CHAJEE SARA (het leven van Sara). Sara sterft op de leeftijd van 127 jaar. Awraham rouwt over haar en wil haar begraven in de spelonk Machpela. Maar die is in het bezit van Efron, een Chitiet. Awrahams koopt deze. Daarna draagt Awraham zijn trouwe knecht op een goede vrouw voor Jitschak te zoeken maar geen Kena’anietische. De knecht zweert dat hij uit de familie van Awraham een vrouw zal zoeken, waartoe hij naar Aram Naharajiem reist. Hij heeft grote geschenken meegenomen. Onderweg vraagt de knecht G’d dringend hem een bepaald teken –dat hij zelf vaststelt- te geven wanneer de juiste vrouw opdoemt. De knecht arriveert bij een bron als ook Rivka verschijnt en hem op zijn verzoek te drinken geeft en ook de kamelen drenkt. Dat is precies waar de knecht G’d om gevraagd had! De knecht wordt ontvangen in het ouderlijke huis van Rivka, waar hij zijn verhaal vertelt. Na enige tijd wordt men het erover eens dat Rivka, na ook haar instemming gevraagd te hebben, met de knecht naar Jitschak meegaat. Jitschak en Rivka trouwen. Hij bemint haar en troost zich over de dood van zijn moeder. Awraham hertrouwt met Ketoera, die zes kinderen krijgt, maar Awraham zendt hen allemaal –met geschenken- weg. Awraham sterft op de leeftijd van 175 jaar. Hij werd door Jisjmaëel en Jitschak in de spelonk Machpela begraven.
“En de leeftijd van Sara was: 127 jaar; dit waren de levensjaren van Sara” (23:1).
“De zon gaat ook op, maar ook weer onder” (Prediker 1:5). Rabbi Abba vraagt zich bij deze pasoek af dat toch iedereen geacht wordt te weten dat de zon opgaat en ook weer ondergaat. Rabbi Abba komt tot de conclusie dat dit vers (pasoek) ziet op de leiders in iedere generatie. Een leider wordt als energiebron van kedoesja (heiligheid) gezien. Constant moeten er tsaddikiem (religieuze leiders) aanwezig zijn binnen het Joodse volk. Daarom worden hun levensdagen zo precies geteld. De boodschap van deze pasoek is dan dat wanneer de ene tsaddiek (toegewijde leider) sterft, de andere opkomt. Op de dag dat Rabbi Akiva stierf werd Rabbi Jehoeda geboren. Op de dag dat Rabbi Jehoeda stierf werd Rabbi Ada bar Ahava geboren en toen deze laatste stierf werd Rabbi Avin geboren en zo gaat het in iedere generatie door.
“En Sara stierf in Kirjat-Arba, dit is Chevron” (23:2).
De stad had eigenlijk vier namen, Esjkol, Mamree, Kirjat-Arba en Chevron. Waarom heette de stad Kirjat-Arba? Omdat er vier tzaddikiem in woonden: Aneer, Esjkol, Mamree en Avraham. Zij werden alle vier daar besneden. Ook wordt Kirjat-Arba (letterlijk “de stad van vier”) zo genoemd met het oog op het feit dat daar Adam, Avraham, Jitschak en Ja’akov begraven werden. Ook vier aartsmoeders werden daar begraven: Eva, Sara, Rivka en Lea. Maar het kan ook zijn dat de stad zo genoemd werd met het oog op de vier heersers aldaar: Anak en zijn drie zonen (vergelijk Numeri 13:22). Geen naam is zonder betekenis in Tenach!
“En Avraham kwam om Sara te bewenen” (23:2).
Waar kwam hij vandaan? Volgens Rabbi Levi kwam Avraham van de begrafenis van zijn vader Terach en ging hij direct door naar de begrafenis van zijn vrouw Sara. Maar Rabbi Jose meent dat Terach al twee jaar eerder begraven was. Terach was 70 jaar oud toen Avraham geboren werd (Bereesjiet 11:26) en hij leefde 205 jaar (11:32). Avraham was dus 135 toen Terach stierf. Bij het overlijden van Sara moet hij 137 jaar oud zijn geweest omdat hij tien jaar ouder was dan zij (17:17). Avraham kwam van de berg Moria. Sara stierf van schrik en verdriet over het feit dat ze dacht dat Jitschak geofferd werd. Dit verklaart de opeenvolging van de akedat Jitschak en het overlijden van Sara.
“Zo ging het veld van Efron over (letterlijk: stond het veld op)…” (23:17).
