieuw geteld nadat zij stierven. Dit toont G’ds liefde voor hen. De Joden worden vergeleken met sterren die met getal tevoorschijn komen en met getal ’s ochtends weer verdwijnen’. Was het niet voor de liefde van G’d, dan was het Joodse volk nooit behouden gebleven in Egypte. Waarom worden de Joden vergeleken met sterren, die alleen ’s nachts zichtbaar zijn? Omdat Tsadikiem gedurende het gewone dagelijkse leven niet herkenbaar zijn. Pas wanneer het nacht is, symbool voor het Hiernamaals, is hun goedheid duidelijk zichtbaar. In deze valse wereld vol leugen, wordt
hun oprechtheid niet opgemerkt. Hun ware spirituele hoogte wordt pas na hun overlijden bereikt. Hun invloed reikt verder en leerlingen en volgelingen nemen zijn taken waar.

Zeventig. Waarom is het getal zeventig zo belangrijk? Een getal is belangrijk omdat alles wat belangrijk is geteld, gewogen en gemeten wordt. Zelfs bij hun dood worden zij geteld, vanwege een zegenrijke invloed. Het getal zeventig duidt op volmaaktheid.

Namen. De reden dat de namen worden vermeld legt de Klie Jakar uit aan de hand van de bekende Midrasj, die stelt dat onze voorouders uit Egypte werden bevrijd vanwege vier verdiensten: zij veranderden hun naam en taal niet, deden niet mee aan de Egyptische promiscuiteit en ze verraadden elkaar niet (Vajikra Rabba 32:5). De namen van alle stamvaders duiden op de bevrijding uit Egypte. Ruben betekent in het Hebreeuws: G’d zag mijn ellende. Sjimon verwoordt G’ds luisterende oor naar hun gekerm vanuit de slavernij. Levie betekent begeleiden: G’d begeleidde hen ook in dit bittere galoet. Zouden de Joden hun namen veranderen, dan zou niets meer hen herinnerd hebben aan een mogelijke bevrijding. Ze zouden alle hoop verloren hebben en volledig weg geassimileerd zijn in Egypte. Een Egyptische naam zou hun einde betekenen als apart volk. Zouden ze hun taal hebben veranderd, dan zou hetzelfde gebeurd zijn, want dan hadden ze de hint in hun namen niet meer herkend. Als ze geen Hebreeuws meer hadden gesproken of de naam Re’oeveen in een andere taal hebben overgeschreven, zoals in het Nederlands Ruben, dan zou niets meer hen herinnerd hebben aan een hogere roeping. Verder waren ze totaal niet aangepast omdat ze niet meededen aan de sexuele uitspattingen. Ze verraadden elkaar niet bij de overheid. Eenheid is belangrijk om te overleven. Een belangrijke les, ook voor ons in het huidige galoet. Als we wat meer eenheid konden opbrengen, hadden we veel minder problemen gehad.

Galoet. Met het boek Sjemot begint de geschiedenis van het Joodse volk. Anders dan bij andere volkeren begint onze geschiedenis in de Egyptische ballingschap en niet in ons eigen land. Volgens de traditie kon het Joodse volk zijn identiteit bewaren doordat men onder andere zijn eigen taal bleef spreken. Taal is een belangrijk religieus en nationaal bindmiddel maar er is nog een belangrijk aspect waarom wij coute que coute het Iwriet moeten blijven vasthouden: het Hebreeuws heeft veel diepere betekenislagen, die verloren gaan bij vertaling.
Het Hebreeuws betekent voor ons meer dan alleen een communicatiemiddel. Iwriet heeft intrinsieke kedoesja – heiligheid omdat het Hebreeuws het medium van informatieoverdracht tussen G’d en mens is geworden en volgens de Midrasj deze functie al direct bij de Schepping vervulde. Ook Adam sprak Hebreeuws. Het is onze taak te voorkomen, dat ook het Hebreeuws assimileert. Het mag geen gewone taal worden als alle andere talen. Wij zijn niet alleen verantwoordelijk voor het behoud van de formeeltechnische linguïstiek. Wij worden geacht ook de inhoudelijke rijkdom en culturele implicaties van onze heilige taal over te dragen. Iwriet heeft veel meer diepgang.

Levi, 1:18-2:10. Farao geeft opdracht alle mannelijke baby’s te verdrinken. 3e alija, 2:11-25. Mosjé vlucht naar Midjan, trouwt Tsippora en krijgt een zoon: Gersjom. 4e alija, 3:1-15. G’d verschijnt bij het braambosje.

5e alija, 3:16-4:17. G’d voorspelt dat Egypte geslagen zal worden. 6e alija, 4:18-31. Mosjé neemt afscheid van Jitro. 7e alija, 5:1-6:1. Mosjé en Aron zeiden Farao: “Let my people go!”

