HA’AZIENOE (luisteren jullie): Dewariem 32:1 – 32:52. Mosje roept hemel en aarde tot getuigen wat er gebeurde in vroeger dagen en schildert hoe het volk zal afwijken – in zeer poëtische taal. Weer worden alle rampen genoemd die over het volk zullen komen als ze niet de ge- en verboden gehoorzamen. Maar eens zal God Zijn volk genade schenken en wraak nemen op de tegenstanders. En nogmaals vermaant Mosje het volk zijn woorden ter harte te nemen. Het doel is G’d als de Schepper te erkennen en uiteindelijk kan niets de band tussen G’d en het Joodse volk teniet doen. Mosje moet de berg Newo bestijgen en uitkijken over het Land dat G’d de Bne Jisraeel als erfgoed geeft. Het Land binnentrekken mag hij niet.
Davvenen
► De komende tien dagen staat tefila (davvenen, het gebed) centraal. Zelfs het laagste niveau van gebed eist kavana – aandacht. Ook wanneer wij ons concentreren op de eenvoudige betekenis van de gebedswoorden kunnen wij in hogere sferen geraken. Pauzeren tussen de woorden is hierbij belangrijk. Tussen de woorden komt onze geest tot rust en bereiden we ons voor op het volgende woord. Als wij eenmaal bij het uitspreken van de eerste beracha van het gebed in de juiste geestestoestand geraken, volgt de rest vrij eenvoudig. Het gaat uiteindelijk om het gevoel van verbondenheid met Hasjeem zonder storing door vreemde gedachten. Intense kavana kan iedereen op zijn of haar niveau aanleren. Drie maal per dag zeggen wij dezelfde gebedswoorden. Onze ontmoeting met G’d wordt steeds dieper door continue herhaling en versterking. De vele herhalingen intensiveren onze aandacht. Het versterkt ons gevoel voor het G’ddelijke in de wereld, hetgeen ook ons lernen weer verdiept. Het lernen van de geleerden uit de Talmoed was gezegend omdat zij zeer veel tijd aan hun gebeden besteedden.
► Ook als men nooit religieus was, doet men er goed aan met davvenen te beginnen door de eerste beracha van de sjemonee esree, het achttiengebed, uit het hoofd te leren en zich daarop te concentreren om in de juiste geestestoestand te komen. Hierdoor ontstaat een gevoel van verbondenheid met G‘d, zodat de nabijheid van Hasjeem aan den lijve ervaren kan worden. Die nabijheid betekent zeer concreet, dat wij ons realiseren, dat G’d acht slaat op onze wegen. Wij davvenen om in te zien dat succes en mislukking niet het gevolg zijn van toeval. De mitsvot zijn er niet voor Zijn bestwil maar voor het onze. G’d heeft ons gebed niet nodig. Maar wij kunnen niet zonder onze gebeden omdat we anders de band met het G’ddelijke ontberen. Met de wetenschap dat G’d goed is en niets voor Hem onmogelijk is, kunnen we ons leven aan met een intens gevoel van vertrouwen en zekerheid. Zelfs in tijden van tegenslag hoeven we niet te wanhopen in het besef, dat wat ons ook gebeurt voor ons eigen bestwil is. Ook negatieve dingen zijn een soort ‘verborgen’ zegen. We lijden niet graag, dus bidden we tot G’d om ons door tegenspoed heen te helpen en ons duidelijk te maken wat de zegen is in het ‘verborgen’ goede. Maar dit is slechts de eerste stap.