Het veld van Efron was niets bijzonders maar nu steeg het in aanzien omdat het ging behoren bij een man van groot aanzien. “…dat in Machpela was” lijkt een overbodige mededeling maar is dit niet. Het leert ons dat de waarde ervan verdubbelde doordat het aan Avraham ging behoren. Waarvandaan weten wij, vraagt Rabbi, dat iemand die een veld verkoopt heel goed aan moet geven wat daarvan de opvallende kenmerken zijn (waarmee de grenzen worden aangegeven)? Uit deze pasoek: “Het veld en de spelonk erin en al het geboomte dat op het veld en dat om het hele gebied is, kwam op Avrahams naam te staan als koop, in aanwezigheid van de zonen van Chet” (23:17). Duidelijkheid in onze handel en wandel is een groot goed volgens de Tora.
Rabbi Elazar zei: hoeveel inkt wordt hier niet verschreven en hoeveel pennen zijn er niet gebroken om “de zonen van Chet” te schrijven? Deze term wordt zelfs tien keer herhaald! Deze tien maal komen overeen met de Tien Geboden. Het leert ons dat wanneer men een tsaddiek helpt bij zijn aardse beslommeringen het is alsof men de Tien Geboden heeft uitgevoerd.
“Avraham was oud en op jaren gekomen” (24:1).
Er staat in Spreuken 16:31 “Een grijs hoofd is een sierlijke kroon, zij wordt aangetroffen op de weg van de rechtvaardigheid”. Rabbi Meir ging een keer naar Mamla en zag dat de mensen daar allemaal zwart haar hadden. Niemand was grijs. Hij vroeg hen: “Van welke familie komen jullie? Komen jullie misschien uit de familie van Eli, over wie er geschreven staat: ‘En alle kinderen uit uw huis zullen sterven als jonge mensen’ (I Samuel 2:33)?”. “Davven voor ons, Rebbe” vroegen zij hem. “Ga heen en doe recht en liefdadigheid; zo zullen jullie oud worden” zei hij hen. Wat is het bewijs? “Een grijs hoofd is een glansrijke kroon en wordt aangetroffen op de weg van de rechtvaardigheid”. Van wie leren wij dat? Van Avraham omdat over hem geschreven staat dat hij leert om “de weg van de Eeuwige te houden door liefdadigheid en recht te beoefenen” (Bereesjiet 18:19) en “Avraham was oud”(24:1).
“G’d had Avraham gezegend in alles” (24:1).
Rabbi Jehoeda zei dat dit betekent dat G’d hem een dochter schonk maar Rabbi Nechemja zei tegen hem: “dan zou zij in het centrum van de belangstelling in het huis van Avraham hebben gestaan maar er wordt niets over haar vermeld!”. Rabbi Levi zei dat het betekent dat Avraham in drie opzichten werd gezegend: Hij was de baas over zijn kwade neiging, Jisjma’eel deed tesjoeva, en in zijn opslagplaats ontbrak het aan niets. Rabbi Levi zei in naam van Rabbi Chama bar Chanina dat het betekent dat G’d hem niet nóg een keer getest heeft.
“Die over alles wat van hem was het beheer voerde” (24:2) betekent dat hij controle had over al zijn passies, net als Avraham. “Leg toch uw hand onder mijn heup”. Rabbi Berechja zei dat Eliezer zwoer bij de briet mila omdat de briet mila Avraham gegeven was met pijn en lijden. Daarom was het hem dierbaar en werd er bij gezworen.
“Dat je voor mijn zoon geen vrouw zult nemen van de dochters van de Kena’anieten” (24:3.). Hij waarschuwde hem zelfs voor de dochters van Aneer, Esjkol en Mamree (Avrahams bondgenoten). “Maar je zal teruggaan naar mijn land en mijn geboorteplaats” (24:4). Rabbi Jitschak becommentarieerde dat zelfs als het graan uit je eigen plaats slecht is, je daarmee moet zaaien. De familie-genen of familie-achtergrond was kennelijk bijzonder belangrijk voor de religieuze atmosfeer in het huis van Jitschak.
Eliëzer gaat op zoek naar een vrouw voor Jitschak. Gebruiken bij de huwelijkssluiting hebben vaak een diepe betekenis, die ook uit deze Tora-passage worden afgeleid.
Unterführers (begeleiders onder de choepa)
Het begeleiden van chatan en kalla door unterführers wordt in traktaat Berachot (61) afgeleid uit Genesis 2:22 ‘en toen bouwde G’d de rib die hij van Adam had genomen uit tot een vrouw en Hij bracht haar tot de mens’. Hierop verklaarde Rabbi Jeremia ben Elazar, dat dit leert dat G’d Chawa (Eva) tot Adam begeleidde. In de midrasj wordt dit als volgt uitgelegd: “G’d maakte Eva op en droeg haar over aan de dienstdoende Engelen om haar tot Adam te brengen, zoals de unterführers tegenwoordig de kalla onder de choepa begeleiden”.
