Nitsawiem-Wajelech

NITSAWIEM (staan voor): Mosjé verzamelt het hele volk en waarschuwt hen nogmaals zich aan de ge- en verboden te houden en afgodendienst en immoraliteit te verafschuwen. Het Verbond geldt ook voor hen die niet hier zijn. Als dit overtreden wordt, zal G’d in Zijn woede het land zodanig treffen dat het lijkt op de verwoesting van Sedom en Amora. De inwoners zullen verstrooid worden over andere landen. Maar als jullie terugkeren tot G’d dan zal G’d jullie verzamelen uit alle volkeren waarheen jullie verbannen waren. De geboden zijn niet bovennatuurlijk noch ver verwijderd, noch in de Hemel maar binnen je bereik. Hemel en aarde worden als getuigen opgeroepen dat Mosje het volk leven en dood, zegen en vloek heeft voorgelegd.

WAJELECH (en hij ging): Mosjé vertelt het volk dat G’d hem niet de Jordaan laat overtrekken en dat hij de leiding overdraagt aan Jehosjoe’a. Dit is de laatste dag van Mosjé. HaSjeem zal de volkeren aan de overzijde van de Jordaan aan de Bné Jisraëel overgeven. Mosjé schrijft de Tora ten einde en draagt op die eens per zeven jaar aan het hele volk voor te lezen. G’d voorspelt Mosjé dat het volk zich van Hem zal afkeren na zijn dood. De Tora moet in de Arke van het Verbond gelegd worden als getuige tegen het volk als ze zondigen.
Koheen 29:9-28. We staan allen voor G’d en beginnen weer een nieuw verbond, dat niet alleen vernieuwd wordt met de huidige generatie, maar ook met allen die (nog) niet aanwezig zijn. Wanneer iemand verstokt blijft en niet wil luisteren naar HaSjeem, dan zal G’d die persoon niet willen vergeven. Wanneer reizigers het verwoestte Israël zien en vragen: “Waarom heeft G’d zo met dit land gedaan?” zal men antwoorden, dat men het verbond met G’d heeft verlaten.

Levi (30:1-6). Na berouw komt de verlossing. Wanneer wij tot G’d terugkeren met heel ons hart, zal G’d medelijden met ons hebben en Hij zal ons verzamelen uit de volkeren. Zelfs uit de meest afgelegen gebieden zal G’d ons terughalen.

3e alija (30:7-14). Wanneer wij tot G’d terugkeren zal G’d ons een regen van zegeningen op ons laten neerdalen. Onze vijanden zullen vervloekt worden.

4e (30:15-31:6). Leven wordt met het goede geassocieerd en de dood met het kwade. Mosjé verklaart dat hij 120 jaar is en niet meer functioneren. Jehosjoe’a wordt aangesteld als opvolger van Mosjé. G’d zal Zelf voor het Joodse volk in het land uittrekken.

►“Het leven en de dood heb ik u voorgelegd, de zegen en de vloek; u zult het leven kiezen, opdat u en uw kinderen zullen leven” (30:19). Dit filosofisch aandoende vers kreeg voor mij heel scherpe, praktische kantjes toen ik geconfronteerd werd met de vraag of patiënten het recht hebben om alles omtrent hun ziekte te weten.

►Wij gaan ervan uit, dat behoud van leven belang¬rijker is dan de waarheid. Ongeveer vijftien jaar geleden vonden vele werkers in de gezondheidssfeer, dat patiënten volledig geïnformeerd moesten worden over hun medische toestand: omdat patiënten hier recht op hebben en om hen ‘te laten groeien in hun leed’. Met de eindigheid van het eigen leven in het vizier zou het leven een extra dimensie krijgen, die men de patiënt niet mag onthouden.

►De Tora stelt inderdaad, dat men zich “verre van onwaarheid moet houden” (Sjemot 23:7). Maar aan de andere kant geldt, dat “de mens die de Tora nakomt hierdoor zal leven” (Vajjikra 18:5). Door botsing van normen en waarden ontstaat een ethische hiërarchie. Het Jodendom gaat ervan uit, dat de ‘naakte’ waarheid ondergeschikt is aan hogere waarden en belangen. In Bereesjiet staat hiervan een voorbeeld. De Engelen berichtten Sara en Awraham van de komst van een zoon: “Toen lachte Sara in zichzelf. Ze zei: zou ik nog wellust hebben nadat ik afgeleefd ben? Mijn man is bovendien oud!” (18:12). Volgens de traditionele uitleg bedoelde Sara, dat zowel zij als Awraham oud waren. In Zijn gesprek met Awraham laat G’d dit laatste detail weg en vertelt Hij Awraham alleen, dat Sara lachte omdat zij zichzelf te oud achtte om nog te baren: “zou ik dan nog baren terwijl ik oud ben?” (ibid. 18:13). Zou G’d Sara’s opmerking volledig hebben doorgegeven aan Awraham, dan zou deze wellicht wat aangeschoten zijn geweest. Kennelijk is Sjalom Bajit – huiselijke vrede belangrijker dan de volledige waarheid.

