Parsja Toledot

In de sidra Toledot wordt de basis gelegd voor het Joodse volk. De geboorte van onze derde Aartsvader Ja’akov, die de twaalf stamvaders zou voortbrengen, wordt omgeven door een waas van mystiek. De wonderbaarlijke ontstaansgeschiedenis van Klal Jisraeel begon echter reeds met Jitschak, onze tweede Aartsvader. Awraham kreeg ook Jisjmaeel. Jitschak kreeg ook Esau. Wie zou de voorvaderlijke traditie voortzetten? Was de afstamming wel puur? Werd het eerstgeboorterecht niet geschonden? Nog steeds hebben wij veel met hun afstammelingen te maken. Volgens sommige tradities hebben wij in het Westen veel met de lijn van Esau te maken terwijl wij in het Midden- en Verre Oosten nogal eens in aanraking komen met de tradities uit de lijn van Jisjmaeel. De grondslag voor deze twee divergerende lijnen worden met name in parsjat Toledot uitgekristalliseerd. Dit zijn belangrijke gegevens, ook voor de huidige realiteit. De pesoekiem (verzen) en verklaringen van de meforsjiem (commentatoren) spreken voor zich.
Koheen, 25:19-26:5. Esau en Ja’akov groeiden uit tot twee verschillende persoonlijkheden. Esau verkoopt het eerstgeboorterecht voor een bord linzen.

“En dit zijn de geslachten van Jitschak, de zoon van Awraham. Awraham bracht Jitschak voort” (25:19). Rasjie merkt op dat het vreemd is, dat de afstamming van Jitschak twee keer herhaald wordt: als Jitschak de zoon is van Awraham, dan is het toch logisch dat Awraham hem voortbracht. Waarom deze herhaling? Rasjie antwoordt, dat de ongelovigen van die tijd zeiden, dat Sara zwanger was geworden van Awimelech. Het bewijs vormde het feit, dat Awraham en Sara veel jaren samen waren en Sara niet zwanger was geraakt. Om al dit geroddel de kop in te drukken, heeft HaSjeem ervoor gezorgd, dat de gelaatstrekken van Jitschak gelijk werden aan die van Awraham. Daarom kon iedereen getuigen: “Awraham heeft Jitschak voortgebracht”. Daarom staat er hier in de pasoek: “Jitschak was de zoon van Awraham, want Awraham heeft duidelijk Jitschak voortgebracht”.

Waar de grappenmakers, columnisten, cabaretiers en critici van die tijd op uit waren, was de kawod (eer) van Awraham te schaden. Met al dat geroddel werd zijn aanzien, eer en goede naam zwaar aangetast. Interessant is, dat het juist niet de apikorsiem (ketters) waren, die het Awraham moeilijk maakten, maar dawke (juist) de grappenmakers en moppentappers. Om hun gedachten te loochenstraffen heeft G’d ervoor gezorgd dat Jitschak als twee druppels water op Awraham leek. Onze Chagamiem (Wijzen) hebben ons niet voor niets gewaarschuwd voor de slechte invloed van leetsanoet, het belachelijk maken van derden. Deze eigenschap moet men mijden. In de Midrasj Tanchoema staat dat ook Awraham zelf beïnvloed raakte door de woorden van de leetsaniem (grappenmakers en critici). Dit is moeilijk te begrijpen, omdat Awraham een profeet was en zeker wist, dat Awimelech Sara zelfs niet eens had aangeraakt. Maar Awraham vreesde, dat het kind van Sara wellicht enige invloed had ondergaan van de omgeving van Awimelech. Omdat Sara zwanger raakte vlak na haar vertrek uit het paleis van Awimelech, had ze wellicht gedacht aan de koning der Filistijnen, hetgeen een bepaalde invloed zou kunnen hebben op de gelaatstrekken van de embryo. Daarom zorgde G’d ervoor dat Jitschak en Awraham als twee druppels water op elkaar leken. Zo werd voor eens en voor altijd iedereen duidelijk, dat Sara chas wesjalom zelfs niet eens gedacht had aan Awimelech.