Het begeleiden van chatan en kalla met muziek-instrumenten
Volgens de midrasj-verzameling `Otiot van Rabbi Akiwa’ bracht G’d Eva tezamen met tienduizenden Engelen naar de eerste mens onder gejubel en gezang. Heel de Hemelse familie daalde met hen af naar Gan Eden (het Paradijs). De Engelen hadden muziekinstrumenten, luiten, cymbalen en harpen bij zich om voor hen te spelen. De begeleiding van de chatan onder de choepa is een herbeleving van het gebeurde bij de berg Sinaï toen G’d de joden als volk aanvaardde. Bij Matan Tora daalde Hij met tweeëntwintigduizend Engelen af op aarde.
Kaarsen en fakkels
De gewoonte om kaarsen en fakkels aan te steken is oud. Sporen hiervan vinden wij reeds in de Profeet Jeremia (25:10): “Het geluid van vreugde, het geluid van blijdschap, het geluid van de chatan en de kalla, het geluid van een molen vuur en licht”. Volgens de Otsar Ge’oniem hanteerden de joden deze tekenen in tijden van geloofsvervolging en gevaar: wanneer er een briet mila (besnijdenis) was, liet men het geluid van een molen horen en iedereen die dit hoorde begreep, dat er een briet mila plaatsvond. Wanneer er een feest voor een choepa werd gehouden, stak men kaarsen aan en iedereen die dat zag begreep dat er een bruidsmaaltijd gehouden werd”. De gewoonte om bruid en bruidegom onder de choepa te begeleiden met kaarsen en fakkels is tevens een herinnering aan de Matan Tora (de Wetgeving op de Sinai) : “En het hele volk zag de geluiden en de vlammen” (Sjemot 20:15).
De chatan wordt eerst onder de choepa gevoerd ter herinnering aan de situatie bij de Torawetgeving op de berg Sinaï. Ook toen was G’s als eerste aanwezig voordat het joodse volk arriveerde aan de voet van de berg, zoals er geschreven staat: “G’d kwam van de Sinaï” (Dewariem 33:2). G’d ging het joodse volk tegemoet zoals een bruidgom zijn bruid tegemoet gaat.
Choepa
Weinig is bekend over hoe men vroeger de choepa inrichtte. In verschillende kringen was het gebruikelijk om de huwelijksbaldakijn als een soort tent in te richten, hetgeen ook diende als cheder jichoed (afzonderingsruimte) voor chatan en kalla op de dag van hun bruiloft. Onder dit baldakijn stond een sierbed of een prachtig versierde stoel waarop de kalla werd neergezet. Daar vandaan werd ze naar het huis van haar man gebracht.
De Babylonische Talmoed (Gittien 57a) vertelt over de gewoonten in de stad Betar. Wanneer daar een jongetje geboren werd, werd er een cederboom geplant en wanneer er een meisje geboren werd, werd er een sjitaboom geplant. Bij de choepa werden beide bomen omgehakt en van dat hout werd een choepa gemaakt.
Waarschijnlijk bestonden er vroeger veel verschillende vormen van baldakijnen met ieder hun eigen symboliek. Dit verschilde per kehilla (joodse gemeente) en periode. Vanaf de 16e eeuw is er waarschijnlijk meer eenheid ontstaan in de vorm van de choepa, zoals wij die vandaag de dag kennen. Rabbi Mosje Isserles (1520-1577) omschrijft het als volgt: “De bekendste minhag (gewoonte) is om tegenwoordig de choepa te noemen de plaats waar men een doek uitspreidt op palen waaronder de chatan en de kalla staan en de berachot (zegenspreuken) worden uitgesproken.
De choepa onder de blote hemel
Rabbi Mosje Isserles is tevens van mening dat de choepa onder de blote hemel moet worden opgesteld (en niet in sjoel) als een teken dat de kinderen, die voortkomen uit dit huwelijk zich mogen vermeerderen als de sterren des hemels. In zijn responsa vertelt de Chatam Sofeer dat deze minhag ingesteld is door de Tosafisten, Rasji (1040-1105) en zijn leerlingen. De bedoeling was dat de chatan en kalla hierdoor de beracha van Awraham, onze eerste aartsvader, deelachtig zouden worden. G’d “voerde hem naar buiten en zei ‘Kijk toch naar de hemel en tel de sterren als je dat kunt’. En toen zei Hij tegen hem ‘zo zullen jouw nakomelingen zijn’” (Bereesjiet 15:5). De choepa onder de blote hemel wordt dus afgeleid uit het zinsnede: “En Hij voerde hem (Awraham) naar buiten”.
