Parsja 03 Lech lecha

LECH LECHA (ga (voor jezelf)). G’d beveelt Awram zijn geboortegrond te verlaten om naar een onbekend land te trekken. Hij neemt vrouw, familieleden en personeel mee. G’d belooft hem tot een groot volk te maken. Wegens een hongersnood daalt hij af naar Egypte, waar hij zijn vrouw Sarai verzoekt voor zijn zuster door te gaan opdat hij niet vermoord zal worden door de Egyptenaren. Ze komt aan het hof van de Farao maar G’d zendt ziekten zodat Sarai ongedeerd blijft. Na enige tijd keert Awram met de zijnen terug. Daar er te veel vee is geeft Awram zijn neef Lot de keus waar hij zich zal vestigen. Hij kiest voor de vruchtbare grond richting Sedom. Na een oorlog redt Awram de krijgsgevangen Lot. Awram krijgt een visioen, dat zijn nakomelingen 400 jaar onder een vreemd juk gebukt zullen gaan, maar dat ze rijk aan bezit zullen weerkeren in hun land. Na tien jaar huwelijk heeft Sarai nog geen kinderen. Daarom vraagt ze Awram een kind bij Hagar te verwekken, zodat Sarai uit haar opgebouwd zal worden. Er komt ruzie tussen de vrouwen en Hagar vlucht de woestijn in. De zoon die zij baart heet Jisjmaeel. G’d geeft Awram de opdracht zichzelf en alle mannen en jongens in zijn huis te besnijden. Het is een Verbond tussen G’d en Awrams nakomelingen. Wie nog geboren zal worden, moet met de 8e dag besneden worden. Awram wordt in het vervolg Awram en Sarai Sara. Daarna belooft G’d het echtpaar een zoon, ondanks hun leeftijden: 100 en 90 jaar!

Koheen, (12:1-13) Awram verlaat zijn vaders huis en belandt door hongersnood in Egypte.

G’d stelt dat Awraham zijn omgeving moet verlaten omdat – hoe hij zich ook afzette tegen de afgoderij uit zijn tijd – de invloed ervan hem toch zou treffen. Hoewel Awraham bereid was zijn leven te geven voor het monotheïsme, bleef hij toch kwetsbaar voor kwade invloeden. Hoeveel te meer geldt dit voor ons, die zich in de verste verte niet kunnen meten met Awraham! Om te groeien, moeten wij onze oude posities durven te verlaten. Dat is niet alleen goed voor onszelf maar ook voor onze omgeving. Awrahams besluit heeft de wereldgeschiedenis veranderd. Als we maar bereid zijn onze levensmissie consequent en opofferingsgezind te volgen, zal onze toekomst er stukken beter uitzien.

De openingsvers heeft nog een diepere betekenislaag. Awraham moest zijn hele achtergrond loslaten om de spirituele kwaliteiten van het land Israël te kunnen vatten. Pas wanneer men in staat is zijn materiële aspiraties op te geven, wordt het mogelijk het geestelijke goed van het Heilige Land te vatten en te absorberen. Alleen dan zullen we beseffen waarin Israël anders is dan alle andere landen.

De reis naar Israël was ook een voorwaarde voor de geboorte van Jitschak, onze tweede Aartsvader. Op de vers “en Ik zal je tot een groot volk maken” (12:2) verklaart Rasjie (1040-1105) dat Awraham in zijn geboortestreek geen kinderen zou kunnen krijgen maar alleen in Israël. Dit is geen medisch vruchtbaarheidsrelaas – waarbij overigens onbegrijpelijk zou zijn waarom iemand duizend kilometer verderop opeens wel vruchtbaar zou zijn – maar een aanduiding van het spirituele niveau van de nakomelingen van Awraham. Behalve dat de geboorte van Jitschak uit twee hoogbejaarde ouders al wonderlijk was op zichzelf, kon de geboorte van Jitschak ook alleen in het Heilige Land plaatsvinden. Onze tweede aartsvader was van een dusdanig hoog heiligheidgehalte, dat hij Israël onmogelijk kon verlaten. Dát was er de oorzaak van dat Awraham – wilde hij uitgroeien tot een groot volk – naar het Beloofde Land moest trekken. Een les voor ons: willen we werkelijk leven als Joden, dan rest ons slechts één land: Erets Jisraëel!

