Na Adam was corruptie, afgodendienst en onzedelijkheid gemeengoed. G’d besluit een geweldige vloed over de aarde te brengen waarin elk levend wezen ten onder zal gaan, behalve Noach en de zijnen. Noach krijgt opdracht een grote ark te bouwen voor zijn gezin en ook voor één of meer paren van de dieren, zodat die zich na de vloed weer kunnen voortplanten. De regen duurt veertig dagen en nachten en bedekt zelfs de hoogste bergtoppen. Na een tijd begint het water te zakken. Noach zendt een raaf en een duif uit om te zien of de aarde weer bewoonbaar is. De eerste keer kwam de duif terug, de tweede keer met een olijftak; de derde keer kwam ze niet meer terug. G’d draagt de mensen op de ark te verlaten. Uit dankbaarheid brengt Noach een offer. G’d belooft nooit meer de wereld te verwoesten. De regenboog wordt het teken van die belofte. Noach plant een wijngaard en wordt dronken van zijn eigen product. Hij ligt naakt in zijn tent te slapen en Cham ziet hem. Hij vertelt het aan zijn broers Sjeem en Jafet, die met een deken over hun schouders achteruit de tent inlopen zonder hun vaders naaktheid te zien. Noach vervloekt Kena’an, de zoon van Cham. Na een tijd willen de mensen een toren bouwen die tot in de hemel reikt. Door de spraakverwarring verspreidt de mensheid zich over de aarde.
Koheen, 6:9-22. Noach en familie worden als enige gered van de zondvloed.
De zondvloed is bekend in vele culturen (217 volgens de laatste studies). Vanuit het gebied rond Mesopotamië (het huidige Irak) bestaan er zelfs vele geschreven verhalen van op steen of papyrus. In de meeste tradities eindigt de zondvloed met een duif met een olijftak in zijn mond. Dit is uiteindelijk een symbool van vrede geworden hoewel het oorspronkelijk niet veel met sjalom te maken heeft. De Arke van Noach heeft men nooit kunnen vinden. In 1887 rapporteerden twee Perzische prinsen dat ze Noachs Ark gevonden hadden in de bergen van Ararat. In 1916 meenden twee Russische piloten hem uit de lucht te hebben waargenomen. Tot op heden zijn echter alle expedities om restanten van de Ark terug te vinden op niets uitgelopen. Op dit moment worden er plannen gemaakt om met een satelliet de Ark op te sporen in het gebergte van Ararat.
De Arke van Noach was niet groot: 300 el lang, 50 el breed en 30 el hoog. In moderne termen zou hij maar de helft zo groot zijn als de Titanic. Het leven in de Ark moet een wonder zijn geweest want er bestaan op dit moment ongeveer twee miljoen soorten dieren. Zonder wonder zou dat niet passen in de Ark. Ook de voeding gedurende een jaar van al deze dieren en mensen neemt veel plaats in. Daarom moet men spreken van een wonder.
Levi, 7:1-16. Noach neemt van alle reine zeven paar en van alle onreine dieren één paar mee.
3e alija, 7:16-8:14. God verdelgde alles. Na een jaar was de aarde weer bewoonbaar. 4e alija, 8:15-9:7. Noach verlaat de Arke en brengt brandoffers. Bloed mag men niet eten. Zelfmoord en doodslag worden verboden. 5e alija, 9:8-17. G’d sluit een verbond met Noach en het teken wordt de regenboog.
9:8 e.v.: “En G’d zei tot Noach “Mijn boog plaats Ik in de wolk, en hij zal tot teken zijn van het verbond tussen Mij en de aarde. Dan gedenk Ik mijn verbond, dat bestaat tussen Mij en u en elk levend wezen van alle vlees; en zal niet nogmaals het water tot zondvloed worden, om te verderven alle vlees.”
