PINCHAS (persoonsnaam): Pinchas krijgt van HaSjeem Zijn vredesverbond aangeboden, omdat hij het recht van HaSjeem heeft opgeëist door het leven te nemen van de Midjanietische Kozbi bat Tsoer en haar minnaar Zimri ben Saloe. Tevens beveelt G’d vijandelijkheden tegen de Midjanieten te openen, omdat ze de Joden in de (afgoden)valstrik lieten lopen. Mosjé en Elazar moeten van het volk de 20-jarigen (dienstplichtigen) en daarboven tellen. Er volgt een lange lijst met namen van families en het getal van de volwassen mannen is meer dan zeshonderdduizend.
Er is niemand bij die Mosjé en Aharon hadden geteld in de woestijn Sinaï, behalve Kalev en Jehosjoea. Mosjé moet het land in erfelijk bezit verdelen naar de omvang van iedere stam. De Levieten horen niet bij de getelden. Zij krijgen geen erfelijk bezit. De vijf dochters van Tselofchad claimen land, omdat hun overleden vader geen zoon had. HaSjeem vindt dat zij gelijk hebben, wijst het land toe en onderwijst de wetten van het erfrecht. G’d gebiedt Mosjé de berg Arawiem te bestijgen en uit te kijken over het Beloofde Land, waarna Mosjé moet sterven. Mosjé vraagt G’d iemand aan te wijzen die het volk kan leiden. Jehosjoe’a wordt aangewezen. In het openbaar draagt Mosjé op hem zijn leiderschap over. Daarna volgen een aantal voorschriften omtrent de offerdienst.
Numerieke gegevens Pinchas is de 41e Sidra, de 8e in Bemidbar. Pinchas bevat 6 geboden.
Koheen 25:10-26:4. Toen Pinchas Zimri en Kozbi doodde, ontstond er een geweldig meningsverschil over de vraag of hij juist gehandeld had. G’d getuigt, dat Hij akkoord is. De plaag stopte. Pinchas wordt beschreven als de kleinzoon van Aharon, de Hogepriester en G’d biedt hem een eeuwig priesterverbond aan, een verbond van vrede.
►Waarom slaagde Pinchas erin om G’ds woede tot bedaren te brengen? Omdat hij handelde als vertegenwoordiger van het hele volk. Daarom werd het gehele volk door zijn daad gespaard. ‘Toen hij mijn ijverzucht uitoefende temidden van hen’. Hij zette zichzelf niet op een voetstuk en keek niet neer op anderen. Hij reageerde alleen omdat hij uitermate bezorgd was over het lot van zijn volk. Hoewel vele Joden toekeken en zich alleen passief identificeerden met Pinchas, was dit voldoende om G’ds woede af te wenden. Niet iedereen staat op voor G’ds eer. Maar we kunnen ons minimaal identificeren met de mensen die dit wel doen. Dat op zich is al een verdienste.
►De Brisker Rav placht te zeggen: wanneer het pijn doet, schreeuwt men! Als iemand zichzelf religieus en psychisch kwaad doet, moeten we ingrijpen. Dit is geen gemeengoed in ons land, waar alles toegestaan is (`we leven immers in een vrij land’). Opmerkingen over ons religieus gedrag ervaren we vaak als inmenging in ons privé-leven. Maar dat is niet de Joodse houding. De halacha geeft aan wat goed is voor ons. Wanneer we daar tegen in gaan, heeft iedereen eigenlijk de plicht om orde op zaken te stellen. Hoewel de gulden middenweg altijd te prefereren is, zijn zeloten soms nodig om het spirituele niveau van een stad of land op peil te houden.
►‘Zeg hem daarom: zie, Ik geef hem Mijn verbond van vrede’ (25:12). Waarom heeft G’d Zelf Pinchas niet op de hoogte gesteld van het nieuwe vredesverbond met het Opperwezen? Het heeft te maken met het feit dat Mosje zelf niet had ingegrepen. Waarom was Mosje niet opgestaan? G’d wilde Mosje niet beschaamd zetten. Daarom werd Mosje erop af gestuurd om Pinchas op de hoogte te stellen van G’ds beloning. Hierdoor werd de kowed van Mosje gered.
►Waarom heette dit verbond een vredesverbond? Het lijkt meer op wreedheid! Wanneer de relatie tussen G’d en het Joodse volk verbroken dreigt te worden, moet iemand opstaan om de band tussen het Hasjeem en het Joodse volk weer te herstellen. Hoe het ook zij, Pinchas had twee doden op zijn geweten. Het was toch enigszins wreed wat hij deed, hoewel G’d het accordeerde en waardeerde. Een mens wordt beïnvloed door wat hij doet. Daarom moest Pinchas een vredesverbond hebben. De gevolgen van zijn dodend handelen op hemzelf zouden daardoor verzacht en uitgewist worden.
