Parsja Jom Kippoer

Jom Kippoer! Op zoek naar onszelf. Twee jaar geleden publiceerde Rabbi Kalman Pack zijn befaamde ‘Jom-Kippoer-survival-kit’: een overlevingsstrategie voor mensen die moeite hebben met het volgen van de sjoeldienst op de Hoge Feestdagen. Zo suggereerde hij dat vijf minuten gebed met begrip, gevoel en persoonlijke involvement belangrijker is dan vijf uur lippendienst. Ook benadrukte hij dat je onmogelijk van jezelf kan verwachten, dat je door ieder gebed diep emotioneel geraakt wordt. Ben je niet goed in het Hebreeuws? Maak je geen zorgen! G’d begrijpt elke taal. Als een liefhebbende ouder weet G’d wat er in je hart omgaat. Rabbi Pack gaat verder met de suggestie dat het belangrijk is om juist bij stukken die je specifiek raken langer stil te staan. Laat de woorden tot je doordringen, voel ze. En als je echt dapper bent, sluit je ogen dan en zeg de woorden telkens weer opnieuw. Realiseer je, zo gaat Rabbi Pack verder, dat er miljoenen en miljoenen Joden wereldwijd juist op deze dag de sjoel bezoeken. Door je aanwezigheid laat je duidelijk je commitment aan het Jodendom en het Joodse volk blijken.
►Belangrijke raad voor degenen, die het al ver geschopt hebben in het Jodendom; maar hoe zit het met de atheïst, met de vijfde zoon van de Seider? Met de periferie, met de mensen die denken dat zij nergens in geloven? Voor de seculiere Jood is Jom Kippoer de meest problematische dag op de Joodse kalender. Voor Pesach, Sjawoe’ot, Soekot, Chanoeka en Poeriem bestaat een natuurlijke, historische, nationale of intellectuele basis. Maar de Hoge Feestdagen vormen een probleem. Op Jom Kippoer lijkt het uitsluitend te gaan om onze relatie met G’d. Vele seculiere Israeli’s negeerden helaas de Hoge Feestdagen. Tegenwoordig gaan velen gelukkig weer voor een nieuwe interpretatie en invulling van de Hoge Feestdagen. In feite zijn de Hoge Feestdagen, met als toppunt ne’ila (slotgebed) op Jom Kippoer de meest mensgerichte feestdagen van het Joodse jaar.

►Lea Sacofsky raakte in haar puberteit erg geïnteresseerd in oosterse religies. Zij had zelfs een maand bij een Tibetaanse familie gewoond aan de voet van de Himalaya. Samen met zestien studiegenoten – waarvan er acht Joods waren – smaakte zij het geluk ontvangen te worden door de Dalai Lama. Iedere student mocht twee vragen stellen. Lea moest hier lang over nadenken. Ze besloot te vragen hoe ze er achter kon komen wat werkelijk de waarheid was en welk spiritueel pad ze moest volgen.
De Dalai Lama antwoordde haar: “De waarheid ligt in je roots”. “Maar ik ben Joods”, zei Lea verbaasd. “Ga dan dieper in op je Jodendom”, zei hij toen, “als je Joods geboren bent, moet je ook Joods zijn!”. “Het Jodendom heeft mij niets te bieden”, dacht Lea hardop. “Als je geen diepgang gevonden hebt in het Jodendom, dan heb je het nooit goed bekeken. Verdiep je in je eigen religie en je zult alles vinden wat je zoekt”. Het onderhoud was afgelopen.

►Dit verhaal deed mij denken aan een chassidische waarheid. Rebbi Zusia placht altijd te zeggen: “Wanneer ik van deze wereld vertrek en voor het Hemelse Tribunaal verschijn, zal men mij niet vragen: “Zusia, waarom was je niet zo knap als Mozes of zo sympatiek als Awraham?” Nee, zij zullen mij vragen: “Zusia, waarom ben jij geen Zusia geworden?” Waarom heb ik mijn eigen potentieel niet gerealiseerd, waarom heb ik mijn eigen weg niet gevolgd?”.

►In mijn gesprekken met verschillende studenten proef ik steeds dat gevoel er niet echt bij te horen, een gevoel, dat de Joodse traditie best interessant is maar verder niet echt relevant is voor de invulling van ons persoonlijk leven. Waar zijn wij mee bezig?