Na de Zondvloed sloot G’d het eerste verbond met de mensheid. Vrijwel alle opvattingen uit de loop der eeuwen omtrent de regenboog zijn bijeengebracht door Rabbi Jehoeda Nachsjoni. Met toestemming van de auteur laat ik hier een bewerking van zijn samenvatting volgen. Het teken van het verbond werd de regenboog. Dit teken is volgens Rabbi Samson Rafaël Hirsch (1808-1888) een herinnering voor de gehele mensheid omtrent het verbond, vergelijkbaar met alle andere tekenen, die speciaal aan het Joodse volk gegeven zijn, zoals de Tefillien (gebedsriemen), de Sjabbat en de Briet Mila (besnijdenis). De regenboog verschijnt in een wolk, om eraan te herinneren dat de mens niet meer vernietigd zal worden. De regenboog bestond al eerder en vormt geen verandering in de Schepping. In Pirké Awot wordt de regenboog als één van de tien dingen opgesomd, die nog vlak voor Sjabbat-Bereesjiet – de Scheppings-Sjabbat geschapen werden. Na de Zondvloed echter veranderde de regenboog in een teken. Dit zien wij ook bij andere natuurverschijnselen. G’d laat Awraham de sterren zien, en zegt hem: “Zo zullen uw nakomelingen zijn, als de sterren”. Deze verklaring wordt gesteund door Rabbi David Kimchi (1160-1235), die duidelijk stelt, dat “sommigen menen dat de regenboog in de tijd van Noach geschapen was. Dit is onjuist, omdat er niets nieuws onder de zon is”. Dezelfde gedachte wordt gesteund door Nachmanides (1194-1270).
Volgens Rabbi Jitschak Arama (1420-1494), de Ba’al haAkeda, symboliseert de regenboog het langdurige bestaan van de schepping. De regenboog verschijnt in de wolken, wanneer de Hemel niet volledig met wolken bedekt is. Hierin ligt een aanduiding, dat de regen vanaf de Zondvloed nog slechts een gezegende regen zal zijn en geen vernietigende regen. Vanaf de Zondvloed is het alleen nog mogelijk dat: “Ik het zal doen regenen op één deel, en op een ander deel niet” (Amos 4). Een allesvernietigende Zondvloed zal niet meer voorkomen. De wereld zal alleen nog gestraft worden naar analogie van de regenboog in de wolk. Volgens de Ba’al haAkeda is de regenboog niet alleen een teken en een getuigenis, zoals Nachmanides meent, maar tevens een voorbeeld van hoe de mensheid vanaf nu berecht zal worden.
Rabbi Eliëzer haRofe, de auteur van het werk Ma’asé Hasjeem, zegt dat de regenboog geen teken van liefde is voor de mensheid, zoals Nachmanides uitlegt, maar een soort waarschuwing dat men gezondigd heeft en in feite uitgeroeid had moeten worden, ware het niet dat G’d gezworen had de mensheid niet meer te vernietigen. Niet de regenboog op zich is het teken, maar het verschijnen op een bepaald moment vormt het verbond tussen G’d en de mensheid. Niet G’d, maar de mensheid is verplicht om zich de betekenis van de regenboog eigen te maken. De regenboog duidt erop, dat ons spirituele niveau aan het dalen is. Daarom verscheen de regenboog niet in de dagen van Rabbi Sjimon bar Jochai (tweede eeuw n.d.g.j.) omdat de mensheid toen op een hoog spiritueel niveau functioneerde. Ibn Ezra (1089-1164) legt uit, dat de regenboog pas na de Zondvloed is ontstaan.
De Maharal uit Praag (vijftiende eeuw), in zijn werk Goer Arjé, legt een verbinding tussen oorzaak en gevolg: de versterking van het zonnelicht na de Zondvloed voorkomt een nieuwe zondvloed. Vóór de Zondvloed was het licht van de zon niet zo sterk dat er een regenboog uit kon ontstaan. Daarom was de Zondvloed mogelijk. Naar zijn mening is het niet noodzakelijk te stellen dat de zonnestralen sterker werden na de Zondvloed; de sferen en afscheidingen tussen zon en aarde houden de kracht van de zon tegen en werden na de Zondvloed iets minder, zodat de zon krachtiger kon schijnen.