Overleden voorouders komen uit Gan Eden (het paradijs) om deel te nemen aan de vreugde. In het werk Zohar (de mystiekleer, afdeling Pinchas) wordt afgeleid uit Psalm 149:2: “Moge Israël zich verheugen over zijn makers” dat wanneer iemand een simche, een hoogtepunt in het leven meemaakt, G’d naar Gan Eden gaat en daar zijn vader en zijn moeder haalt om ze te laten deelnemen aan deze aardse simche. De tekst van de Zohar luidt als volgt: “Alhoewel zijn vader en zijn moeder gestorven zijn, is bij de vreugde iedereen die hier deel aan heeft aanwezig, zoals we geleerd hebben: ‘wanneer de mens G’d in zijn vreugde betrekt gaat G’d naar Gan Eden en haalt daar de vader en de moeder van degene die simche maakt en brengt hen met Hem mee naar de vreugde’, de mensheid weet hier niet van”. Volgens de traditie komen tot drie generaties terug – ouders, grootouders en overgrootouders – om deel te nemen aan de simche. Of er nog vroegere voorouders deel nemen aan de vreugde is afhankelijk van de persoonlijke verdiensten van de deelnemers.
Rondjes om de chatan (hakafot)_een buitenlands gebruik
In verschillende minhagiemwerken wordt het vers (Jeremia 31:21): “Een vrouw zal rond de man draaien” gezien als bron voor de minhag, dat de kalla drie of zeven keer om de chatan heen loopt. De profeet vertelt troostend dat de ‘maagd Israëls’ bevrijd zal worden en zich weer volledig zal overgeven aan
G’d. Zo ook is het in de intermenselijke relatie. De man zoekt zijn vrouw omdat dat ‘de gewoonte van de wereld’ is: “De man zoekt een vrouw en de vrouw zoekt over het algemeen geen man omdat de vrouw het ‘verloren voorwerp’ is van de man”. Maar na het huwelijk laat de vrouw duidelijk zien dat zij haar toekomstige echtgenoot omringt.
Volgens de Zohar (mystiekleer) symboliseert de vrouw, die met licht rond haar man loopt, het Or Makief, het aura dat de mens omringt vanaf het moment dat men getrouwd is. De Belzer Rebbe placht te zeggen dat de zeven rondjes die de kalla rond haar chatan loopt onder de choepa het bouwen van een muur symboliseert. De vrouw beschermt haar man tegen allerlei aantastingen van zijn heiligheid. Zo zeggen ook onze Wijzen: “Iedereen die ongetrouwd is als zonder muur” (B.T. Jewamot 62b).
De ring
In de Talmoed wordt de gewoonte om een ring te overhandigen niet vermeld. Waarschijnlijk stamt dit uit de tijd van de Ge’oniem (750-1000). Een ring symboliseert een verbintenis. Een ring wordt gebruikt om twee aparte eenheden aan elkaar te klinken. We vinden dit ook in de Tabernakel terug. Verschillende onderdelen van het Heiligdom werden aan elkaar verbonden door middel van ringen. Ieder echtpaar vormt een nieuwe ring in de keten van de generaties.
Toen Pharao zijn ring aan Joseef gaf, gaf hij daarmee te kennen dat hij de autoriteit over zijn huis overdroeg: “Toen verwijderde Pharao zijn ring van zijn hand en hij gaf hem aan Joseef” (Bereesjiet 41: 42). De ring symboliseert dat de man tegen de vrouw zegt dat hij haar aanstelt over zijn huishouden. Het is gebruikelijk om met een ring zonder steen te trouwen. Dit herinnert ons aan de vers: “Ik zal het stenen hart uit uw lichaam verwijderen en u een vlezen (medelijdend) hart geven”.
Het breken van het glas
Na het lezen van de ketoewa (de huwelijksakte) en de zeven berachot – zegenspreuken breekt de chatan een glas. Dit gebruik werd reeds in de Talmoed vermeld (B.T. Berachot 30b) en wordt verbonden met de vers ‘dient G’d met ontzag en jubelt in vreze’ (Psalmen 2:11). De Talmoed vraagt naar aanleiding van deze psalmvers: “Wat betekent jubelt in vreze”? Rav Ada bar Matna stelt dan in naam van Rav dat daar waar gejubel is ook vreze G’ds moet zijn. In datzelfde verband vertelt de Talmoed dat Mar, de zoon van Rawina, eens een chatoena (bruiloftsmaaltijd) maakte voor zijn zoon. Toen hij zag dat de Geleerden te vrolijk werden, gooide hij een dure beker kapot, die 400 zoez waard was. Hierop raakten zij enigszins ontsteld en dat dempte de feestvreugde. Het glas wordt gebroken ter herinnering aan de verwoesting van de Tempel en de gevallen toestand van Jeruzalem.
