KI TAVO (als je komt): Als het Land vrucht draagt, moet je de eerstelingen naar het Heiligdom brengen en een verklaring afleggen dat je alles aan G’d te danken hebt, dat je de geboden hebt uitgevoerd en de opgedragen tienden aan de rechthebbenden hebt gegeven. Mosjé stelt nog eens dat G’d een wederzijdse afspraak met de Bné Jisraëel heeft gemaakt: Hij heeft Zich de Bné Jisraëel als volk genomen en het volk zal alle geboden nakomen. Als het volk de Jordaan overtrekt moeten grote stenen genomen worden die later op de berg Ewal geplaatst zullen worden. Op de stenen moet de hele Tora worden geschreven. Er moet op de Ewal een altaar gebouwd worden dat niet met ijzer mag worden bewerkt.
Na het overtrekken van de Jordaan moet de helft van de stammen op de berg Geriziem staan en de andere helft op de berg Ewal, terwijl de Levieten twaalf (zegeningen en) vloeken reciteren, waarop het volk Ameen moet antwoorden. Mosjé noemt dan de zegeningen die het volk deelachtig zal worden als ze de ge- en verboden in acht nemen, maar als ze dat niet doen dan komen de ergste vervloekingen over hen.
► Kelala en beracha (vloek en zegen) hebben in het Jodendom drie betekenissen
Het oproepen van goede of slechte invloeden, het inroepen van geluk of ongeluk en de persoon waarop dit geluk of ongeluk op kan rusten. Gezegend is in het Hebreeuws baroech en gevloekt is aroer. Hoewel de meeste mensen aannemen dat woorden in de Bijbel intrinsiek veel meer kracht hadden dan tegenwoordig, is hier weinig bewijs voor te vinden in de Tenach. Wanneer een mens vloek of zegen uitspreekt, is G’d uiteindelijk de Bron die de woorden kan bekrachtigen. Zowel zegen als vloek zijn uiteindelijk, vanuit de mens bekeken, gebeden. Wanneer G’d zegen of vloek uitspreekt over iemand is dat een decreet. Een zegen, als uiting van het goede, wordt meestal weergegeven door de termen beracha (zegen), sjalom (vrede) en tov (goed). De meest gebruikte termen voor vloek zijn dit kelala (minachting) en ra’a (slecht). Zegeningen bevatten de termen lang leven, gezondheid, veel kinderen, rijkdom, eer en overwinning. Vloeken bestaan uit ziekte, dood, onvruchtbaarheid, armoede, misoogst, hongersnood, ellende en schande. In Bereesjiet 12:2 wordt Abraham, de eerste aartsvader, zelf gezien als een zegen (bron van zegen) en in Bemidbar 5:21 staat: ‘Moge G’d je een vloek maken.’
► De meeste oorspronkelijke term voor vloek in de Tora is ‘ala’.
Meestal gaat het om zweren en in feite betekent zweren dat men een voorwaardelijk vloek uitspreekt over zichzelf. Ieder zweren bevat een voorwaardelijke zelfvervloeking. Het woord kelala heeft als bijbetekenis minachting. Kelala komt van de stam kal, hetgeen licht betekent. Men is in de ogen van de vloeker licht, waardeloos en geminacht. G’d vervloeken betekent niks anders dan een gebrek aan respect voor G’d. Vaak uit zich dit in ongehoorzaamheid aan G’d’s opdrachten of eisen. Een G’dvrezend mens echter heeft respect voor G’ddelijke waarden.
► Zowel zegeningen als vloeken waren eigenlijk gebeden.
Vandaar dat er veel voorbeelden van voorkomen in Tenach. Men groet altijd met iets positiefs. Daarom worden groeten gezien als uitingen van goedwillendheid waarvoor de term beracha (zegen) toepasselijk is. Wanneer de aardse mogelijkheden zijn uitgeput of onvoldoende aanwezig zijn om het gewenste effect te bereiken, beroept men zich op de Allerhoogste.