Rabbenoe Nissiem (dertiende eeuw) meent, dat de wolken vóór de Zondvloed zeer dik en ondoordringbaar waren. De zon scheen er niet doorheen en de wolken lieten ontzettend veel regen vallen, zodat de Zondvloed mogelijk was. G’ds medelijden bestond hieruit, dat de wolken veel dunner en ijler werden.
Volgens Abarbanel (1437-1508) werd de regenboog inderdaad geschapen vrijdagmiddag op de zesde Scheppingsdag. Maar de verschijning werd pas mogelijk na de Zondvloed. Doordat de wolken minder vaak en hevig verschenen over de aarde, kon de regenboog gezien worden.
Malbiem (negentiende eeuw) is van mening dat de Schepping na de Zondvloed juist veel fijner en edeler werd. Vóór de Zondvloed was alles grof en zeer materieel. Gelijk de mensheid waren ook de wolken dik, fysiek en vol harde regen. De verschijning van de regenboog is een teken van veredeling en verfijning, die in de Schepping ontstond. Vanaf nu zou alles veel genuanceerder zijn. Zowel mensen als wolken veranderden. Daarom zou er geen algemene vernietiging meer zijn.
Rabbi Ja’akov Zwi Mecklenburg (negentiende eeuw), auteur van haKtaw wehaKabbala, is eveneens van mening dat de Schepping in zijn nadeel veranderde, en niet in zijn voordeel. Er zijn veel aanwijzingen in de woorden van onze Chagamiem (Wijzen), dat het vóór de Zondvloed slechts één keer in de veertig jaar nodig was om te zaaien. Het graan bleef vanwege de goede weersomstandigheden lange tijd behouden. Ook regen was slechts één keer in de veertig jaar nodig.
Volgens Sforno (Italië, 1475-1550) heeft een verandering in de natuur ook invloed op het karakter van de mens. Na de Zondvloed werd de gezondheid van de mens zwakker, zodat ook G’ds eigenschap van het strenge recht minder sterk werd en aan de mens minder strenge eisen werden gesteld.
Volgens sommigen zit in de regenboog een verbinding van ‘dien’ (het strenge recht) en ‘rachamiem’ (barmhartigheid). De regenboog brengt zowel zonde als verbond in herinnering. In de Midrasj (Midrasj Rabba, Beresjieet 35) wordt het woord ‘kesjet’, regenboog, gerelateerd aan het begrip gelijkenis. Volgens de Midrasj betekent de regenboog in het Hebreeuws zoiets als ‘gelijkenis van G’d’. Dan vraagt de Midrasj: “Is dat dan mogelijk?” en het antwoord luidt: “Gelijk een schil met een vrucht”. In feite wordt het ook aangeduid in de Talmoed, tractaat Berachot: “Als iemand de regenboog ziet, moet hij op zijn aangezicht vallen”.
Rav Gedalja uit Lintz, een van de leerlingen van de Ba’al Sjem Tov (1700-1760), zegt dat een regenboog in de wolk het gebrek symboliseert, dat in een Tsaddiek (rechtvaardige, heilige) zichtbaar wordt door de zonden van de mensen. Hier stuiten wij op de gedachte dat de geestelijke leiders van generatie “ontwijd” kunnen worden door onze zonden. De Tsaddiek wordt “ontheiligd” door overtredingen van zijn generatiegenoten, waardoor hij ook de generatie bescherming geeft. Dit is de “regenboog in de wolk”. Hoewel deze gedachte pas in de achttiende eeuw werd opgeschreven, vinden wij reeds in de Talmoed een verband tussen een regenboog en een Tsaddiek.
Rabbi Efraim van Luntshitz (1551-1619), auteur van Klie Jakar stelt, dat de regenboog zeker wel verschenen was in de dagen van Rabbi Sjimon bar Jochai, maar dat de mensen in zijn generatie geen behoefte voelden om ernaar te kijken. Lichtzinnige mensen, die bang zijn voor bestraffing, kijken altijd naar de Hemel met angst, tot de regenboog gezien wordt, die het bestaan van de wereld bevestigt. Maar in de dagen van Rabbi Sjimon bar Jochai waren de mensen ontspannen, en zochten zij geen verzekerende geruststelling bij het verschijnen van de regenboog. Zij waren niet bezoedeld door zonde. Bovendien vertrouwden zij op de verdiensten van de Tsaddiek, Rabbi Sjimon bar Jochai.
