WAJIGASJ (en toen naderde). Jehoeda stapt naar voren en houdt de langste redevoering in de Tora. Hij pleit krachtig voor de vrijlating van Benjamin en wil zelf als slaaf in Benjamins plaats fungeren, om hun oude vader het leed van het verlies van nog een zoon van de geliefde vrouw Racheel te besparen. Joseef begrijpt hieruit dat de broers werkelijk tesjoewa (inkeer) hebben gedaan over zijn verkoop en maakt zich bekend. De broers schrikken hevig maar Joseef troost hen want dit was kennelijk G’ds plan. Op Farao’s gezag stuurt Joseef de broers naar huis met de uitnodiging voor de hele familie in het land Gosjen te komen wonen. Ja’akov kan het allemaal niet geloven maar laat zich ten slotte overtuigen. De karavaan vertrekt.
Ja’akov krijgt een nachtelijk visioen waarin G’d hem zegt, niet bang te zijn af te dalen naar Egypte, want G’d zal Ja’akov daar tot een groot volk maken. De geslachtslijst telt 70 personen die afdalen naar Egypte. Ja’akov wordt in grote vreugde herenigd met Joseef na 22 jaren. Joseef stelt Ja’akov en vijf broers aan Farao voor, na hen geïnstrueerd te hebben wat te zeggen. Ja’akov zegent Farao. Joseef zorgt goed voor zijn familie en wendt zich daarna tot het hongerende volk. Zij moeten alles verkopen in ruil voor graan, totdat ze zelf slaven van Farao zijn. Joseef verplaatst het volk naar andere delen van het land. Intussen breidt de familie van Ja’akov zich sterk uit.
Koheen, 44:18-30. Jehoeda riskeert zijn leven. Levi, 44:31-45:7. Joseef maakt zich bekend en legt uit waarom G’d hem vooruit gestuurd heeft.
Hoe moest Joseef het goede bericht laten overbrengen aan zijn vader Ja’akov, die meende dat hij verscheurd was door een wild dier, zonder zijn broers beschaamd te zetten? Zou Ja’akov hen geloven? Nachmanides (1194-1270) meent dat Ja’akov nooit geweten heeft van de verkoop. De broers hadden uitgelegd, dat Joseef onderweg verdwaald moest zijn en dat degenen, die hem vonden hem verkocht hadden als slaaf. Maar nu blijkt hij dus toch nog te leven, en nog wel als onderkoning!
Rasjbam (1085-1174) ziet de oplossing aangeduid in het feit dat de broers “alle woorden van Joseef” aan Ja’akov overbrachten. Met “alle woorden van Joseef” wordt bedoeld dat zij Ja’akov vertelden dat Joseef hen om de hals viel en broederlijk met hen omging. De wagens die Joseef stuurde, werden getrokken door ossen, die het land niet zonder toestemming van de koning of onderkoning mochten verlaten. Hierdoor wist Ja’akov dat er inderdaad iets heel bijzonders aan de hand was.
Ja’akov viel flauw van het plotselinge bericht. Rabbi Owadja di Seforno (1475-1550) stelt, dat de broers daarom het goede bericht over Joseef vervolgden met een slecht bericht dat er “nog vijf jaar hongersnood zou zijn”. Hierdoor werd de simcha (vreugde) enigszins getemperd zodat Ja’akov zich niet volledig zou verliezen.
Ja’akov zag de wagens, die Joseef gestuurd had. Maar waar waren de wagens die Farao gestuurd had? De wagens, die Farao gestuurd had, droegen afbeeldingen van awoda zara – afgoderij. Jehoeda verbrandde die uit ijverzucht. Maar waarom staat er dan iets verderop, dat “de Bné Jisraëel, Ja’akov hun vader, hun kinderen en hun vrouwen in de wagens vervoerden, die Farao had gestuurd om hen mee te nemen”.
Rabbi Wolf Strikov (20e eeuw) legt uit, dat de wagens die Ja’akov en zijn familie naar choets la’arets – buiten Israël – moesten vervoeren in feite een subtiele vorm van afgoderij vormden, omdat “iedereen die buiten Israël woont, wordt beschouwd alsof hij geen G’d heeft”. Ja’akov wilde niet reizen in de wagens, die Farao gestuurd had. Het feit dat hij Israël zou verlaten was op zich al een verkapte vorm van afgoderij. Maar omdat G’d Ja’akov verschenen was en hem gezegd had: “Ik zal met jou afdalen naar Egypte en Ik zal je er ook weer uithalen”, begreep Ja’akov dat hij er niet onderuit kon. Deze wagens, die gestuurd werden in opdracht van Farao, vormden in feite het begin van de ballingschap.