“En de kinderen vochten in haar binnenste” (25:22). Toen Rivka langs de deuren van de Tora-instituten van Sjeem en Ewer liep, probeerde Ja’akov naar buiten te komen. Maar wanneer ze langs afgodentempels kwam, probeerde Esau naar buiten te komen. Rivka maakte zich ernstig zorgen dat ze een kind droeg dat op twee gedachten hinkte. Ze vreesde een kind in zich te dragen dat zowel de Tora-instituten als de afgodentempels zou bezoeken. Zowel G’d als de Ba’al dienen wordt door de profeet Elijahoe als `hinken op twee gedachten’ verworpen. Schijnheiligheid staat in het Jodendom nog lager aangeschreven dan afvalligheid. Rivka werd gerustgesteld door de mededeling van HaSjeem, dat zij niet één kind maar een tweeling in haar buik had, waarvan één neigde naar afgoderij en de andere naar Tora-lernen. Een schrale troost maar niettemin voelde zij zich gerustgesteld doordat zij geen gespleten persoonlijkheid in zich droeg.

“Twee ‘ge’iem’ volkeren (voornamen) zitten in uw buik” (25:23). In de Talmoed (B.T. Awoda Zara 11a) wordt uitgelegd, dat deze twee ‘voornamen’, de Edomiet (Romein) Antoninus en Rabbi Jehoeda Hanassi – de redacteur van de Misjna – waren, op wiens tafel het nooit aan radijs en latuw ontbrak, noch in de zomer, noch in de winter. Beiden waren erg rijk. De Talmoed wil hiermee duidelijk maken, dat hoewel Esau deze materiele wereld zou erven en Ja’akov de Toekomstige Wereld, zij niet noodzakelijkerwijs altijd tegenover elkaar zouden staan. Soms zou het mogelijk zijn, dat Ja’akov ook zou delen in de zegeningen van deze wereld. Uiteindelijk gaat het om de kawwana, de bedoeling bij het gebruik van de materie. Esau wendde zijn aardse zegeningen voornamelijk aan voor zijn passies terwijl Ja’akov al het fysieke in het teken van het Hemelse probeerde te stellen. Rabbi Jehoeda Hanassi deelde in dezelfde rijkdom als Antoninus maar hij wendde zijn vermogen aan voor hogere doelen. Vlak voor zijn overlijden stak hij zijn vinger op naar de Hemel en verklaarde, dat hij nog nooit genoten had van deze wereld, zelfs niet met zijn pink.

“En twee volkeren zullen zich uit jouw ingewanden afscheiden” (25:23). Rasjie legt uit dat de wegen van Ja’akov en Esau zich direct na de geboorte zouden scheiden, Esau ten slechte en Ja’akov ten goede. Waarom hadden Tsaddiekiem als onze Aartsvaders Awraham en Jitschak kinderen als Esau en Jisjmaëel? De Zohar (mystiekleer) geeft aan, dat de kracht van de sitra achra en toema (onzuivere, occulte krachten) sterker wordt naarmate het meer chajoet – levenskracht van kedoesja (heiligheid) kan trekken. Awraham en Jitschak waren de inspiratiebronnen van wijding aan het Hemelse erfgoed. Kedoesja (heiligheid) waarde via hen door de wereld. Daarom werden dawke (juist) bij hen kinderen geboren, die de lijn van kedoesja weigerden te volgen en toema aantrokken. Elke actie roept een reactie op. Met de kedoesja van onze Awot is Klal Jisraëel opgebouwd. Dit roept natuurlijk tegenkrachten op; dat verklaart waarom er toema in de wereld is. Hoe meer kedoesja, hoe meer toema gegenereerd wordt om goed en kwaad in evenwicht te houden zodat de vrije wil gewaarborgd blijft. Ze le’oemat ze asa eloekiem – G’d schiep kedoesja en toema – in gelijke proporties om de mens de vrije keus te laten. Hoe groter de jetser tov – de neiging tot verheffing, hoe sterker de jetser hara, de aardse verlangens.