►Na diagnose van een fatale ziekte is er sprake van een conflict van waarden en wenselijkheden. Arts en patiënt gaan een behandelingsovereenkomst aan met wederzijdse rechten en plichten. Patiënten hebben een zeker recht op informatie over hun toestand. Zij hebben ook groot belang bij exacte gegevens: om beslissingen te nemen, belangrijke zaken definitief af te ronden, de nodige voorzieningen te treffen voor gezin en familie, ethische en financiële testamenten op te stellen en zichzelf en zijn familie ook geestelijk voor te bereiden op het naderende einde.

►Aan de andere kant hebben onderzoeken uitgewezen, dat ontmoediging, extreme angst, depressie en wanhoop de dood versnellen. Medische verzorgers moeten in principe al het mogelijke doen om te voorkomen, dat patiënten ontmoedigd worden of in een depressie geraken. De Talmoed formaliseert deze gedragscode in concrete regels. Eén daarvan luidt, dat men een zieke niet op de hoogte stelt van het overlijden van een familielid. Dit zou de dood van de patiënt kunnen bespoedigen (B.T. Moëed Katan 26b).

►Om mentale stress, wanhoop of ernstige onzekerheid te vermijden, mag men volgens de Talmoed soms de zwaarste verboden overtreden. Zo mag men zelfs voor een blinde kraamvrouw licht ontsteken, indien zij door de wetenschap dat haar verzorgsters in een verlichte ruimte direct kunnen reageren op haar behoeften en haar op haar wenken kunnen bedienen, gerustgesteld wordt (B.T. Sjabbat 128b). De uiterst voorzichtige benadering van patiënten werd ook in de Joodse Codex geformaliseerd. Deze grondhouding wordt in vele andere regelingen nader uitgewerkt. Het voorkomen van psychische ontreddering (tiroef hada’at) is dus een hoge prioriteit. Scylla en Charibdis. Een en ander wordt nog bemoeilijkt door de opdracht (Sjoelchan Aroech, Joré Dé’a 335:7) om voor het overlijden tot inkeer te komen, een verbale zondebelijdenis af te leggen en ook alle financiële zaken, zoals schulden, af te wikkelen. De arts, Rabbijn of familie moet de terminale patiënt tot deze afsluiting van het leven zien te bewegen zonder hem het gevoel te geven, dat ‘het bijna afgelopen is’. De leden van het Joods Begrafeniscollege in Berlijn vonden een uitweg uit deze impasse. Als vast gebruik bezochten zij iedere zieke in de stad op de derde dag. Alle patiënten werd meegedeeld, dat dit hun vaste gewoonte was, ongeacht de ernst van de ziekte. Met alle patiënten werden de woorden uit de Joodse Codex doorgenomen, die de boodschap aan de zieke kort maar krachtig formuleren: “velen hebben hun zonden beleden en zijn niet overleden, terwijl anderen zonder zonde-belijdenis (widoej) gestorven zijn”. De standaardprocedure leidde niet tot overmatige angstgevoelens bij de bezochte zieken. Meestal werd het gewenste resultaat bereikt. Kies voor het leven – ook onder terminale omstandigheden.

5e alija (31:7-13). Toen Mosjé de gehele Tora had opgeschreven, gaf hij haar aan de Kohaniem, die de Tora in het Aharon HaKodesj, Arke van het Verbond, neerlegden. Na verloop van zeven jaar op Soekkot (Loofhuttenfeest) moet het hele volk samenkomen (de mannen, vrouwen en kinderen) om uit de Tora te horen voorlezen en G’d te leren vrezen.

►Het hele volk hoorde de Tora-voorlezing. Verbetert de Tora ons? Een prangende vraag zo vlak voor Rosj Hasjana. “Verbetert uw daden opdat het verbond door G’d niet verbroken wordt. Hij, die de Hemel zo mooi geschapen heeft, verhoort uw gebeden. En dit zal G’d beter vinden dan offerdieren”.

►Dit citaat uit de liturgie van de eerste dag Rosj Hasjana, licht een tipje van de sluier op die het mysterie van de Sjofar omfloerst. De pajtan – schrijver van de extra gedichten (pijoetiem) in het gebedenboek van Rosj Hasjana (waarschijnlijk Rabbi Elazar HaKallier, omstreeks 750) – rept niet over het pad, dat tot verbetering leidt. Toch wordt de techniek van de zelfanalyse kort aangeduid; sleutelwoorden zijn “het verbond met G’d” en “de zo fraai geschapen Hemel”. Kort samengevat: een continu streven naar het Hogere.