►De meeste culturen vieren hun nieuwjaar met parades, drankgelagen of gewoon gezellig samen oliebollen eten. Het Jodendom heeft meer te bieden, ook op het gebied van de hogere menswaarden en morele principes. Het ziet er de laatste jaren misschien anders uit maar Jodendom is voornamelijk gericht op de mens. Jom Kippoer is een goed voorbeeld. Hoewel ascese, onthouding en zelfkwelling heel vroom lijken, schrijft de Tora maar een vastendag per jaar voor. Wat is de invulling van dat vasten ? Ik laat de profeet Jesaja zelf aan het woord: “ Noemt gij dat een vasten, dat een dag die G’d welgevallig is? Is dit niet het vasten dat Ik verkies: verdrukten vrij te laten en elk juk te verbreken? Is het niet dat gij voor de hongerigen uw brood breekt en arme zwervelingen in uw huis brengt? Ja, als u een naakte ziet dat u hem kleedt en u zich niet onttrekt aan uw eigen vlees en bloed? Dan zal uw licht doorbreken als dageraad …(58:5-10). Als we goed opletten bij de widoej – de zondenbelijdenis – van Jom Kippoer, blijkt, dat het overgrote deel van de overtredingen op het intermenselijke vlak liggen.

►Echte G’dsdienst uit zich in een open en warme instelling naar onze medemens toe. De laatste tijd bestaat er een duidelijke tendens om de mens in onze religieuze haast te vergeten. Rabbi Akiwa verklaart de naastenliefde tot een allesovertreffend hoofdprincipe; door de exclusieve nadruk op `dit mag wel en dit mag niet’ vervreemden wij van onszelf.
Vraag een volwassene om op te schrijven welke vijf belangrijkste humanistische en morele waarden hij aan de wereld zou willen nalaten, en al snel blijkt dat de meest hooggestemde idealen het dagelijkse verwachtingspatroon zijn binnen het Jodendom. Alleen al aan de intermenselijke aspiraties van Jom Kippoer heeft een humanist zijn handen vol.
Een oud Talmoedisch gezegde stelt, dat “wie van de Vader houdt, ook Zijn kinderen liefheeft”. De morele basis voor naastenliefde ligt in onze gelijkheid voor G’d.

►Bekend is het verhaal van een Rebbe die op sterven lag. Zijn chassidiem (volgelingen) vragen hem wat zijn laatste boodschap aan hen is. De Rebbe antwoordde: “Voel je beschaamd tegenover je medemens”. De chassidiem vroegen verwonderd: “Rebbe, moeten wij ons niet meer schamen voor G’d?!” De Rebbe antwoordde: “Als je een schaamtegevoel hebt voor mensen zul je ook G’dvrezend zijn”.

►De mens is een uniek schepsel. Anders dan dieren hebben wij de mogelijkheid om ons leven te veranderen. Wij kunnen onszelf herprogrammeren. De mens is in staat om uit zijn eigen vel te kruipen en zijn denken en doen als een objectieve toeschouwer te beoordelen. Dit is de grootheid van de mens. Daarom is Jom Kippoer de heiligste dag van het jaar, omdat dit proces van introspectie en verandering daar op moet plaatsvinden. Niemand, zelfs niet de meest fanatieke atheïst, kan menen dat hij zonder dagelijkse groei kan wegkomen. Stilstand is achteruitgang. Groei veronderstelt harmonie met onszelf en dat betekent dat wij onze spirituele schuldenlast van ons proberen af te werpen. Wanneer wij zondigen worden wij automatisch een gespleten persoonlijkheid, omdat wij altijd iets te verbergen hebben. Het gevoel iets misdreven te hebben maakt ons besef van innerlijke samenhang en harmonie kapot, of dit nu in het huwelijk is of in de relaties met onze medemens. Het Joodse volk blijft het kind van G’d, hoever dat kind zich ook van zijn Vader verwijderd heeft. Eenmaal per jaar wast de liefhebbende vader zijn stoute zonen en dochters schoon. Laat die dag niet voorbijglippen!

►De zondebelijdenis, de Widoej, vormt een zeer belangrijk onderdeel van de Jom Kippoer gebeden. Daarin stellen wij ons zelf verantwoordelijk voor vele daden, die wij zelf nooit begaan hebben. Waarom belijden we die misdaden dan toch? Omdat we ons verantwoordelijk voelen ook voor het wangedrag van anderen. Er bestaat een verband tussen de fundamentele eenheid binnen het joodse volk, het gebed en een voorschrift in verband met het Beet haMikdasj, de Tempel. In Wajikra (hoofdstuk 21) staan allerlei bepalingen beschreven, die speciaal betrekking hebben op de kohaniem (priesters), die in het Beet haMikdasj de offers brachten. Na de verwoesting van de tweede Tempel (70 n.d.g.j.) kon men geen offers meer brengen. De drie dagelijkse gebeden kwamen hiervoor in de plaats. Veel aspecten van de offerwetten zijn ook tegenwoordig nog toepasselijk in onze tefillot (gebeden). Sommigen hebben de gewoonte om iedere dag, vlak voor het gebed, te zeggen: ‘Hierbij neem ik het gebod ‘Heb uw naaste lief gelijk uzelf’ op mij’. Wat heeft dit gebod te maken met het dawwenen (bidden)? Waarom is dit nodig als inleiding op het dawwenen?