Vandaar dat men zweert of onder ede verklaart in de rechtbank, bij plechtige inwijdingsrituelen of in officiële documenten. Bij analyse van de vloeken in Devariem 27:15-26 wordt de functie van vloeken duidelijk. Al de beschreven overtredingen en inbreuken op het verbond met G’d zijn zodanig dat die niet met de menselijke hand te straffen zijn. De aardse rechter schiet tekort. Vandaar dat Hemelse Hulp wordt ingeroepen.
► In de Talmoed wordt veel waarde gehecht aan het effect van zegen of vloek (vgl. B.T. Berachot 9:5).
Onder omstandigheden werd verordonneerd dat men G’ds Naam noemt wanneer men elkaar groet of tegenkomt, zoals Boaz deed (Ruth 2:4). Zegeningen werden uitgesproken bij besnijdenissen (zie Bereesjiet 48:20) en huwelijken (zie Bereesjiet 24:60). Bij afscheid nemen (vgl. B.T. Mo’eed Katan 29a) wordt aangeraden dat men ‘Ga in vrede’ zegt (Sjemot 4:18). In de Talmoed (B.T. Megilla 15a) stellen onze Wijzen dat men een zegen of vloek van een eenvoudig man toch niet licht mag nemen. Wanneer een niet-jood ons zegent moeten wij ameen zeggen (T.J. Berachot 8:9). De zegen van oudere en wijze mensen wordt bijzonder hoog aangeslagen. Men gaat speciaal zegeningen vragen bij grote Chagamiem (Wijzen). Wanneer men tsadikiem (heiligen) vermeldt, moet men hen zegenen door iets goeds over hen te zeggen (Bereesjiet Rabba 49:1). Avraham zegende iedereen. Hij werd daarom ook constant gezegend door G’d (Bereesjiet Rabba 59:5). De kracht om anderen te zegenen werd door Avraham aan Jitschak gegeven (Bereesjiet Rabba 61:6). Een zegen zonder vrede werd als onvolledig beschouwd (Bemidbar Rabba 11:7).
► Aan de andere kant is de Talmoed uiteraard erg negatief over vloeken, afgezien van het eventuele negatieve, bovennatuurlijke effect van een vloek.
In de Tora staan een aantal verboden tegen vloeken. Vloeken is minimaal ijdel gebruik van de Naam van het Opperwezen. ‘Gij zult G’ds Naam niet ijdel gebruiken’ (Sjemot 20:7) en ‘Gij zult niet vals zweren bij Mijn Naam’ (Vajikra 19:12). Volgens Rabbi Mosje ben Nachman (1194-1270, Spanje) is dit derde verbod uit de Tien Geboden een vervolg op de eerste twee. Misbruik van G’ds Naam is Majesteitsschennis in optima forma en raakt de essentie van onze relatie met G’d. Volgens Rabbi Aharon Halevi (14e eeuw, Barcelona) is de mens vergankelijk. Het G’ddelijke is eeuwig. G’ds Naam gebruiken in een eed is het eeuwige aanroepen en inroepen. Bij een gelofte bij G’ds Naam geeft men aan, dat niets op aarde hem kan weerhouden van zijn belofte. Omdat de mens zijn toekomst niet in eigen hand heeft en
nooit weet of hij het volgende moment nog bij machte is zijn gelofte uit te voeren, heet dit zweren een ijdel gebruik van G’ds Naam. Tegenwoordig is zweren – zelfs in de door de Tora voorgeschreven gevallen– in rabbinale rechtbanken geen gebruik meer omdat men zelfs voor onbewust misbruik van G’ds Naam vreest. De mens kan iets vergeten zijn of – in onschuld – een volkomen vertekend beeld van de realiteit hebben. Rabbi Sjelomo Luntshits (16e-17e eeuw, Praag) meent, dat men door
misbruik van G’ds Naam het evenwicht in de natuur verstoort. Ieder onderdeel van de schepping heeft iets G’ddelijks in zich. Wanneer men G’ds Naam ijdel gebruikt schudt men als het ware aan de stronk van de boom waardoor alle takken en vruchten mee schudden. Niettemin zijn deze effecten niet duidelijk zichtbaar. Vandaar dat Rabbi Avraham ibn Ezra (1092-1167, Spanje) opmerkt, dat de meeste mensen misbruik van G’ds Naam minder ernstig vinden dan moord, overspel of diefstal. Toch is misbruik van G’ds Naam een zwaarder en ernstiger misdrijf. Moord, overspel en diefstal zijn geen gewoonte-delicten. Men moet wachten op een goede gelegenheid om deze misdaden uit te voeren en overtreders worden doorgaans streng gestraft. Misdadigers in deze sferen genieten ook nog voordeel – voorzover misdaad loont – van hun overtredingen. Misbruik van G’ds Naam is in die zin een ernstige degradatie. Men zondigt zonder zichtbaar voordeel en vervalt makkelijker tot zonde omdat niemand het hoeft te merken.