Eigen `kiroev-programma’

Sarai en Avram verschijnen ten tonele. De Talmoed stelt, dat Sarai en Avram ieder hun eigen `kiroev-programma’ hadden om iedereen naderbij het monotheïsme te brengen. Sarai bekeerde de vrouwen en Avram de mannen. Religie verdraagt kennelijk geen gemengde groepen. Waarom niet?

Van verschillende zijden wordt kritiek geuit op het scheiden van mannen en vrouwen tijdens het gemeenschappelijke gebed. In deze tijd van emancipatie wordt het als discriminatoir ervaren. Binnen de christelijke kerk is een scheiding tussen de sexen gedurende de dienst onbekend.

Het historische argument, dat de mechietsa een uiting zou zijn van aanpassing aan de overheersende islamitische cultuur is onjuist. Verschillende klassieke schrijvers, zoals Flavius Josephus (38-100), maken reeds melding van gescheiden zitten in de periode van de tweede Tempel. Aparte afdelingen worden reeds in de Misjna (de Mondelinge Traditie, geredigeerd omstreeks 200) en de Talmoed (geredigeerd circa 500) vermeld. Hetzelfde moet dan gelden voor de inrichting van de synagoge, die als een miniatuur-Tempel beschouwd wordt in de klassieke joodse bronnen.

De mechietsa heeft dus een duidelijk joodse oorsprong. Niet het instellen doch juist het afschaffen van de mechietsa is navolging van gebruiken en zeden uit onze omgeving. Het jodendom is zo puur gebleven dankzij het bewustzijn dat het in religieus opzicht onafhankelijk is van opvattingen uit de omringende wereld. Imitatie van gewoonten uit andere gezindten duidt op inferioriteitsgevoelens. Superioriteitsgevoelens ten opzichte van anderen zijn het jodendom vreemd; de eigen identiteit en opvattingen moeten echter als een kostbaar kleinood gekoesterd worden.

Dat gescheiden zitten een uiting zou zijn van de inferieure positie van de vrouw binnen het jodendom acht ik een aanvechtbare stelling. De joodse traditie erkent de gelijkwaardigheid van man en vrouw. Maar gelijkwaardigheid betekent niet automatisch functionele gelijkheid. Rechtsgelijkheid is niet per se functiegelijkheid.
 
Vanuit het christendom wordt gepropageerd, dat `families that pray together stay together’, samen bidden leidt tot grotere gezinssaamhorigheid. Het jodendom gaat er echter vanuit dat een stabiel gezinsleven thuis moet worden opgebouwd. De synagoge is de arena voor de relatie met God. De joodse opvatting omtrent davvenen – bidden – komt naar voren in de vertaling van het woord tefilla – gebed. Tefilla betekent onder andere `zichzelf beoordelen’. Wanneer men voor God staat, gaat men zijn wegen na en onderwerpt men zichzelf aan een kritische beschouwing vanuit Gods standpunt. Davvenen heet in de Talmoed `avoda sjebaleev’: het bewerken, openstellen, verfijnen en offeren van het hart.

Deze volledige concentratie op het Opperwezen, het totale bewustzijn van alleen G’d en niets anders, heet in de joodse wet kavvana – concentratie. Zonder kavvana is het gebed een keten holle frasen.

Willen wij in een toestand van volledige kavvana geraken dan dienen wij onze omgeving zo in te richten, dat niets ons hiervan afleidt. Daarom is praten in sjoel niet toegestaan: ook uw buurman heeft recht op een ongestoorde aandacht tijdens de dienst. Directe fysieke aanwezigheid van de andere sexe is een andere aandachtstorende factor. Hoe kan men van de gemiddelde mens verwachten dat deze de aandacht volledig op God concentreert, indien de ogen zich elders richten?