►Pinchas’ bereidheid om de dood te riskeren werd beloond met een verbond van vrede, het feit dat hij het volk verzoende met G’d. Maar Pinchas verwierf ook vergiffenis voor het hele volk. Daarom kreeg hij het priesterschap. Met name de kohaniem zorgen ervoor, dat iedereens awerot (zonden) vergeven worden. Pinchas was zo bescheiden dat hoogmoed hem totaal vreemd was. Daarom kon hij beloond worden in deze wereld, hoewel normaliter geen beloning voor mitsvot en goede daden wordt uitgedeeld in deze aardse wereld.
►‘Omdat hij ijverzuchtig is opgetreden voor zijn G’d’. Waarom staat er zijn G’d? Omdat Pinchas’ verontwaardiging voortkwam uit een persoonlijke belediging. Hij had zich zo geïdentificeerd met het G’ddelijke in de wereld, dat hij iedere opstand tegen de Tora beschouwde als een inbreuk op de Hemelse kavod (eer). Opkomen tegen het religieuze onrecht was een deel van zijn natuur geworden.
►Pinchas wordt vereenzelvigd met de voorloper van de Messiaanse tijden, de profeet Elijahoe. In de ballingschap komt de nadruk te liggen op het lichamelijke element, de bron van disharmonie en het kwaad. Indien de spirituele kracht van rechts en links, mannelijk en vrouwelijk niet meer in evenwicht zijn, verliezen wij de band met de essentie van ons bestaan. Ballingschap, Galoet, vertoont stamverwantschap met het woord ‘golem’, een dode klomp aardsheid, een lichaam zonder ziel. De Ge’oela, de verlossing, kent dezelfde letters als Galoet, alleen tussen de ‘g’ en de ‘l’ staat nu een alef, dat in getalswaarde staat voor de G’ddelijke éénheid, de Essentie achter de uiterlijke verschijningsvorm. Ge’oela, verlossing ontstaat wanneer wij ondanks de aardse verleidingen overal de Hemelse betekenis en diepere oorsprong in herkennen. De eindige materie zal dan veranderen in een doorlopende bron van inspiratie.
►Heeft u zich wel eens afgevraagd waarom de Masjie’ach de “Gezalfde” heet? Het staat in verband met de zalfolie die ooit eens door Mosjé Rabbenoe in de woestijn werd geproduceerd. Deze zalfolie was “oneindig”. Het was ongeveer vijf liter, die Mosjé Rabbenoe zelf, ongeveer 3300 jaar geleden, geproduceerd heeft. Deze vijf liter werden gebruikt gedurende 700 jaar voor de meest uiteenlopende zaken als het inwijden van de Tabernakel, de inauguratie van de dienstvoorwerpen in de Tempel en het inaugureren van Hoge Priesters en Koningen. De Talmoed vertelt dat de zalfolie, de sjemen hamisjcha, niet in kwantiteit verminderde door alle zalvingen waarvoor het gebruikt werd. Het bleef hetzelfde, veranderde niet en was ook niet onderhevig aan veroudering of bederf. Het bleef eeuwig bestaan totdat de zalfolie door Koning Josjijahoe verborgen werd in de geheime catacomben, die door Koning Salomo gebouwd waren, omdat hij de verwoesting van de Tempel voorzag en de heiligdommen veilig wilde stellen.
►Deze eeuwige materie duidt op éénwording van uiterlijke vorm en essentie. In onze ogen is de wereld vergankelijk omdat het materie is. Wanneer we de G’ddelijke vonk in alle materie zien, zal ook de vergankelijkheid van de materie opgeheven zijn. Dit verklaart waarom er ook een techiat hametiem (herleving der doden) zal plaatsvinden in de tijd van de Masjie’ach. De gebroken materie zal zijn geestelijke oorsprong hervinden en dus ook herleven. Groot zal de vreugde zijn wanneer men weer de harmonieuze éénheid tussen de mannelijke en de vrouwelijke, de gevende en de ontvangende elementen zal kunnen waarnemen met ogen van vlees en bloed.
►Pinchas drukt ons weer met de neus op de vraag naar de Joodse identiteit. Enige tijd geleden werd hierover weer een emotionele discussie gevoerd in de media. Waar komt dit vandaan, dat de moeder de identiteit bepaalt? De pasoek, waar het om draait staat in Dewariem 7:3 e.v. : “Met hen (niet-Joden) zult gij geen huwelijk aangaan, uw dochter zult gij niet geven aan zijn zoon en zijn dochter zult gij niet nemen voor uw zoon; want hij zou Uw zoon van Mij doen afwijken en zij zouden andere goden dienen en de woede van G’d zou tegen U ontbranden en Hij zou U spoedig verdelgen”. De Talmoed (B.T. Kiddoesjien 68b) stelt naar aanleiding hiervan:”Uw zoon, die komt uit een Joodse moeder, heet Uw zoon maar de zoon van een niet-Joodse vrouw heet niet Uw zoon maar haar zoon”.