“Geef me alsjeblieft wat te eten van dat rode” (25:30). De Hebreeuwse verwoording van de frase “geef me wat te eten” duidt erop dat Esau tegen zijn zin at. Waarom vroeg Esau geen behoorlijke se’oeda (maaltijd) met vlees en wijn? Bovendien is het vreemd dat Ja’akov dat eerstgeboorterecht lijkt te kopen voor linzen, die hem helemaal niet toebehoren, maar aan zijn vader en moeder. Hoe kan men nou een eerstgeboorterecht verkopen?

Waarschijnlijk wordt hier met de verkoop van het eerstgeboorterecht bedoeld, dat Esau iedere vorm van roechnioet (spiritualiteit) schuwde en dat overdroeg aan Ja’akov. In ruil daarvoor wilde hij alle gasjmioet (materie) van deze wereld. Vlak voor de ‘deal’ tussen Ja’akov en Esau was Awraham gestorven. Ja’akov maakte een gerecht van linzen om zijn vader Jitschak een eerste se’oedat hawra’a (versterkingsmaaltijd) aan te bieden na het overlijden met linzen die lijken op iets ronds, dat draait. Ja’akov gaf daarmee een hint aan zijn vader Jitschak. Net zoals de linze rond is, draait de rouw als een rad door de wereld. Maar Esau hechtte geen enkel geloof aan de G’ddelijke voorzienigheid en had geen vertrouwen in de Toekomstige Wereld. Esau weigerde eigenlijk deze linzen te eten in de rouwtijd, omdat hij daarmee zou aangeven dat hij wel geloofde in de eeuwigheid van de ziel en de Toekomstige wereld. Esau moest deze linzen uiteindelijk wel eten, omdat er niets anders in huis was.

Toen Ja’akov zag dat Esau de linzen, als teken van rouw voor het teloorgaan van de spirituele boodschap van Awraham minachtte, überhaupt weinig gevoel had voor geestelijke en religieuze zaken en zeker niet geloofde in de eeuwigheid van de ziel, vroeg hij hem dat eerstgeboorterecht te verkopen. Dit betekende dat Esau aan Ja’akov het recht om de offers te brengen overdroeg. Daarop antwoordde Esau: ”Zie ik ga spoedig sterven, waar heb ik het eerstgeboorterecht voor nodig?”. Esau meende dat hij zou sterven en dat er geen toekomstige wereld was (chas wesjalom).

Hij voelde niets voor geestelijke en niets voor religieuze zaken. In plaats daarvan wilde hij het `recht’ om ongebreideld over onze aardse materiele wereld te heersen en er ongebreideld van te genieten: “en hij minachtte het eerstgeboorterecht, omdat hij het niks waard achtte en daarom verkocht hij het aan Ja’akov”. De linzensoep was niet de prijs voor het eerstgeboorterecht omdat Ja’akov iets later zegt: “verkoop mij vandaag het eerstgeboorterecht wat u toehoort”. Er wordt niet duidelijk bij gezegd dat het eerstgeboorterecht in plaats van de linzen wordt verkocht. Ja’akov bood Esau een grote som geld voor het eerstgeboorterecht. De linzen waren alleen maar een soort `zakendiner’ of getuigenis voor de geldigheid van de verkoop. De linzen waren misschien de aanleiding voor Esau om zijn eerstgeboorterecht te verkopen maar absoluut niet de prijs voor de verkoop.

Toen Ja’akov later de beracha (zegen) verkreeg, was het duidelijk dat Esau niet kwaad kon zijn omdat Ja’akov hem bedrogen had. Maar toen Jitschak aan Ja’akov ook aardse en materiele zegeningen meegaf, werd Esau kwaad en meende hij, dat hij bedrogen was, want hij had juist van Ja’akov ‘deze wereld’ gekocht in ruil voor het eerstgeboorterecht (offerrecht). Esau was kwaad omdat Ja’akov ook deze wereld van hem dreigde af te nemen. Maar dat was nooit onderdeel van de deal geweest…

Levie, 26:6-12. Awimelech, koning van de Filistijnen toont belangstelling voor Riwka.

3e alija, 26:13-22. Jitschak wordt gezegend en graaft putten die de Filistijnen verstopt hadden.

4e alija, 26:23-29. Jitschak sluit een verdrag met de Filistijnen.