3e alija, 45:8-27. Joseef stuurt de broers terug om hun vader mee te nemen naar het land Gosjen waar ze verzorgd zullen worden gedurende de hongersnood.
“Het gerucht:”De broers van Joseef zijn gekomen!” werd aan Farao’s hof vernomen en het werd in de kringen van Farao en zijn hovelingen goed opgenomen” (45:16).
Natuurlijk was Farao opgetogen. Hij zat in zijn maag met de roddels over Joseef: zijn onderkoning zou een ex-slaaf zijn en ook nog eens veroordeeld zijn vanwege een onopgehelderde ontuchtzaak. Nu bleek, dat Joseef uit een vooraanstaande familie stamde. Farao was blij. Zijn hovelingen werden ook iets blijer omdat Ja’akov met zijn familie naar Egypte kwam zodat Joseef zichzelf niet meer als allochtoon zou beschouwen en zich totaal zou gaan inzetten voor zijn staatstaken (Nachmanides en Seforno)
“Neemt u uit het land Egypte wagens voor uw kinderen en voor uw vrouwen; tilt daar op ook uw vader en komt” (45:19).
Waarom was Farao er zo op gebrand om Joseefs familie naar Egypte te laten komen? Hij hoopte bij de broers van Joseef nog meer betrouwbare en bekwame bestuurders te vinden, die hij kon aanstellen in zijn rijk. Joseef voorkwam dit door alleen zijn zwakke broers aan Farao voor te stellen. Deze broers vertelden Farao direct dat zijn schaapherders waren, zodat Farao van zijn carrièreplanning met Joseefs broers afzag.
Hoewel normaliter geen wagen Egypte mocht verlaten, maakte Farao voor Joseef een uitzondering. Hij vertrouwde ziijn beschermeling volledig. Joseef zou geen misbruik maken van de geëxporteerde wagens.
“Aan een ieder gaf hij een stel mooie gewaden maar Benjamin gaf hij driehonderd zilverstukken en vijf stel mooie gewaden” (45:22).
Hoe kon Joseef, die als geen ander de nadelen van voortrekkerij aan den lijve heeft moeten ervaren, zijn broer Benjamin kunnen voortrekken door hem vijf stuks kleding te geven? Het kan zijn, dat Joseef – na de dramatische ontknoping – bij zijn broers geen spoor van jaloezie meer bemerkte en dit hiermee bevestigde. Benjamin was Joseefs volledige broer. De overige broers waren slechts halfbroers. De Talmoed (B.T. Megilla 16b) stelt echter, dat Joseef Benjamin hiermee een hint gaf, dat van hem Mordechai zou afstammen, die gekleed zou worden in vijf koninklijke gewaden. Het was geen voortrekkerij maar een profetische hint aan Benjamin. Het leven van onze Aartsvaders en hun kinderen stond helemaal in het teken van de toekomst van het Joodse volk. Hier wordt daarvan een detail nader belicht.
4e alija, 45:28-46:7. Ja’akov daalt af naar Egypte. Ja’akov brengt offers in Be’er Sjewa. G’d verzekert hem dat Hij hem zal begeleiden.
“Hierop zei Hij: Ik ben de G’d van uw vader; vrees niet om af te dalen naar Egypte want tot een groot volk zal ik u daar maken. Ik daal met u af naar Egypte en zal u ook terugbrengen” (46:4).
Rasjie legt hierbij uit: “Hij beloofde hem in deze woorden dat hij begraven zou worden in het Heilige Land”. Rasjie moet dit wel verklaren omdat HaSjeem (G’d) twee verschillende bewoordingen gebruikt bij Zijn belofte met hem naar Egypte af te dalen en hem terug te brengen. Er staat namelijk:“Ik daal met u af naar Egypte en Ik zal u ook terugbrengen”. Bij zijn afdaling naar Egypte ging Ja’akov op eigen kracht. Daarom stelt G’d dat Hij met hem zal afdalen. Maar over de terugweg zegt HaSjeem:“Ik zal je naar boven brengen”. Ja’akov zou dus niet op eigen kracht terugkeren naar Israël. G’d zou hem dus laten terugkeren om in Israël begraven te worden.