►Het Joodse volk wordt gezien als één groot lichaam. Ieder individu vormt als het ware één van haar organen. Sommigen hebben de functie van het hoofd (de Geleerden), anderen vormen de romp (degenen, die G’d op meer emotionele wijze dienen) en weer anderen vormen de voeten (die het hele lichaam dragen; zo ook vervullen een aantal mensen de geboden als een ‘juk’, dat zij dragen zonder de diepere inhoud ervan te begrijpen). Wie ooit de scheuten van een ingroeiende teennagel heeft gevoeld, beseft, dat zelfs pijn in het laagste deel van het lichaam de hogere functies kan verstoren! Zelfs de hersenen kunnen zich niet meer concentreren! Het lichaam vormt een volkomen geïntegreerd en samenhangend systeem.
Hetzelfde geldt ook voor het ‘lichaam’ van het Jodendom. Indien het ‘laagste deel’ hiervan slecht functioneert, lijden ook de hogere regionen hieronder. De grootste Joodse geleerden en de meest eerlijke mensen plegen – sommigen zelfs elke dag – de ‘widoej’ te zeggen, de zondebelijdenis, waarin men uitdrukking geeft aan gevoelens van berouw over de meest akelige zonden, zoals stelen, moorden en andere gewelddelicten. Hoewel zij zich persoonlijk nooit bezondigd hadden aan dergelijke overtredingen, voelen zij een innige en persoonlijke betrokkenheid bij hun volksgenoten, die deze zonden werkelijk begaan en voelen zij zich aangetast door deze slechte daden.

►Nu wordt duidelijk hoe iemand zijn naaste kan liefhebben ‘gelijk zichzelf’. Wij vormen één groot geïntegreerd geheel en een ieder heeft deel aan hetgeen een ander overkomt. De ander is een deel van het eigen ‘ik’ en indien men een ander genegenheid toont, is men eigenlijk slechts vriendelijk voor zichzelf. Hetzelfde geldt bij het koesteren van wraakgevoelens. Indien men een ander haat, verwerpt men in feite een deel van zichzelf. Een haatdragende persoon wordt daardoor een gebrekkig mens en zijn gebeden – die de plaats innemen van de offers uit vroegere dagen – zijn voor G’d onaanvaardbaar, evenals een koheen met een gebrek geen dienst mocht verrichten in het Heiligdom en geen offers mocht brengen, indien hij met een ‘moem’, een lichamelijk gebrek, behept was. Zo wordt het verband tussen het gebed en het gebod van naastenliefde – de relatie met G’d en de intermenselijke banden – duidelijk. Dit is de reden van het gebruik om elke dag voor het gebed het gebod van naastenliefde verbaal te aanvaarden, zodat men niet ‘misvormd’ door haat voor de Almachtige hoeft te staan.

►Rabbi Awraham ben Jechiëel Mechel Danziger (1748-1820) verklaart de Widoej in zijn halachische werk Chajee Adam (`het leven van de mens’). Rav Danzigers analyse van de Widoej geeft bronnen en nieuwe inzichten in dit eeuwenoude smeekgebed.

►‘Asjamnoe’ – Wij zijn schuldig. Deze uitspraak is gebaseerd op Hosjea 5:15: “Totdat zij hun schuld erkennen en Mijn genade zoeken.”
►‘Bagadnoe’ – Wij hebben verraden, zijn ontrouw geweest. Deze uitspraak verwijst naar “Zij hebben zich verraderlijk gedragen tegenover Hasjeem” (Hosjea 5:17). Het woord ‘bagad’ – ‘verraad, ontrouw’ – wordt gebruikt als iemand een vriend een gunst heeft verleend, maar deze niet dankbaar is of degene die de gunst heeft verleend, slecht behandelt. Dit is hoe wij – helaas -omgaan met Hasjeem – wij beantwoorden Zijn goed¬heid met kwaad.
►‘Gazalnoe’ – Wij hebben gestolen. “Je berooft Mij voortdurend” staat in Malachi 3:8. In Misjlee (28:24) staat: “Hij berooft zijn vader en moeder.” Onze Chagamiem (Geleerden) hebben uitgelegd dat met ‘Vader’ Hasjeem wordt bedoeld en met ‘moeder’ het Joodse volk (B.T. Berachot 32b). Spirituele en feitelijke diefstal zijn zeer ernstig, want de Chagamiem hebben gezegd dat roof bovenaan al onze zonden staat.