► Om onze nesjomme niet tekort te doen moeten we allereerst een geschikte omgeving creëren voor een juiste gebedssfeer. Een synagoge moet een plaats zijn die een godsdienstige en meditatieve sfeer uitstraalt. Zelfs alleen al het binnentreden in een sjoel moet een contactervaring zijn met onze Schepper. De synagoge is geen sociale ontmoetingsruimte. Eigenlijk mag men geen enkel profaan woord spreken in sjoel; sociale conversatie moet tot een absoluut minimum worden beperkt. Wil men de juiste kavana opwekken, dan moet men zelfs niet over gebedsvreemde zaken nadenken. Kavana kan gevoel, emotie, concentratie of godsdienstige toewijding betekenen. Kavana is gericht bewustzijn. Onze gedachten moeten gericht zijn op één doel. Toch is het een bijna bovenmenselijke opgave om gedurende het hele gebed kavana te hebben maar wel haalbaar voor onderdelen van onze tefila.
► Voor de meeste mensen is concentratie op de eerste beracha van de sjemonee esree – het staande achttiengebed, haalbaar. Onze Aartsvaderen Avraham, Jitschak en Ja’akov vormen de rolmodellen voor onze relatie met G’d maar ook onze persoonlijke relatie met Hasjeem mogen wij niet vergeten of verwaarlozen. De eerste beracha vormt de minimale springplank om dichterbij Hasjeem te komen. Door deze ‘poort’ van het spirituele worden we in hogere werelden binnengeleid.
► G’d dienen we in onze gebeden. We proberen onszelf te verbeteren bij het davvenen. Hoe ziet ons ideale zelf eruit? Er wordt veel nagedacht over ideaalbeelden en gewenste profielen. Fricties ontstaan bij discrepanties tussen ideaal en realiteit. Soms hebben we het gevoel dat we niet aan het ideaalbeeld van onszelf voldoen. Onderweg van Beër Sjewa naar Charan droomde Ja’akov van een ladder die op de aarde stond en tot de Hemel reikte. Engelen stegen op en daalden af langs deze ladder. Wat was de betekenis van deze droom? In de Talmoed (B.T. Choelien 91) wordt uitgelegd, dat de Engelen die opstegen het beeld van Ja’akov te zien kregen, zoals dat bij de G’ddelijke Troon geprojecteerd stond. Daarna daalden zij af om de Ja’akov hier op aarde te aanschouwen. Elke uitspraak van onze Chagamiem (Wijzen) heeft een diepere betekenis. Wat is de betekenis van dit droombeeld?
► Ieder mens heeft in de Hemel een hemelsbeeld, zoals G’d hem graag ziet. Daar worden al zijn unieke gaven en talenten weergegeven. Maar er is ook een ‘aards beeld’. Het beeld van de persoon zoals hij in de realiteit is. Het beeld van wat deze persoon werkelijk voorstelt. Het is onze opdracht te proberen om de aardse realiteit zoveel mogelijk bij het Hemelse `plaatje’ te laten aansluiten. We moeten proberen “in te klikken” op ons ideale ik. Bij Ja’akov zagen de Engelen iets zeer uitzonderlijks: het aardse beeld van Ja’akov was exact hetzelfde als het Hemelse want Ja’akov had zijn capaciteiten volledig ontplooid. Dit was wel een zeer bijzondere prestatie. Ja’akov had bereikt wat er in de Hemel van hem werd verwacht. De Engelen verwonderden zich over dit fenomeen. Wanneer men aan het Hemelse beeld voldoet is men een tsaddiek – men doet recht aan de verkregen capaciteiten. De Jakobsladder is symbool voor het gebed want dat kan ons helpen bij het verwezenlijken van ons ware ik.
► Het Hebreeuwse woord tefila vertaalt men meestal met ‘gebed’. Dit is eerder een verschraling dan een vertaling. Onze dagelijkse gebeden zijn niet alleen verzoeken om in onze dagelijkse behoeften te voorzien. Davvenen is méér. Maar kent G’d onze noden niet nog beter dan wijzelf? Is Hij niet altijd bereid om ons goed te doen, ook als we er niet om vragen? Kinderen `bidden’ immers niet tot hun liefhebbende ouders om hen te voeden, te kleden en te beschermen?!