► Men mag G’d niet vervloeken en ook de ouders niet (Sjemot 21:17, Vajikra 20:9).
Opvallend is dat in het Talmoedisch strafrecht het vervloeken van ouders zwaarder bestraft wordt dan het vervloeken van G’d. Rabbi Mosje ben Nachman (1194-1270, Spanje) verklaart, dat het vervloeken van ouders een tweeledige zonde is: men vloekt de ouders en gebruikt de Naam G’ds tevens ijdel. Da’at Zekeniem (12e eeuw) legt verder uit, dat G’d partner is met de ouders bij het ontstaan van een kind. Het vervloeken van de ouders omvat dan ook G’dslastering. Slaan van ouders is qua bestraffing lichter omdat hierbij het G’ddelijk element ten ene male ontbreekt. G’d heeft geen lichaam en is niet vatbaar voor lichamelijke aanvallen.
► De Tora verbiedt verder het vervloeken van rechters en leiders van het volk, zoals koningen en de hoofden van het Sanhedrien (Sjemot 22:27).
Wanneer men in een rechtszaak in het ongelijk wordt gesteld, zal men makkelijk vervallen tot het vervloeken van de rechtsprekende instantie. Rabbi Ovadja Sforno (1475-1550) acht dit verwerpelijk maar wel natuurlijk: het is immers makkelijker de rechters te vervloeken dan zelf schuld te erkennen. Rabbi Mosje ben Nachman legt hierbij uit, dat het aardse gerecht de G’ddelijke Wet uitlegt en toepast. Als zodanig zijn zij een verlengstuk van de Hemelse rechtspraak en verdienen zij respect. Rechters worden daarom in de Tora nog wel eens Elokiem genoemd, een term die wij ook voor het Opperwezen gebruiken. Gebrek aan respect voor rechters is uiteindelijk minachting voor het door G’d opgedragen rechtssysteem. Rabbi Menachem Recanati (13e eeuw, Italië) gaat hierop door met zijn stelling, dat de rechters door het gevloek van de partijen gedesillusioneerd zouden kunnen raken en hun baan zouden opgeven, waardoor de rechtsgang en –spraak bemoeilijkt zouden kunnen worden ten detrimente van de hele gemeenschap. Maimonides (1135, Spanje-1204, Egypte) en Rabbi Levi ben Gersjom (1288 -1344, Frankrijk) benadrukken de negatieve, psychologische kanten van het vloeken. G’d wil, dat de mens zich – ook op het verbale vlak – leert beheersen.
► Vloeken is een degradatie van de mens.
Men wordt niet geacht zijn frustraties en woede op anderen te bekoelen, ook al is het slechts met woorden. De mens staat boven het dier en dient zich conform te gedragen. Door zijn intellectueel overwicht misbruikt hij deze G’ddelijke gave als hij zijn Schepper vervloekt. Als hij in opstand komt tegen het Opperwezen zinkt hij lager dan een ‘grassprietje’. Doven mogen ook niet vervloekt worden (Vajikra 19:14). Dit laatste verbod werd uitgebreid tot allen die arm, gehandicapt of afwezig waren (B.T. Sanhedrien 66 a). Men mag zichzelf ook niet vervloeken. Het vervloeken van schoonouders werd gezien als een grond voor echtscheiding zonder betaling van de ketoeba (het huwelijkscontract; vgl. B.T. Ketoevot 72a-b). Vloeken is altijd verwerpelijk behalve wanneer het gaat over mensen die afschuwelijke dingen doen (B.T. Menachot 64b; Sanhedrien 97b).
