MIKEETS (aan het einde). Joseef verklaart Farao’s dromen: er zal binnenkort een periode van 7 jaar van grote overvloed aanbreken, gevolgd door 7 jaren hongersnood. Fara’o stelt Joseef aan als onderkoning en geeft hem Asenat tot vrouw. Hij krijgt twee zonen: Menasjee en Efraïm. Joseef zorgt ervoor dat heel veel voedsel wordt opgeslagen. Ja’akov hoort dat er graan is in Egypte. Zijn zoons buigen voor Joseef zonder hem te herkennen. Joseef herkent hen echter wel maar gedraagt zich hardvochtig alsof ze spionnen waren. Hij verkoopt ze wel voedsel maar houdt Sjimon achter als gijzelaar.
Sjimon komt pas vrij als zij Benjamin hebben meegebracht als bewijs dat zij eerlijk zijn. Hun geweten gaat spreken over de verkoop van Joseef. Deze verstaat wat ze zeggen. Het geld voor de koop van het voedsel wordt in hun voederzakken teruggelegd en bij de ontdekking worden de broers erg ongerust. Als het voedsel op is, willen de broers weer graan kopen in Egypte. Eerst weigert Ja’akov Benjamin mee te geven maar tenslotte geeft hij toe. Als Joseef Benjamin ziet, raakt hij erg ontroerd. Hij ontvangt hen in zijn eigen huis. Tot hun verbazing zijn hun plaatsen aan tafel op volgorde van leeftijd gedekt. Dan geeft Joseef bevel het geld weer in de voederzakken te doen.
De beker van Joseef wordt in de zak van Benjamin gelegd. Als die beker ontdekt wordt, moet Benjamin de slaaf van Joseef worden maar Jehoeda bekent dat de broers schuldig zijn (aan het lot van hun vermiste broer Joseef) en stelt dat allen slaven worden voor Joseef. Deze echter weigert dit.
Koheen 41:1-14. De schenker informeert Farao dat een jonge Hebreeuwse gevangene de dromen kan uitleggen.
Farao heeft een droom die hem erg stoort. Toch raakt hij niet onder de indruk van de verklaringen van zijn beeldschriftkundigen en magiërs. De schenker herinnert zich dan dat Joseef ooit eens zijn dromen goed heeft uitgelegd. Joseef krijgt meteen de één na hoogste positie in het land. Rabbi Joseef Nechemja Kornitzer, een geleerde uit Krakau aan het begin van de vorige eeuw, stelde een aantal vragen bij de gebeurtenissen, zoals deze in de Tora-tekst worden opgesomd.
Vraag 1: Bij het beschrijven van iets uit het verleden gebruikt de Tora normaliter de vorm “Wajachalom Pharo” – “En Farao droomde”. Er staat echter “Oepharo Choleem” (41:1). Dit zou beter kunnen vertaald worden als “Farao is aan het dromen”. Waarom verandert de grammaticale stijl?
Vraag 2:“En het gebeurde in de ochtend dat Farao erg in de war was geraakt (van zijn dromen) en hij verzocht al zijn tovenaars en alle wijze mensen van Egypte om bij hem te komen”(41:8). Is het inderdaad mogelijk om in één morgen alle wijzen en geleerden van zo’n uitgestrekt land bijeen te roepen?
Vraag 3:”En de schenker sprak voor Farao:“mijn zonden herinner ik vandaag”(41:9). De schenker vermeldt alleen maar één zonde, namelijk de reden waarom hij in de gevangenis geworpen was. Waarom zegt hij “de zonden” in het meervoud?
Vraag 4: De Midrasj stelt dat, omdat Joseef zijn hele vertrouwen had gesteld in de schenker, hij gestraft werd doordat de schenker hem twee jaar lang vergat. De Midrasj impliceert dat het eigenlijk heel vreemd is dat de schenker Joseef niet vermeldde bij Farao en dat zijn vergeetachtigheid inderdaad veroorzaakt werd door G’d. Maar als Farao alleen maar aan het einde van deze twee jaar de droom zou hebben gehad, dan was er geen eerdere gelegenheid voor de schenker om over Joseef als droomuitlegger te spreken.
Een constante droom
Rav Kornitzer zegt dat wij de openingsvers van de Sidra als volgt moeten vertalen: “Het gebeurde aan het einde van twee jaar dat Farao nog steeds droomde dat hij bij de rivier stond”. Het gebruik van de woorden “OePharo choleem” is daarom zeer terecht. De Tora wil ons vertellen dat Farao dezelfde droom de hele tijd opnieuw had gedurende de afgelopen twee jaar tot de laatste nacht aan het einde van die twee jaar, toen hij de droom duidelijk herinnerde. Farao stond ‘s ochtends op en was erg in de war omdat hij gedurende de afgelopen twee jaar alle wijze droomuitleggers had opgetrommeld. Niemand was in staat om het hem uit te leggen (41:8). Iedereen in het paleis sprak gedurende de afgelopen jaren over de droom om hem proberen uit te leggen.