De joodse wet erkent ‘s mensens zwakheden en houdt hier rekening mee. De mechietsa beschermt de mens tegen bewuste of onbewuste interesses buiten het gebed en werkt preventief.

Niet alleen wat wij zien leidt ons af; zelfs een marginaal bewustzijn van de aandacht of aanwezigheid van de andere sexe zorgt voor een wat wufte sfeer. Die kan niet direct oneerbiedig genoemd worden maar toch een gebrek aan serieuze oplettendheid in de hand werken. Een synagoge is een heilige plaats. Heiligheid heeft vele betekenissen maar de grootste gemene deler is wel het verlangen zichzelf te ontstijgen, hoger te reiken.

Levi (12:14-13:4) Farao schaakte Sara. Maar G’d sloeg de Egyptische koning. 3e Alija (13:5-18) Awram en Lot gaan uit elkaar. 4e Alija (14:1-20) Awram behaalt een overwinning op de koningen van het oosten. 5e Alija (14:21- 15:6) Awram wil geen geschenken van Sedoms koning. G’d belooft hem nageslacht. 6e Alija (15:7 – 17:6) G’d sluit met Awram het verbond tusen de stukken en voorspelt ballingschap en Exodus. Sarai geeft Hagar aan Awram. Jisjmaeel word geboren.

Omtrent de duur van de slavernij in Egypte vinden we drie getallen, te weten: 430 jaar; vanaf het verbond tussen de stukken; 400 jaar; vanaf de geboorte van Jitschak; 210 jaar; vanaf de komst van Ja’akov naar Egypte. Een andere verklaring om het verschil tussen de 210 jaar echte slavernij en de 400 jaar beloofde slavernij te verklaren, luidt: G’d zag dat na 400 jaar de Joden volledig geassimileerd zouden zijn. Daarom maakte G’d de slavernij extra hard, over een kortere periode. Eigenlijk was er een langere slavernij gepland maar Hasjeem zag, dat de Joden het niet langer zouden uithouden en volledig zouden assimileren in Egypte.

Aanvankelijk waren de Egyptenaren gastvrij voor de Joden en dat is de reden waarom wij de Egyptenaren niet mogen minachten. De Joden kregen een geestelijke beloning (Tora) en een lichamelijke beloning (grote rijkdommen).Wat was de bedoeling van dat galoet Mitsrajiem (de Egyptische ballingschap)?

De bedoeling was om er een Joods volk van te maken, dat geschikt zou zijn om de Tora te ontvangen Mitsrajiem was a.h.w. de ‘koer habarzel’, de ijzeren smeltoven om de zuivere delen van het afval te scheiden. Zoals in hoogovens erts van aarde wordt gescheiden, zo moet men zich dat ook op spiritueel niveau voorstellen. De ballingschap wordt al gerekend vanaf het moment waarop de ellende werd toegezegd aan Awram. De stress van de voorwetenschap telt ook mee.

7e Alija (17:7 – 27) Op zijn 99e beveelt G’d Awram de besnijdenis te verrichten. G’d belooft een speciale relatie met Awrams afstammelingen.

De kracht van de beriet-mila ligt in zijn helende en verheffende betekenis. De Joodse besnijdenis toont onze innige verbondenheid met HaSjeem (G’d). Jisjmaeel was 13 jaar oud toen hij werd besneden. Jitschak werd besneden op de achtste dag. Dit leidde tot een discussie tussen de twee zonen van Awraham. Jisjmaeel claimde dat hij meer opofferingsgezindheid had voor het geloof dan Jitschak, omdat hij zich vrijwillig had laten besnijden op zijn dertiende. Jitschak ging hierop in en stelde dat hij inderdaad op de achtste dag na zijn geboorte niet kon protesteren maar wanneer G’d zijn hele lichaam zou eisen, hij dit verzoek zonder meer zou willen inwilligen. Volgens de Midrasj vormde deze discussie de inleiding van de Akeda, de offerande van Jitschak.