►‘Dibarnoe dofi’ – Wij hebben lasterlijke taal gesproken. “Jullie woorden tegen Mij zijn te hard geweest,” zegt Hasjeem (Malachi 3:13). Wij hebben met onze mond zaken beleden, die we niet meenden. Laster vloeit voort uit twee bronnen: de mond en het hart. Wij hebben laster en roddel gesproken, leugens verteld, niet-gemeende vleierij gesproken, gemene taal uitgeslagen en zakelijke gesprekken gevoerd op Sjabbat en Jamiem Toviem (feestdagen).

►‘He’ewinoe’ – Wij hebben verkeerd gehandeld. In de Tora vinden wij dit woord regelmatig terug. Het is een overdrachtelijk werkwoord – het veroorzaken van zonden, pervers doen. Het betekent dat wij wat recht en duidelijk was, krom en slecht hebben gemaakt, bijvoorbeeld door een ander over te halen tot een zonde. Een ziel kan volmaakt op de wereld komen en zojuist zijn gereïncarneerd om bepaalde fouten recht te zetten maar zodra men de een awera, zonde begaat, wordt de nesjama (ziel) beschadigd. Ik heb onreine gedachten opgewekt en gekeken naar zaken, die men beter had kunnen vermijden. Ik heb mijn hand opgeheven naar mijn naaste om hem te slaan; ik heb mijn vriend in het openbaar beschaamd.
►‘Wehirsjanoe’ – Wij hebben slechte dingen gedaan. Dit betekent dat wij anderen tot slechte daden hebben aangezet in ons eigen belang.
►‘Chamasnoe’ – Wij hebben geweld gepleegd. “Als geweld verschijnt, is er een slecht mens aan de oppervlakte” (Jechezkel 7:12). Dit kan grof en zinloos geweld betreffen maar ook subtiel onrecht. Als een kennis een bepaald voorwerp bezit dat ik wil hebben, maar hij wil het niet verkopen, en ik bied hem een zodanige prijs dat hij het uiteindelijk wel moet verkopen, is er sprake van subtiel geweld, een soort verkapte vorm van roof.
► ‘Ja’atsnoe ra’ – Wij hebben slechte plannen beraamd. Dit verwijst ook naar een frase uit de Tora over de “beramers van slechte plannen tegen Hasjeem”. Soms adviseert iemand anderen verkeerd louter om de haat van anderen jegens hen op te wekken of hem schade toe te brengen.

►‘Kazawnoe’ – Wij hebben bedrogen. “En ze hebben leugens over Mij verteld” (Hosjea 7:13). Vaak spraken we onwaarheid. Dit is een zware zonde: “Sprekers van leugens zullen niet voor Mijn ogen komen”. Maar het gaat ook om kwaad worden. Onze geleerden zeggen dat “zij die kwaad worden, worden beschouwd alsof zij afgoden dienen”. De Tora zegt dat een mens die snel kwaad wordt, makkelijk tot zonden vervalt.
►‘Latsnoe’ – Wij hebben gespot. “Luister, jullie mensen die anderen lachend bespotten” (Jesjaja 28:14). Spotters worden niet toegelaten in G’ds aanwezigheid.
►‘Maradnoe’ – Wij zijn opstandig geweest. Opstandigheid is eigenlijk de grootste overtreding, die er bestaat. Je kunt zondigen, omdat je hartstocht sterker is dan jezelf. Maar rebellie is zondigen zonder dat je hartstocht je overmeestert.

►‘Ni’atsnoe’ – Wij hebben gehoond. “Zij verachtten – veroordeelden – de Heilige van Israel” (Jesjaja 1:5). Wij hebben Hasjeem door onze zonden kwaad gemaakt: “En Hasjeem zag en draaide Zich weg in minachting, door de woede die Zijn zoons en dochters hadden veroorzaakt (Dewariem/ Deut. 32:19).
►‘Sararnoe’ – Wij waren weerspannig. “Hij keerde zich van verzoening af” (Hosjea 4:16). In Dewariem/Deut. 11:28 staat dat “je van het pad afweek”, wat betekent dat wij onze harten van de religie en het dienen van de Schepper hebben afgekeerd.

►‘Awienoe’ – Wij hebben overtredingen begaan. Wij hebben bewust gezondigd om onze verlangens te bevredigen.
Een korte greep uit de zondebelijdenis spreekt boekdelen. Jom Kippoer is de dag van de vergeving.

Gemar chatiema tova!

Reacties zijn gesloten.