Hiermee legt Klie Jakar een verklaring van Rasjie uit. Rasjie legt de pasoek (vers) 9:14 “Wanneer ik de wolken laat komen over de aarde” in overdrachtelijke zin uit: “Wanneer het Mij in de gedachte mocht opkomen om duisternis en vernieling over de wereld te brengen”. De bedoeling is, dat wanneer er generaties volledig schuldig zijn, zonder dat er Tsaddiekiem (goede mensen) zijn, die hen moreel beschermen, er een regenboog moet verschijnen om te herinneren dat G’d gezworen heeft om de wereld niet te vernietigen. Onze Geleerden zeggen: “Een ieder die naar de regenboog kijkt, heeft geen respect voor de eer van Zijn Schepper”. Kijken naar de regenboog getuigt van een schuldgevoel, een onzuiver geweten. In de generatie van Rabbi Sjimon Bar Jochai was het geweten van de mensen zuiver, en keken zij niet naar de wolken.
Rabbi Mosje Isserles (1520-1577) legt uit dat de regenboog in de dagen van Rabbi Sjimon Bar Jochai niet gezien werd, omdat wanneer de Joden de wil van G’d doen, G’d regen geeft op woensdagavond (zoals er gezegd wordt naar aanleiding van de pasoek (vers): “Ik geef jullie regen op een tijd”). Omdat het donker is, is het onmogelijk om de regenboog te zien.
In twee generaties werd de regenboog niet gezien: in de generatie van koning Chizkijahoe (560 v.d.g.j.) en de generatie van Rabbi Sjimon Bar Jochai (tweede eeuw n.d.g.j.). Op Lag baOmer spelen veel kinderen met pijl en boog ter herinnering aan het feit dat in de tijd van Rabbi Sjimon Bar Jochai, wiens sterfdag op de 33ste Omer valt, de regenboog nooit gezien werd.
Maimonides (1135-1204) legt in zijn More Newoechiem (Gids der Verdwaalden) uit, dat de wolken aan de Hemel onze overtredingen en misdrijven symboliseren. Zij scheiden als het ware tussen ons en G’d. De zon representeert de overvloed van zegeningen die van Boven komen. De regenboog wordt gevormd door de zonnestralen die door de wolken heendringen. Dit betekent dat hoe slecht de mensheid ook is, G’d Zijn zegeningen niet zal laten ophouden.
In de midrasj Lekach Tov wordt de regenboog vergeleken met een schuttersboog waarmee pijlen worden gericht op de vijand. De regenboog staat niet meer op de aarde gericht en dit betekent dat G’d zijn belofte gestand zal doen om de aarde niet meer te vernietigen.
Een andere verklaring is afkomstig van de Lubavitscher Rebbe, die stelt, dat in de periode van de Zondvloed er geen weg terug meer was. De enige mogelijkheid om al het kwaad weg te ruimen was vernietiging van de wereld. Met het verbond van de regenboog gaf G’d echter aan dat het na de Zondvloed anders zou zijn. Er zal altijd een mogelijkheid in stand worden gehouden om de wereld te verbeteren en terug te voeren naar een gezonde, morele balans. Achter de wolken schijnt altijd de zon. Dat is het symbool van de breking van het licht als in een prisma. De regenboog is dus een symbool van tesjoewa. Inkeer en rectificatie zijn altijd mogelijk, zodat de wereld van vernietiging kan worden gespaard.
6e alija, 9:18-10:32. Noach raakt dronken en beschaamd, vloekt Kena’an en zegent Sem en Jafet. Daarna volgt een volkenlijst met alle nakomelingen van Noach. 7e alija, 11:1-32. De torenbouw eindigt in taalverwarring en wereldwijde verstrooiing.
Sjabbat Sjalom.