“Ik zal ze vanuit de lasten – siwlot – van Egypte bevrijden” (Sjemot 6:6).
Hoe kunnen wij er zeker van zijn dat wij onszelf nooit hadden kunnen bevrijden uit Egypte? Het is wel vaker in de geschiedenis gebeurd, dat vrijheid zonder wonderlijke interventie van Boven verkregen werd.
Toen Mosje opdracht kreeg om het Joodse volk uit Egypte te bevrijden, zei G’d: “Ik zal ze vanuit de lasten – siwlot – van Egypte bevrijden” (Sjemot 6:6). Siwlot betekent niet alleen lasten maar ook tolerantie en verdraagzaamheid. We kunnen de vers dus ook lezen als “Ik zal ze vanuit de verdraagzaamheid voor Egypte bevrijden”. Gewenning gebeurt namelijk gemakkelijk, ook onder drukkende omstandigheden. De Joden waren zo gewend geraakt aan hun slavenstatus, dat ze meenden dat dit normaal was. Bovendien dachten ze wellicht bij zichzelf: ‘Wat is er zo verkeerd aan het slavendom, onze magen zijn altijd gevuld en we hebben geen verantwoordelijkheden. Wat hebben we eigenlijk aan vrijheid?’
Inderdaad zonder G’ddelijke interventie zouden we niet vrij gekomen zijn uit Egypte; we hadden immers geen enkele behoefte aan vrijheid. Een belangrijke eye-opener in onze moderne tijd! Veel mensen zijn zo gewend geraakt aan hun Galoet-lifestyle dat ze geen behoefte meer hebben aan vrijheid in ons eigen land. Op ieder moment worden we geacht onszelf te onderzoeken op de vraag of wij geen waardiger vorm van leven zouden moeten opzoeken. Spirituele stijging komt niet makkelijk. Een koe in de wei heeft een makkelijker leven dan een mens, die zich wil ontplooien, wil stijgen en geestelijke groei wil doormaken. Maar wij staan boven het dier….

We moeten ons realiseren, dat het hoofddoel van de Exodus niet slechts bevrijding van slavernij was maar veel meer een langzame groei naar dienstbaarheid aan G’d. Ook al zouden de joden uiteindelijk bevrijd zijn uit hun slavernij, de verheven spirituele hoogten die ze bereikten bij de uittocht uit Egypte hadden zij nooit kunnen halen op eigen kracht.
Zo krijgt de uitspraak van onze Wijzen, “dat In elke generatie het ieders plicht is zichzelf te beschouwen als ware hij zelf Egypte uitgetrokken”, een diepere dimensie. Het is niet voldoende jezelf voor te stellen alsof je persoonlijk bevrijd werd uit de fysieke slavernij. Het belangrijkste is dat je jezelf moet zien als iemand, die persoonlijk die spirituele transformatie heeft ondergaan van een nederige slaaf tot een enthousiast dienaar van Hasjeem. Niet de fysieke of politieke aspecten waren het belangrijkste van de uittocht maar juist het spirituele component.

Onze spirituele winst is er nog steeds

We zitten nog steeds in galoet. Waarom herinneren we de Exodus dan nog?
Er was eens een arme man die plotseling een fortuin won in de loterij. Omdat hij besefte, dat hij nooit had kunnen leren, huurde hij leraren in en werd hij een wijs man. Elk jaar placht hij de verjaardag van het winnende lot te vieren. Enige tijd later verloor hij al zijn geld en werd hij weer arm, maar toch bleef hij de verjaardag van het winnende lot vieren. Mensen om hem heen vroegen waarom hij toch zo blij bleef om deze dag, ondanks het verlies van zijn hele vermogen. De man antwoordde: “Het geld is weg, maar de kennis die ik heb verworven, is nog steeds bij me”.
Hoewel we onze politieke onafhankelijkheid, verkregen bij de Exodus, verloren hebben, is de spiritualiteit, die wij opgedaan hebben bij de Uittocht en de Openbaring op de berg Sinaï nog steeds bij ons. We vieren Pesach zelfs in ballingschap, omdat wij daarmee de spirituele winst van het hele traject vieren. Iemand, die lang blijft stilstaan bij de Exodus, verdient inderdaad een pluimpje, omdat hij laat zien dat hij spiritualiteit hoog op zijn prioriteitenlijstje heeft staan.

“Toen nam Tsippora een steen en sneed de voorhuid af van haar zoon en legde haar aan zijn voeten en zei: voorwaar een bruidegom ten koste van bloed ben jij voor mij”(4:25).

Aan het einde van de sidra Sjemot wil G’d Mosje doden omdat hij enigszins nalatig was met de briet-mila van zijn zoon Eliëzer. Volgens de Talmoed (B.T. Nedariem 31a) was Mosje de besnijdenis niet vergeten maar moest hij een afweging maken tussen twee opdrachten van HaSjeem en redeneerde hij als volgt:”Als ik Eliëzer nu besnijd en direct daarna op weg ga, levert dit gevaar op voor de gezondheid van het kind. Als ik drie dagen wacht tot het gevaar geweken is, kom ik in problemen met G’ds opdracht om direct naar Egypte te gaan”. Op zich was deze laatste overweging voldoende reden om even te wachten met de briet-mila. Waarom werd Mosje dan met de dood bedreigd? Omdat hij prioriteit gaf aan de plaats van overnachting.

Allereerst zien we hier, dat HaSjeem niemand `voortrekt’. Een belangrijk principe in het Jodendom. Juist Mosje Rabbenoe – de vader van alle profeten – wordt ernstig gekapitteld voor een kleine overtreding hoewel hij bezig was met een grote mitswa: het bevrijden van het Joodse volk. Ten tweede is dit een moesar-haskeel (een les in religiositeit): vaak claimen we geen tijd te hebben voor allerlei spirituele zaken. Wat blijkt dan? Dat we wel tijd hebben voor allerlei materiele zaken. Vaak menen we geen geld te hebben voor Tsedaka. Maar we blijken wel allerlei luxe te kunnen aanschaffen. Een kwestie van prioriteiten! Dit was – zij het subtiel – HaSjeems claim tegen Mosje: geen tijd voor een briet-mila maar wel tijd voor het inrichten van een malon – een overnachtingsplaats? Ook voor ons een belangrijk dilemma wanneer wij onze Jiddisjkeit blijvend willen voortzetten.

Reacties zijn gesloten.