5e alija, 26:30-27:27. Ja’akov ontfutselt Esau de zegen van Jitschak.

“En het was toen Jitschak oud werd” (27:1). Jitschak verzocht G’d om jisoeriem (tuchtigingen en pijnigingen). Jitschak zei tegen G’d: “Heer der wereld, wanneer iemand sterft zonder geleden te hebben, dan zal hij in de Toekomstige Wereld geconfronteerd worden met een uiterst harde berechting. Maar zodra iemand op deze wereld problemen en pijn heeft ondervonden, is het oordeel niet zo streng in de Wereld der Waarheid”. Toen zei G’d tegen hem: “Bij jouw leven, je hebt een goede zaak gevraagd en met jou zal ik beginnen”. Vanaf het begin van Bereesjiet tot de blindheid van Jitschak staan geen pijnigingen beschreven. Toen Jitschak oud werd gaf G’d hem jisoeriem doordat hij blind werd.

Tsaddikiem willen jisoeriem in deze wereld om kappara (verzoening) te krijgen voor hun awerot (overtredingen) teneinde onbezoedeld de Olam Haba te betreden. G’d voldeed aan zijn verzoek en de kracht om jisoeriem te weerstaan hebben wij geërfd van Jitschak. Daarom wilde Jitschak Ja’akov eigenlijk alleen maar zegenen met berachot voor de spirituele wereld, hetgeen een bepaalde strengheid en hardheid inhoudt. Jitschak was niet zozeer bezig met het lijden in deze wereld maar meer met het ongeschonden bereiken van de Toekomstige Wereld. Het was Riwka, die er via een list in slaagde te bewerkstellingen, dat Ja’akov ook deze wereld zou krijgen en de materiele omgeving zou gebruiken om te komen tot een verheven spiritualiteit.

“Ja’akov kwam dichter bij Jitschak, zijn vader, deze raakte hem aan en zei: ‘De stem is de stem van Ja’akov, maar de handen zijn van Esav’” (27:22): Ja’akovs macht zit in zijn stem maar Esav gebruikt zijn handen om macht uit te oefenen. Rabbi Pinchas geeft een andere interpretatie van “de stem is de stem van Ja’akov”: wanneer de stem van Ja’akov niet gehoord wordt dan “zijn de handen van Esav”: Hij wordt gemaand te komen om Israël aan te vallen. Maar wanneer Ja’akov met heldere stem spreekt, zijn de handen van Esav machteloos.

Rabbi Abba ben Kahana zei: De grootste filosofen uit de geschiedenis waren Bile’am, zoon van Be’or en Abnomos van Gadara. Alle heidenen verzamelden bij Abnomos en vroegen hem: ‘Denkt u dat wij dit (Joodse) volk kunnen onderdrukken?’ ‘Ga naar hun synagogen en scholen,’ antwoordde hij, ‘en als je daar kinderen met luider stem aantreft, kan je hen niet onderdrukken; zo niet, dan zal het zeker lukken want zo hebben hen voorouders reeds gesproken: “De stem is de stem van Ja’akov”: wanneer de stem van Ja’akov helder klinkt in de synagogen en scholen heeft Esav geen handen en geen macht.

“Toen hij dichterbij kwam en hem kuste en hij de geur van zijn kleren rook, zegende hij hem” (27:27). Rabbi Jochanan zei hierover in de Midrasj: niets heeft een viezer geur dan verse geitenhuiden en toch staat er dat toen Jitschak de geur van zijn kleding rook hij hem zegende! Het is echter zo dat toen Ja’akov binnenkwam bij zijn vader de geur van Gan Eden met hem meekwam. Dit is de betekenis van de vers: “Zie de geur van mijn mijn zoon is als de geur van het veld dat G’d heeft gezegend”; maar toen Esav bij zijn vader kwam, nam hij de geur van Gehinnom met zich mee. Daarom schrok Jitschak vreselijk toen hij ontdekte dat het Esav was die voor hem stond.

6e alija, 27:28-28:4. Toen Jitschak Ja’akov had gezegend kwam Esau terug van de jacht. Jitschak merkt dat hij de verkeerde zegende. Ja’akov vlucht naar Lawan in Charan.