Dus de frase “alle tovenaars van Egypte” is accuraat. De schenker had Joseef natuurlijk al lang moeten aanprijzen bij Farao maar kennelijk had hij een black-out. Hoe kon dat zijn? Het antwoord van de Midrasj is daarom dat het een ‘G’ddelijk ingrijpen in de geschiedenis’ was als straf voor Joseef, die zijn hele vertrouwen in de schenker had gesteld. Pas twee jaar later herinnert de schenker zich dat hij nog iemand kent uit de gevangenis, die een goede droomuitlegger was. Je kunt je voorstellen dat Farao als hij zou beseffen dat de schenker twee jaar lang belangrijke informatie had achtergehouden, hem een geweldige straf zou geven. Onder deze omstandigheden is het juist om te spreken van ‘mijn zonden’ met het oog op de vele gelegenheden in het verleden waar de schenker met de koning had moeten spreken over Joseef.
De droominhoud
Farao droomde eerst over koeien omdat die het ploegen symboliseren en pas daarna over korenaren omdat die het product – de oogst – voorstellen. De nacht waarin Farao zijn dromen herinnerde was Rosj Hasjana, het tijdstip waarop voor elk land de economie wordt vastgesteld voor het komende jaar. Geen van zijn droomuitleggers kon Farao een aansprekende verklaring geven. Sommigen meenden, dat hij zeven dochters zou krijgen en die later weer zou verliezen. Anderen meenden, dat Farao zeven landen zou veroveren, die daarna weer tegen hem in opstand zouden komen. Waarom was niemand in staat om de dromen naar genoegen van Farao te interpreteren? G’d wilde Joseef verheffen tot onderkoning en via droomuitleg zou hij aan de macht komen. Waarom Joseef als laatste droomuitlegger aan het woord kwam, verklaart de Midrasj (Bereesjiet Rabba 89:8). Zou Joseef eerder aan het woord zijn gelaten dan hadden alle droomuitleggers gesteld, dat zij deze verklaring ook hadden willen geven. Pas toen bleek, dat niemand hiertoe in staat was, verscheen Joseef op het wereldtoneel.
Farao testte zijn droomverklaarders door kleine details van de droominhoud te veranderen. Maar Joseef was door G’ddelijke inspiratie in staat Farao op de vingers te tikken. Bij elke afwijking van de werkelijke droom corrigeerde Joseef Farao direct. Farao stond perplex:”Keek je over mijn schouder mee toen ik droomde?”. Joseef was via roe’ach hakodesj bekend met de dromen en legde Farao uit, dat de magere koeien en korenaren de vette opaten om aan te geven, dat de overgang van overvloed naar hongersnood plotseling zou plaatsvinden. De droom werd in twee gedaanten herhaald om duidelijk te maken, dat de zeven jaren van overvloed spoedig zouden aanbreken.
Luisteren naar anderen
Als wij de carrière van Joseef volgen dan zien wij, dat hij aan het begin van de Sidra van vorige week de lievelingszoon van Ja’akov was. Aan het einde van de Sidra zit hij echter diep in de put. Plotseling wordt hij verheven tot de hoogst denkbare positie in Egypte. Kunnen wij hier iets uit leren? Wellicht zou het volgende een belangrijke “moraal van het verhaal” kunnen zijn. Begin parsjat Wajeesjev zegt Joseef tegen zijn familie: “luister naar mijn dromen”. Het lijkt erop, dat Joseef wilde dat iedereen zich bewust was van zijn ambities en zijn aspiraties en zijn hoop op een hoge positie. Iemand die alleen maar wil dat mensen weten wat hij van het leven verwacht, creëert averechtse effecten.
Aan het einde van Wajeesjev zegt Joseef tegen de schenker en de bakker: “Vertel mij jullie dromen”. Hij bedoelde hiermee te zeggen, dat hij wilde horen wat hún ambities waren, waar zij op hoopten. Wanneer men bereid is om naar de dromen en aspiraties van anderen te luisteren, is men op de goede weg.
Levi, 41:15-38. Joseef legt uit dat de overvloed gevolgd zal worden door hongersnood en raadt aan direct actie te ondernemen.
3e alija, 41:39-52. Joseef wordt onderkoning en bereidt Egypte voor op de hongersnood door het voedsel op te slaan.