“Jisra’eel ging op reis met alles wat hij had, kwam aan in Be’eer Sjewa en bracht daar offers aan de G’d van zijn vader Jitschak” (46:1)
Waarom staat hier zijn vader Jitschak vermeld? Het kan zijn, dat een zoon zich nu eenmaal meer verbonden voelt met zijn vader dan met zijn grootvader. Het kan ook zijn dat Ja’akov een bitter goles (ballingschap) voorzag en daarom juist zijn vader Jitschak vermeldde omdat Jitschak een man van gewoera – gestrengheid was. Door te appelleren aan de G’d van Jitschak hoopte Ja’akov de strengheid van het aanstaande goles enigszins te verzachten. Ook is mogelijk, dat Ja’akov G’d verzoekt hem de ellende van de verdrukking en slavernij te besparen zoals dit ook Jitschak bespaard bleef.
5e alija, 46:8-27. 70 mensen trokken naar Egypte.
“130 jaar en mijn dagen waren weinig en slecht” (47:8-9).
Ja’akov kwam naar Egypte. Farao vroeg hem hoe oud hij was. Ja’akovs antwoord getuigde van weinig tevredenheid. G’d nam hem dit kwalijk: “Omdat jij in 33 woorden over je lot hebt geklaagd, trek Ik 33 jaren van je leven af”. Jitschak, zijn vader, werd 180, Ja’akov slechts 147.
De oplettende lezer telt echter slechts 27 klaagwoorden en geen 33! De vraag van Farao wordt echter ook meegeteld ! Waarom? De vraag van Farao was bizar! Zijn eerste begroeting van onze derde Aartsvader was “Hoe oud bent u?”. Ja’akov maakte een heel erg oude en ongelukkige indruk. Zelfs de manier, waarop Ja’akov overkwam op derden, werd hem kwalijk genomen door G’d. Maak zowel geestelijk als fysiek een tevreden indruk: G’d zorgt goed voor ons!
6e alija, 46:28-47:10. Ja’akov stuurt Jehoeda vooruit. Joseef stuurt een koninklijke wagen voor zijn vader. Joseef stelt zijn vader en vijf broers voor aan Farao, die hen het beste van het land aanbiedt.
Volgens Rabbiner Hirsch bleven de Aarts- en stamvaders herders omdat dit een onzeker bestaan vormt en de mens doet beseffen afhankelijk te zijn van G’ds welwillendheid. Men leert het belang van rijkdom te relativeren. Omgang met dieren traint de herder in zijn liefde voor dieren. Dit generaliseert tot algemene liefde voor al G’ds schepselen. Een herder heeft veel vrije tijd om zich tijdens zijn werkzaamheden te verdiepen in allerlei religieuze overpeinzingen. Een agrarische maatschappij daarentegen moet vaak misbruik maken van slaven. Daarom gingen de Joodse en Egyptische cultuur niet goed samen.
“Ja’akov zegende Farao en verwijderde zich van Farao” (47:10).
Door de zegen van Ja’akov stopte de hongersnood in het tweede jaar. De aanwezigheid van een tsaddiek is voor iedereen zegenrijk.
“Alleen het grondbezit van de priesters kocht hij niet want de priesters hadden een vaste toelage van Farao” (47:22).
Dit detail wordt niet zomaar in de Tora vermeld. Het is een les voor Am Jisra’eel. Als Farao als alleenheerser al zoveel weggaf van zijn eigen land aan zijn afgodische priesters hoeveel te meer moeten wij onze Tora-geleerden steunen. Door het speciale privilege van de priesters kon ook de stam Levi later vrijstelling krijgen van de slavendienst.
“Jisra’eel woonde in het land Egypte in de landstreek Gosjen, ze kregen daar vaste grond, ze waren vruchtbaar en werden zeer talrijk” (47:27).
`Ze kregen daar vaste grond’ kan ook vertaald worden als “ze werden gegrepen door het land” – hetgeen of de aardse aspecten van het bestaan kunnen zijn of de Egyptische cultuur.
7e alija, 47:11-27 Joseef deelt graan uit en koopt het volk als slaven voor Farao. De familie van Ja’akov breidt uit.