► Vloeken wordt in het algemeen ernstig afgeraden: ‘Wees liever van degenen die vervloekt worden dan van degenen die vloeken’ (B.T. Sanhedrien 49a).
Drie keer per dag zeggen wij aan het einde van het hoofdgebed: ‘G’d behoed mijn tong voor kwaadspreken, mijn lippen voor het spreken van bedrog. Laat mij stil zijn tegenover allen die mij vloeken, laat mij als stof zijn voor wat van dien aard ook.’ De vloeken uit de Tora, waarmee het Joodse volk bij ongehoorzaamheid bedreigd wordt, zoals verwoord in Vajikra 26:14-43 en Devariem 28:15-68, ook wel de tochecha genoemd, worden zacht voorgelezen uit de Tora. Mensen wilden liever niet opgeroepen worden voor deze Tora-passages bij de openbare voorlezingen. Daarom wordt in sommige gemeenten een vrijwilliger opgeroepen. Sommige vrome rabbijnen lieten zich vrijwillig oproepen voor de lezing van de tochecha om andere mensen niet beschaamd te zetten. Ook een onterechte vloek door een groot geleerde treft altijd doel (B.T. Makkot 11a) maar werkt als een boemerang terug naar degene die hem uitspreekt (B.T. Sanhedrien 49a). De moraal van het verhaal luidt: ‘Houdt uw tong weg van het kwade – daarmee bespaart u zichzelf veel ellende.’
Koheen, 26:1-11. De mitsva van Bikkoeriem is dat de eerste vruchten van de zeven soorten in een mand naar het Bet Hamikdasj gebracht moeten worden. De Koheen plaatst die voor het Altaar, waarna men de parsja van de Bikkoeriem uitspreekt.
Levi, 26:12-15. Nadat men de teroema (heffing voor de Kohaniem), ma’aseer (een tiende voor de Levi) en ma’aseer anie (tiende voor de armen) heeft afgedragen (in het derde en zesde jaar van de zevenjarige sjemitacyclus), moet men formeel verklaren dat niets van de geheiligde producten nog in het bezit is en dat het op de juiste wijze weggegeven is (deze verklaring wordt op de laatste dag Pesach in het vierde en zevende jaar uitgesproken en heet vidoej ma’aseer).
3e alija, 26:16-19. Hier wordt onze relatie met G’d samengevat. We hebben G’d beloofd naar hem te luisteren en Hij heeft ons Zijn uitverkoren volk gemaakt, indien wij ons aan de mitsvot houden.
4e alija, 27:1-10. Zodra de Jordaan overgetrokken was, moesten wij grote stenen op de berg Ewal oprichten, met kalk bestrijken en daarop alle woorden van de Tora schrijven.
5e alija, 27:11-28:6. Na de intocht moeten zes stammen bij de berg Geriziem en zes bij de berg Ewal staan. Daar zullen zij de (zegeningen en) vloeken horen, die het gevolg zullen zijn van het al dan niet houden van de Tora en de mitsvot. De twaalf vloeken bestrijken verschillende gebieden in het Joodse leven, zowel op intermenselijk als mens-G’d vlak. Als we aandachtig luisteren naar de stem van Hasjeem, dan zal alles goed gaan.
6e alija, 28:7-69. De zegeningen gaan door met een belofte van overwinning. Maar wanneer wij niet luisteren, zal alles mislopen. Dit vloekgedeelte heet de Tochecha, letterlijk ‘Vajikrae waarschuwing’.
7e alija, 29:1-8. Nadat het volk alle wonderen heeft gezien, roept Mosjé hen op om de afspraken met G’d na te komen.