►De symboliek van de Sjofar begeleidt het religieuze groeiproces. Rabbi Sa’adja Ga’on reikt ons verschillende associaties aan, die onze nesjomme tot groei aanzetten. Het sjofargeluid is allereerst bedoeld als een soort wekker. Bij de meeste mensen leeft dat gevoel, die behoefte tot geestelijk groeien, al lang niet meer. Het ruwe, ongedifferentieerde blazen appelleert aan onze Joodse intuïtie, schudt die wakker uit zijn winterslaap van onder die dikke lagen van zelfgenoegzaamheid, najagen van succes en plezier: “Er is meer dan alleen het ondermaanse”.

►Rosj Hasjana heet in de liturgie de ‘geboortedag van de mens’. Rosj Hasjana nu is bedoeld als wedergeboorte. Direct na de geboorte wil een baby drinken – om te groeien. Eerst lichamelijke groei, later spirituele. Maar deze groei veronderstelt een kader, een stelsel van daaraan vooraf¬gaande zekerheden en regels. Met de Sjofar kronen wij G’d als Koning van de wereld, gelijk een aardse koning met bazuingeschal gekroond wordt. G’d als bestuurder van de wereld – het hoofdthema van de liturgie – heeft die fundamentele zekerheden en regels geboden, in de natuur en in Zijn geboden.

►De Sjofar roept op tot tesjoewa, dat meestal vertaald wordt als inkeer. Fout! Tesjoewa betekent terugkeer, teruggroei naar de Oorsprong van alles, de oorsprong in onszelf, ons echte zelf, het goede en G’ddelijke in de mens. En hierbij gaat het om respect, zorg en verantwoordelijkheid voor dit hoogste mensaspect. Ons dagelijkse ego moet hiervoor gevoelig worden gemaakt. Ons ‘gewone’ gevoel moet samensmelten met dat Hogere, en hiermee één worden. We moeten dat Hogere in onszelf durven aanvaarden, zoals het is, in zijn eigen integriteit. Behalve respect is hiervoor ook kennis van het Hogere in al zijn verschijningsvormen nodig.

►Daarom herinnert de Sjofar ons ook aan de Tora-geving op de berg Sinaï. Daarbij was ‘het geluid van de Sjofar zeer sterk’. Religieuze groei behoeft leiding en Openbaring. Op eigen kracht alleen blijft het G’ddelijke onbereikbaar. De Tora slaat de brug.

►De Sjofar-tonen worden in Ezechiël 33 vergeleken met de vermanende of opbeurende woorden van de profeten. Tora-kennis alleen is onvoldoende. Iedereen heeft een Rebbe, leraar of geestelijk leider nodig om verder te komen en zichzelf te ontgroeien.

►De Sjofar herinnert ons aan de Romeinse trompetten, die de verwoesting van de Tempel te Jeruzalem inluidden. Toen de Tempel er nog was, hadden we veel makkelijker contact met het Hogere. We denken met weemoed terug aan die tijd, toen spirituele groei nog eenvoudig realiseerbaar was. De gebroken tonen van de Sjofar – van oudsher uitgelegd als symbool van zuchten en snikken van de terugblikkende mens – breken ons in ons besef dat we in ons jachtige bestaan de dingen, die ècht belangrijk zijn maar al te vaak laten liggen. Maar juist in die afbraak van onze zelfgenoegzaamheid en zelfverzekerdheid ligt de kiem van hernieuwde groei: de liefde voor het G’ddelijke in ons.

►Liefde voor het G’ddelijke, de gedachte alleen al vervult ons met schaamte. Liefde voor G’d als gevoel van tederheid het G’ddelijke in de wereld niet te willen schaden. We hebben het altijd over allerlei regels, maar wie heeft er ooit gesproken over de grote vreugde, het geluk, de voldoening, verrukking of zelfs extase bij het ondergaan van dit gevoel? Het plezier in contact en samenzijn met dat Hogere noopt ons te proberen hiermee zoveel mogelijk samen te zijn. Wie durft ervan te gewagen, dat hij/zij de diepste zieleroerselen met het Hogere deelt?

►De Sjofar herinnert aan de komst van de Masjie’ach, wanneer wij onze liefde voor het Hogere openlijk zullen durven tonen. Als laatste herinnert de Sjofar aan de Herleving van de Doden, de gedachte, dat ieder lichaam dat het G’ddelijke ooit heeft ervaren, eens weer zal opstaan in een tijd dat het hogere vermogen tot liefhebben en door G’d geliefd te worden op aarde gemeengoed geworden zal zijn.

►Dàt is de èchte roep van de Sjofar.