►De Gemara komt tot deze conclusie omdat de woorden “want hij zou Uw zoon van Mij doen afwijken” nooit op de uit te huwelijken zoon kan slaan – omdat de Toratekst dan had moeten zeggen “want zij (de nieuwe schoondochter) zou Uw zoon van Mij doen afwijken”. De `zoon` uit de pasoek slaat op de zoon van een Joodse dochter (en een niet-Joodse man). De angst van de Tora is nu, dat de Joodse kleinzoon door de niet-Joodse schoonzoon tot afgoderij wordt verleid, hetgeen inderdaad een bedreiging vormt omdat de zoon – halachisch – Joods is.
►‘Tel de hele gemeente van de kinderen Israëls’ (26:2). Joden worden vergeleken met sterren. Net zoals elke ster zijn eigen plek heeft aan het firmament, heeft elke nesjomme (ziel) ook een speciale status. Bij de berg Sinai werden de Joden geteld om iedereen op zijn speciale deel in en band met de Tora te ontvangen. Nu ze op het punt stonden Israël binnen te trekken, zou iedereen zijn eigen deel krijgen in het land. Daarom moesten ze weer geteld worden.
Levi 26:5-51. Om het leger samen te stellen in de oorlog tegen Midjan, wordt een nieuwe telling gehouden. De Tora vermeldt alle stammen met hun families en het aantal mannen van dienstplichtige leeftijd.
►‘Dit zijn de families van de zonen van Gad ‘(26:18). De stammen worden met G’ds naam getooid – een hee aan het begin van de eigennaam en een joed aan het einde. Maar waarom wordt de familie van Gad niet `Hagadi’ genoemd? Omdat G’d alleen maar over onze zuivere afstamming kan getuigen wanneer wij sterk verbonden zijn met het Heilige Land. Als wij ons niet werkelijk verbonden voelen met het land Israël, zijn wij niet werkelijk onderdeel van het Joodse volk. Aan de overkant van de Jordaan wilde de stam Gad zijn woonplaats hebben. Omdat zij niet verlangden naar het land Israël zelf, heeft G’d Zijn naam niet aan deze stam willen verbinden.
3e alija (26:52-27:5). Aan deze mensen wordt het land toegewezen. De verdeling zal geschieden door een loting, door HaSjeem geïnspireerd, en houdt rekening met deze telling en de telling, die direct na de uittocht uit Egypte plaatsvond. De Tora geeft allerlei details van de stamboom van Levi, waarbij speciale aandacht wordt besteed aan de familie van Amram (Mosjé’s vader). De dochters van Tselofchad benaderen Mosjé, Elazar, de leiders van de stammen en het volk om een stuk in het Heilige Land. Ze benadrukken dat hun vader geen deel had in de opstand van Korach maar om zijn eigen zonden gestorven is.
►Ze hadden hun pleidooi professioneel opgebouwd: “Onze vader is in de woestijn gestorven, en niet in Egypte. Omdat hij Egypte heeft verlaten heeft hij automatisch een deel in het land Israël. Hij hoorde ook niet bij de klagers over het Manna, of over het water of bij de groep van Korach (al deze mensen hadden hun deel in het land verloren). Hij heeft ook anderen niet aangezet tot zonde maar stierf vanwege zijn eigen fout (volgens sommigen was hij de houtsprokkelaar die de Sjabbat overtrad, Bemidbar 15:32. Volgens anderen was Tslofchad één van de Ma’afiliem, die, direct na het debacle met de verspieders, tegen G’ds wil Israël probeerden te bereiken, Bemidbar 14:44).
►Mosjé wist het antwoord niet. Mosjé legde de vraag direct aan G’d voor omdat hij enigszins partijdig was geworden in het geding. De vijf dochters hadden Mosje een beetje gevleid door te zeggen, dat Tselofchad geen deel had in de rebellie van Korach tegen Mosje. Zelfs deze lichte vorm van waardering was al voldoende om Mosje als onafhankelijke beoordelaar te diskwalificeren.
4e alija (27:6-23). G’d antwoordt de dochters van Tselofchad dat zij hun vaders deel zullen krijgen en een dubbel deel in hun grootvaders land (omdat Tselofchad de eerstgeborene van Chefer was). Hierna volgt het erfrecht. Mosjé moet de Ha’awariem op om het land te zien, hetgeen hij niet mag betreden. Daarna moet Mosjé zich eigenlijk voorbereiden op zijn einde. Mosjé vraagt een geschikte leider in zijn plaats. Jehosjoea zal de taak overnemen. Elazar was al Hogepriester in plaats van Aharon.
5e alija (28:1-15). Het dagelijkse ochtend- en namiddagoffer volgen.
6e alija (28:16-29:11). Hier volgen de Moesafoffers van de feestdagen, te beginnen met Pesach.
7e alija (29:12-30:1). De moesafoffers van Soekot en Sjeminie ‘Atseret (Slotfeest). De Sidra eindigt met een verwijzing naar alle offers in de Mikdasj (Tempel).