Bovenverstandelijk

Het verschil tussen de besnijdenis van Jitschak en Jisjmaeel illustreert de diepgang van onze beriet-mila. Jisjmaeel ging het verbond met G’d aan bij zijn volle verstand. Het werd dus een verstandelijke verbintenis. Jitschaks verbond met G’d was van een bovenverstandelijke kwaliteit omdat hij op het moment, dat de besnijdenis aan hem verricht werd, nog niet zelf kon beslissen.

Awraham besneed zichzelf op zijn 99ste. Hij ontving deze mitswa voor de conceptie van Jitschak omdat Hasjeem wilde dat Jitschak vanaf de geboorte heilig zou zijn. De briet-mila had niet alleen invloed op het nageslacht, maar het betekende ook een perfectie voor Awraham. G’d had hem namelijk gezegd dat, zolang hij onbesneden zou zijn, hij niet in religieuze zin `volledig’ zou kunnen worden. Alleen door de besnijdenis zou Awraham zichzelf kunnen verheffen boven de natuurwetten. Twintig generaties heeft G’d gewacht, voordat Hij deze mitswa aan de mensen gaf. Maar Awraham maakte bezwaren, aangezien hij bang was dat de mensen na de besnijdenis niets meer met hem te maken zouden willen hebben. “Daarvoor hoef je niet bang te zijn. Bovendien zal je naam veranderd worden van Awram tot Awraham. Awram betekent “vader van Aram”, maar Awraham betekent vader van vele volkeren. De besnijdenis leidt tot lichamelijke perfectie. De getallenwaarde van de naam Awraham is 248 en het toont dat je alle 248 ledematen van het lichaam beheerst. Je bent de baas over je eigen lichaam en bent in geestelijk opzicht gegroeid.”

Privé of openbaar

Nadat G’d aan Awraham opgedragen had om zich te besnijden ging hij naar zijn leerlingen Aneer, Esjkol en Mamré om hen te raadplegen over dit gebod. Hij wist niet of hij de briet-mila privé of in het openbaar moest uitvoeren. Aneer antwoordde, dat hij zichzelf in het geheim moest besnijden, omdat hij anders wellicht zou worden aangevallen door zijn vijanden, de koningen die Awraham eerder verslagen had. Esjkol adviseerde dat Awraham zich niet moest besnijden omdat dat gevaarlijk was op zijn oude dag en hij misschien zoveel bloed zou verliezen dat hij het niet zou overleven. Mamré zei echter dat hij de briet-mila duidelijk voor het publieke voetlicht moest vervullen. Wij mogen ons niet schamen als wij de mitswot doen! Integendeel, onze trots schuift alle negativiteit in onze omgeving terzijde!

Medisch en spiritueel gaan hand in hand

De briet-mila heeft symboolfunctie: net zoals wij ons fysiek moeten perfectioneren, moeten wij ons ook in spiritueel opzicht doorlopend verbeteren.

De besnijdenis is een religieus gebeuren. Interessant is de samenloop tussen lichaam en geest. Sinds 1985 zijn er vele studies, die wijzen op de verschillende medische voordelen van de briet-mila. Het gaat hier te ver om daar inhoudelijk op in te gaan maar niettemin bevestigt dit een logisch punt. Wanneer G’d, die alles – zowel lichaam als geest – geschapen heeft, een mitswa geeft, is het ondenkbaar dat deze mitswa niet ook in andere opzichten een heilzame werking heeft. Lichaam en geest corresponderen. De achtste dag is overigens het moment waarop de stolling van het bloed optimaal is en genezing zo snel mogelijk plaatsvindt. De besnijdenis vindt plaats op de achtste dag omdat dit aangeeft dat dit een boventijdelijk verbond is met het Opperwezen. Zeven is het getal van de week, de aardse gebeurtenissen. Acht ontstijgt dit enigszins.

Reacties zijn gesloten.