6e alija (31:14-19). Het Joodse volk zal weer van G’d afvallen. In die tijd zal G’ds woede ontbranden. Dan zullen de mensen zeggen: “Hebben die rampen ons niet daarom getroffen, omdat onze G’d niet in ons midden is?”. G’d zal Zich volledig verbergen in deze kwade tijd. Mosjé schrijft een lied op, dat tegen het Joodse volk zal getuigen wanneer zij zondigen.

7e alija (31:20-30). Mosjé schreef het lied op, leerde het en gebood Jehoesjoe’a moedig te zijn. De Torarol moet worden neergelegd in de Heilige Arke. Mosjé voorspelt dat de Joden na zijn dood zullen afwijken van de geboden.

►Op Rosj Hasjana vragen we G’d om over de hele wereld te heersen. We kronen G’d tot koning. We zijn niet bezig met allerlei aardse verlangens. Wij erkennen dat wij Zijn dienaren zijn. In sommige religieuze kringen is dit concept van G’ds Heerschappij uitgebannen. Men ziet het niet meer zo zitten, die volledige onderdanigheid. G’d als Heler, Vriend in tijd van nood of als Wijze Raadgever is nog acceptabel maar absolute heerschappij en volledige gehoorzaamheid passen niet meer in onze tijd.

►Op Rosj Hasjana is dit wel de inhoud van onze gebeden. Als dienaren van de Allerhoogste willen wij niets meer of minder dan dat G’d als Koning wordt geëerd en erkend. In sjoel zijn we daarom eens niet hoofdzakelijk bezig met onze eigen wensen. Pas wanneer we thuiskomen, zien we daar zaken liggen, die ons herinneren aan onze parnose (levensonderhoud) en ons aards succes. We eten een appeltje met honing dat een goed en zoet jaar symboliseert en de kop van een vis omdat wij hopen tot ‘hoofd’ te zijn en niet tot ‘staart’.

►We zeggen in feite in symbolische taal tegen G’d: we willen U graag dienen als knechten en als kinderen, en dat hebben we ook de hele tijd in sjoel gedaan maar we kunnen dit beter doen, wanneer wij gezond zijn, kinderen hebben en voldoende geld verdienen om onze rekeningen te betalen. Help ons alsjeblieft ook hier mee!

►Deze verheerlijking van G’ds Koningschap over de wereld, heeft ook zeer persoonlijke consequenties. Wij kunnen niet zomaar onze eigen inzichten volgen. Dit vormt wellicht de hoofdboodschap van de sidra van deze week: ’Maar als iemand bij het horen van deze vervloekingen meent, dat hij gezegend zal blijven en zegt: ik zal vrede hebben wanneer ik in sjeriroet libie – de verstoktheid van mijn hart wandel’ – dan heeft hij het mis (29:18). Sjeriroet libi betekent de manier waarop mijn gevoel mij het ingeeft. Hiermee wordt een persoonlijkheid beschreven, die ondanks alle waarschuwingen, de Tora niet serieus neemt. Vaak menen wij inderdaad, dat wij zelf wel kunnen uitmaken wat goed en kwaad is. Vaak laten we ons leiden door ons eigen inzicht.

►Dit brengt ons naar een andere betekenis van sjeriroet libi. Men kan dit ook lezen als seraroet libi. Dan betekent het, dat men wordt gestuurd door het gevoel. Passie en ambitie regeren de mens. Men wordt beheerst door ‘zijn hart’. Als wij enkel ons gevoel volgen, zijn emoties ons de baas. Dat is de boodschap van Rosj Hasjana. Dat de Tora ons leven bepaalt en niet ons gevoel dat vanuit de laagste regionen van onze ziel opborrelt.

►Rosj Hasjana is puur. We komen niet in Sjoel om steeds `meer en mooier’ te vragen maar om G’d te eren en de richtlijnen van de Tora als onze ultieme leefregels te aanvaarden. Ons verlanglijstje laten we even thuis.

►Rosj Hasjana leert ons even het Andere centraal te stellen. Daaronder valt ook onze medemens. Daarom werden er drie bijzondere vrouwen – Sara, Racheel en Channa – op Rosj Hasjana bedacht. Ze raakten zwanger en kregen een bijzonder kind. Allen waren zij altruistisch. Avraham en Sara zorgden doorlopend voor anderen. Daarom werd hun kinderwens ingewilligd. Ook Racheel, onze derde Aartsmoeder, werd bedacht. Racheel had haar zuster Lea voor een geweldige schande onder de choepa met Ja’akov behoed, door haar de wachtwoorden te geven, zodat Ja’akov dacht dat hij daar met Racheel stond. Ook Channa werd bedacht op Rosj Hasjana, omdat zij alleen ter meerdere glorie van G’ds Koninkrijk, een kind wilde hebben. Zij zocht geen kind om te bemoederen maar wilde dat haar zoon Sjemoe’eel zijn hele leven zou wijden aan G’d.

Sjabbat Sjalom.

Reacties zijn gesloten.