4e alija, 41:53-42:18. De hongersnood begint en Ja’akov stuurt zijn zonen (behalve Benjamin) naar Egypte om eten te kopen. Joseefs broers buigen voor hem. Joseef beschuldigt hen van spionage.
Hielden ook de stamvaders – zoals Re’oeween, Sjimon, Levie en Jehoeda – al de voorschriften van de Tora, zoals de drie Aartsvaders dit deden? Hierover bestaan er twee meningen in de Talmoed: Rabbi Jehoeda stelt, dat zij inderdaad alleen joods trouwden maar Rabbi Nechemja is van mening dat zij met Kena’anitische dames gehuwd waren. De vraag is ook deze week weer actueel wanneer Farao ene Osnat, die de dochter van Potifar heet, uithuwt aan Joseef.
Door dit huwelijk maakte Farao aan iedereen duidelijk, dat de overspelige aantijgingen van Potifars vrouw Soelaika ongegrond waren – want wie laat nu haar dochter trouwen met de man die haarzelf probeerde aan te randen. Osnat vertelde Potifar overigens, dat Soelaika al een jaar lang Joseef probeerde te verleiden en dat niet hij maar zij overspel initieerde.
Als Osnat inderdaad een Egyptische was geweest, heeft Joseef haar ongetwijfeld laten uitkomen en heeft hij ook choepa met haar gehad. Dit schrijft Rasjie ook met zoveel woorden (48:9) wanneer Ja’akov aan Joseef vraagt `wie die kinderen – Efraim en Menasje – zijn’. Om zijn vader ervan te overtuigen, dat zij kinderen uit een kosjer joods huwelijk zijn, toont Joseef aan Ja’akov de trouwakte en de ketoeva.
Volgens de Tosafisten (1250, Frankrijk) was deze Osnat echter een nichtje van Joseef, die als pleegdochter door Potifar werd geadopteerd. Nadat Dina door Sjechem was aangerand, kreeg ze een dochter. Dina wilde niet dagelijks aan haar verkrachting herinnerd worden en stuurde haar dochter naar Egypte met een hanger, waarin stond dat ze afstamde van de familie van Ja’akov. Osnat was dus joods omdat haar moeder joods was.
Hoe kon Ja’akov een joods meisje in haar eentje naar het heidense, hedonistische en ontuchtige Egypte sturen? Nachmanides (1194-1270) stelt daarom dat voor Matan Tora – de Tora-wetgeving op de berg Sinai – het kind de vader volgde en zij niet automatisch de joodse status van haar moeder deelde. Als Osnat niet-joods was, moest Joseef haar laten uitkomen.
De vraag is hoe hij dat heeft kunnen doen zonder Beet Dien, een joodse rechtbank. Waarschijnlijk is ook het voorschrift, dat gioer alleen door een Beet Dien bewerkstelligd kan worden, pas van na Matan Tora omdat pas toen een werkelijke verplichting ontstond om de mitsvot te houden. Avraham en Sara lieten veel mensen `uitkomen’ en ook Batja, de dochter van Farao, die Mosje het leven redde, was joods geworden door onderdompeling in de Nijl. Toch waren die bekeringen nog niet van een zodanig zwaar gehalte als na Matan Tora. Gioer was mogelijk in Egypte ook zonder Beet Dien.
Ook uit andere gegevens uit deze sidra blijkt, dat Joseef en zijn broers zich zoveel mogelijk hebben gehouden aan de voorschriften van de Tora. Joseef draagt zijn broers – die hem nog niet herkend hadden – op om bij hem te komen eten. Zijn huispersoneel beveelt hij om eten klaar te maken. Op de woorden `slacht slachtvee en bereid het want vanmiddag zullen deze mannen met mij eten’ (43:16) leidt de Talmoed (B.T. Choelien 91a) af, dat Joseef bedoelde, dat de dieren kosjer geslacht en de gied hanasje (de verwrongen spier) verwijderd moest worden. Joseef wilde niet dat de broers hem verdachten van treife eten. Hoewel kosjer eten voor Matan Tora nog niet verplicht was, hielden ook de kinderen van Ja’akov zich aan deze gedragsregels. Velen vragen zich af hoe men zich aan de Tora heeft kunnen houden nog voor deze gegeven was. Het antwoord luidt: de Tora was allang bekend bij ingewijden maar nog niet verplicht voor een heel volk. Dat was de grootheid van onze voorouders: dat ze de G’ddelijke wet al nakwamen ook al waren ze er nog niet toe verplicht. Eigen initiatief wordt altijd beloond.