G’d wil, dat wij tot Hem bidden en tot Hem alleen. In tijden van tegenspoed moeten we ons tot G’d wenden om hulp en als het goed gaat moeten we onze dankbaarheid ten opzichte van G’d uiten. Als alles goed gaat met ons moeten we nog dagelijks tot G’d bidden dat Hij zal doorgaan om ons Zijn genade te schenken.
► Het doet ons goed om onze afhankelijkheid van G’d voor ons algemeen welzijn te erkennen. En dit moeten we iedere dag doen en wel vele keren per dag. We moeten proberen G’ds goedheid en Zijn gunsten waard te zijn. G’d is ons niets schuldig en toch geeft Hij ons alles. Wij moeten proberen hetzelfde te doen voor onze medemensen door onze bezittingen en diensten onbaatzuchtig met anderen te delen. We moeten onze dankbaarheid tegenover G’d niet slechts in woorden uitdrukken, maar in daden: door Zijn geboden te gehoorzamen en ons dagelijks leven in te richten op een manier die G’d wil. Het is uiteindelijk voor ons eigen welzijn.
► Onze Wijzen verklaren dat de ladder die Ja’akov in zijn droom zag met de opstijgende en afdalende Engelen, ook een symbool van gebed was. Met de ladder, die ‘op de aarde stond en tot in de Hemel reikte’ toonde G’d aan Ja’akov dat gebed als een ladder is die aarde verbindt met de Hemel, de mens met G’d. De woorden van het gebed worden getransformeerd in Engelen die opgaan naar G’d, en G’d zendt Engelen naar beneden met beracha – zegen – als antwoord. Daarom zag Ja’akov in zijn droom, dat Engelen ‘opstegen en afdaalden’, hoewel men zou verwachten dat de Engelen eerst zouden afdalen en dan weer zouden opstijgen.
Op een iets hoger niveau heeft tefila – gebed – te maken met zaken die verhevener zijn dan onze dagelijkse materiële noden, namelijk de geestelijke zaken. Het Hebreeuwse woord tefila is afgeleid van het werkwoord palleel – rechtspreken/beoordelen. We gebruiken het wederkerige werkwoord lehitpalleel – ‘bidden’, dat ook betekent ‘jezelf beoordelen’. Tijdens het gebed is er gelegenheid voor zelfanalyse. In G’ds Aangezicht ontkomt niemand aan zelf-evaluatie. Beschaamd kijkt men in eigen hart en onderzoekt de mens of hij wel voldoet aan de Joodse criteria voor dagelijks gedrag, die G’d de mens heeft voorgeschreven. Als wij onszelf niet voor de gek houden, ontstaat er een juiste geesteshouding tot het Opperwezen door een gevoel van nederigheid. We gaan beseffen dat we de gevraagde zegen en gunst nauwelijks verdienen. Daarom benadrukken we in onze gebeden G’ds oneindige goedheid en genade. We vragen G’d regelmatig onze wensen te vervullen, ondanks het feit dat we dat níet verdienen.