“G’d geve je van de dauw van de aarde” (27:28). Er staat geschreven: ‘Mijn wortel is uitgespreid tot aan de wateren’ (Job 29:19). Job zei dat – omdat zijn deur altijd voor gasten openstond – het gebeurde dat, terwijl iedereen dorre velden oogstte, hij een sappige oogst had. Wat is daarvan het bewijs? ‘Mijn wortel is uitgespreid tot de wateren en de dauw lag de hele nacht op mijn tak. In dezelfde trant zei Ja’akov: ‘Omdat ik mijzelf bezig houdt met het bestuderen van Tora, die wordt vergeleken met water, was ik bevoorrecht om gezegend te worden met dauw, zoals hierboven geschreven staat.’

Het dauw verwijst ook naar het manna dat in de woestijn naar beneden kwam en dat tussen twee lagen dauw lag om het Joodse volk te voeden tijdens hun 40 jarige tocht door de woestijn. Dit is de reden dat wij op Sjabbat de challes bedekken, om te herinneren aan de dauw die in de woestijn op het manna lag.

“Volkeren zullen je dienen en natiën zich voor je buigen” (27:29). Dit verwijst naar de kinderen van Jisjma’eel en Ketoera, terwijl “wees heerser over je broeders” verwijst naar Esav en zijn aanvoerders.

“Die je vloeken zijn gevloekt en die je zegenen, gezegend”. Elders staat het andersom geschreven: “Gezegend zal iedereen zijn die jou zegent en vervloekt ieder die jou vervloekt” (Bemidbar 27: 29). De reden van dit verschil is dat Bile’am, als vijand, begint met een zegening en eindigt met een vloek omdat iemand met kwaad in de zin graag begint met iets zoets zodat de bittere smaak van de vloek daarna nog lang blijft hangen. Bij Jitschak is het andersom. Hij begint met een vloek en eindigt met een zegening. Uit liefde voor zijn zoon begint hij met de vervloeking van de vijanden om de zegening langer te laten weerklinken.

7e alija, 28:5-9. Toen Esau zag dat Kenaänitsche meisjes geen gunst vonden in de ogen van zijn ouders, trouwde hij met Machalat, de dochter van Jisjmaeel

“Toen ging Esau naar Jisjmaeel en trouwde Machalat” (28:9). Namen hebben in de Tora vaak een extra betekenis. Betekende het huwelijk van Esau met Machalat nu een versterking of uiteindelijk een verzwakking van zijn religieuze identiteit?

Hierover bestaat een meningsverschil in de Midrasj. Volgens Rabbi Jehosjoe’a ben Levi beoogde Esau een verhoging van zijn religieuze niveau en kreeg hij dat ook. Maar volgens Rabbi Eliezer verzwakte dit huwelijk zijn geestelijke aspiraties. De Tora geeft dit aan in een hint in de naam van Esau’s nieuwe echtgenote. Machalat kan van de werkwoordsstam `vergeven’ komen. Dan houdt dit in, dat al Esau’s awerot (overtredingen) hem vergeven werden. Maar wanneer we Machalat van de stam `verzwakken’ afleiden, betekent dit, dat zijn huwelijk met Machalat wellicht wel goed was in de ogen van zijn vader Jitschak (“Toen zag Esau, dat de dochters van Kena’an slecht waren in de ogen van Jitschak, zijn vader” (28:8) maar toch niet bijdroeg aan de verheffing van zijn spirituele niveau omdat de juiste intenties ontbraken. Dit verschil in inzicht komt tot uiting in een meningsverschil tussen de `ba’alee keria’ – de Tora-voorlezers. Sommigen lezen Machalat met een kamats (lange a- of o-klank) en dan komt het van de stam `vergeven’. Anderen lezen het met een patach (korte a) en dan zou het van de stam verzwakken komen.

לעילוי נשמת
מרת שרה ב״ר שמואל דע יאנג, ז״ל
נפטרה ג׳ כסלו תשס״ה
אמסטרדם

Reacties zijn gesloten.