► Op een nog hoger niveau wordt gebed avoda – ‘dienst’ genoemd. In Sjema staat dat wij ‘G’d met ons hart te dienen’, en onze Wijzen zeggen: “Wat voor een dienst is een ‘dienst van het hart’? – dat is het gebed”. In deze zin is gebed bedoeld om ons hart en ons wezen te reinigen. Vaak worden we geconfronteerd met mensen, die zich erover beklagen dat het zeggen van de gebeden hun zinloos overkomt omdat onze dagelijkse gebeden elke dag weer bijna dezelfde inhoud hebben. Hoe is het mogelijk dat we drie keer per dag dezelfde woorden uitspreken en deze woorden hun betekenis blijven houden? Transcendentale Meditatie (T.M.) bestaat uit het voortdurend herhalen van een mantra, een speciaal woord dat opgegeven wordt door een meester. De psyche werkt nu eenmaal zo dat bij herhaling van steeds weer dezelfde woorden, een verhoogde bewustzijnstoestand ontstaat. Een mantra is meestal een betekenisloos woord. We mogen aannemen dat het herhalen van een betekenisvol gebed een nog veel sterkere invloed zal hebben op onze psyche. Maar de menselijke psyche is weerbarstig. Pas na langdurige herhaling hebben woorden invloed op onze geest en ons gevoel. Experts schrijven minimaal een herhaling gedurende 45 minuten achter elkaar voor. Pas dan begint een gebed of melodie door te dringen. Herhalen van kernachtige frasen is pas effectief wanneer dit gedurende een langere periode geschiedt. Tefila heet avoda. De gewone betekenis van avoda is ‘werk’. We bewerken een ruwe grondstof en veranderen het in een bruikbaar eindproduct. Gedurende de bewerking worden alle onzuiverheden verwijderd en ontstaat een fraai eindproduct. Een leerlooier neemt ruwe huid en verwerkt dit tot perkament waarop een Sefer Tora kan worden geschreven. Van ruwe wol maakt men tsietsiet. Vaak zijn hiervoor veel en herhaalde processen nodig. Hetzelfde geldt voor onze ziel. Die ondergaat pas werkelijk verfijning als wij daar geconcentreerd en vaak op inwerken. Het vereist grote inspanning om trots, boosheid en verwaandheid en andere slechte trekken, die misschien heel natuurlijk, maar toch ongepast zijn voor een menselijk wezen, te sublimeren.
► Willen we het davvenen tot een werkelijk spirituele ervaring verheffen, dan moeten wij de woorden zeer langzaam uitspreken. Het achttiengebed bevat 500 woorden. Als we hier een uur voor nemen – zeven seconden per woord – kan het een enorm intense spirituele ervaring worden. Door de langzame manier van davvenen is de kans echter groot dat onze gedachten zullen afdwalen. Gebedsvreemde gedachten komen bij ons op om ons te laten beseffen wat we in ons leven nog kunnen verbeteren. Als men in een toestand van verhoogd bewustzijn verkeert, kan men bij het davvenen.de ogen te sluiten. Bij een toestand van beperkt bewustzijn davvent men uit een gebedenboek.
Omdat we bij het uitspreken van de sjemonee esree onze spiritualiteit willen verhogen, moet men de woorden met gesloten ogen reciteren. We voelen ons gereinigd en gelouterd door zo’n dienst. Wanneer we daarna terugkeren naar onze dagelijkse routine, blijft een gevoel van verbondenheid, spiritualiteit, zuiverheid, reinheid en heiligheid hangen. Dit gevoel verheft ons dagelijks gedrag tot een niveau van een koninkrijk van priesters.
► Het hoogste niveau op de gebedsladder is bereikt wanneer we zo geïnspireerd raken, dat we niets anders wensen dan G’ds nabijheid. Tefila betekent in het Hebreeuws ook: hechten aan of samenbinden. Onze ziel is een vonkje van het G’ddelijke. Daarom wil onze nesjomme weer verenigd worden met het Opperwezen, gelijk een kleine vlam opgaat in een grotere. Wij zijn ons soms niet bewust van dit verlangen maar het bestaat zeker. Onze ziel wordt zelfs de `kaars van G’d’ genoemd. Daarom bewegen velen hun lichaam heen en weer tijdens het gebed om deze beeldspraak in hun lichaamshouding tot uiting te brengen. De Hollandse gewoonte is echter stil te staan tijdens de sjemonee esree. Een goede lichaamshouding kan helpen een verhoogde staat van kavana te bereiken. Wanneer men volledig stilstaat gedurende de sjemonee esree kan de kavana optimaal worden. Soms stoort het vele bewegen de kavana. Oppervlakkig gezien kunnen buigingen en sjokkelen (heen en weer zwaaien) misschien meer gevoel genereren. Maar wanneer men de diepste zielelagen wil losmaken, moet men volledig stilstaan.
sjana tova oemetoeka – een goed en zoet jaar!
