BALAK (persoonsnaam): Balak, de koning van Moab vreest Am Jisraeël en zendt afgezanten naar de waarzegger Bileam met het verzoek met hen mee te gaan om het Joodse volk te vervloeken. Bileam raadpleegt G’d die eerst nee en dan ja zegt op voorwaarde dat hij alleen zegt wat G’d hem ingeeft. Bileam berijdt zijn ezelin, die zich echter ongehoorzaam betoont omdat zij wel en Bileam niet de Engel ziet die de weg verspert. Tenslotte slaat Bileam de ezelin drie keer, waarna de ezelin in mensentaal vraagt waarom hij zijn trouwe rijdier slaat. Daarop opent HaSjeem Bileams ogen en hij ziet ook de Engel staan met getrokken zwaard. Bileam krijgt nogmaals de opdracht alleen datgene te zeggen wat HaSjeem hem ingeeft.
Koning Balak treft voorbereidingen om offers te brengen zoals Bileam hem opdraagt maar tot drie keer toe kan Bileam alleen maar een zegen over het Joodse volk uitspreken, tot woede van koning Balak, die hem tenslotte wegzendt. Echter, nog voordat hij vertrekt profeteert hij over de slechte toekomst van Moab. Het Joodse volk begint ontucht te bedrijven met Moabietische meisjes en werpt zich neer voor hun afgoden. Uit woede beveelt G’d alle schuldigen op te hangen. Op een gegeven moment brengt Zimri, stamvorst van Sjimon, in het openbaar een Midjanietische vrouw naar zijn tent. Pienechas, een kleinzoon van Aharon doorsteekt beiden, waarna de plaag ophoudt, die 24.000 mensen het leven heeft gekost.
Numerieke gegevens: Balak is 40e Sidra, de 7e in Bemidbar. Balak bevat geen mitswot.
Koheen 22:2-12. Balak was een zwakke koning. De nederlaag van zijn buren Sichon en Og maakte hem bang en hij begreep dat een gewone oorlog tegen Israël onzinnig zou zijn. Hij huurde Bileam in om het volk te vervloeken. Balak stuurde een delegatie naar Bileam in Midjan. Die blijven overnachten, zodat Bileam een G’dsspraak kan ontvangen. G’d verschijnt aan Bileam en vraagt wie de mensen bij hem zijn. G’d waarschuwt Bileam niet met Balaks delegatie mee te gaan en het volk niet te vervloeken, omdat het gezegend is.
“Alles wat Israël had gedaan aan de Amorieten”. Wanneer de Tora spreekt over Israël gaat het over het Joodse volk als perfecte eenheid.Vlak voor het geven van de Tora staat dat Israël zich legerde aan de voet van de berg (Sjemot 19:2). Daar kwam Israël voor de berg Sinaï als één man met één verlangen. Sichon, de koning van de Amorieten, werd door Israël verslagen.De kracht van de Joodse eenheid maakte Balak uitermate bang hetzelfde lot als de Amorieten te moeten ondergaan.
► Hoe meer G’dvrezend men is, hoe meer Tora men kan bevatten. Maar wanneer men niet rein is van binnen, kan al het moois verloren gaan. Men kan het vergelijken met een kok die een recept krijgt. Hij doet alle ingrediënten in de pan maar het gerecht blijft oneetbaar. Toen hij vroeg aan zijn collega hoe dat kwam zei deze hem: “Het gerecht is niet te eten omdat je hebt verzuimd de pan schoon te maken voordat je begon te bakken. Alle vuiligheid is in het eten terecht gekomen”. Bileam vergat zichzelf te zuiveren voordat hij in contact kwam met G’d. Op die manier bleef hij dezelfde lage persoonlijkheid die hij altijd al geweest was. De G’ddelijke Aanwezigheid heeft hem persoonlijk niets gedaan, hij bleef wie hij was. Dit was zijn broch.
► De volkeren dachten dat Mosjé’s kracht in zijn magische kunsten lag. Maar toen zij geconfronteerd werden met Bileam begrepen zij dat zwarte magie geen uitkomst bood. Na Bileam hadden de Joden geen excuus meer om Mosjé niet te volgen.
► De haat van Balak was zo groot dat het vervolgen van de Joden een doel op zichzelf werd. Als wij dawwenen vragen wij een beracha voor onszelf. Balak vroeg niets voor zichzelf, alleen een vloek voor zijn vijanden.
► Toen Bileam hoorde dat hij niet mocht vloeken stelde hij voor om het volk te zegenen. G’d weigerde dat: “Niet van jouw honing en niet van jouw stekels”. Honing, is kosjer omdat het niet uit de bij, dat een treife dier is, voortkomt. Het bijengif komt uit het dier zelf. De beracha van Bileam was alleen maar lippendienst. Het kwam niet uit hemzelf, maar zijn vloeken kwamen diep uit zijn hart.
Levi 22:13-20. Bileam stuurt Balaks gezanten weg en weigert mee te gaan. Balak stuurt een groter en belangrijker delegatie en biedt grote eer en rijkdom aan als Bileam zou ingaan op zijn verzoek. Bileam weigert weer, maar deze keer geeft G’d Bileam toestemming om de Moabieten te begeleiden. Hij waarschuwt hem echter slechts te doen wat Hij hem vertelt.
► Een van de meest opvallende uitspraken van de Gaon van Wilna (18e eeuw) is zijn stelling dat het Bijbels Hebreeuws geen synoniemen kent. Woorden die soms dezelfde betekenis lijken te hebben, hebben toch een verschillende connotatie. Een klassiek voorbeeld van deze benadering staat in de sidra.
► De profeet Bileam werd benaderd door de boodschappers van Balak, de koning van Moaw, om Israël te vloeken. Hij krijgt instructies van Boven: “G’d zei tegen Bileam ga niet met hen mee” (Bemidbar 22:12). Maar toen er meer boden van Balak kwamen om Bilam aan te sporen om toch te komen, veranderde G’ds opdracht eveneens: “als deze mensen gekomen zijn om jou te halen, sta op en ga met ze mee” (Bemidbar 22:20). Is G’d van gedachten veranderd? En als Bileam geluisterd heeft naar de laatste opdracht van G’d waarom moeten we dan iets verder lezen “dat G’d erg kwaad was dat Bilam gegaan was”.
► De Gaon van Wilna lost dit dilemma op met het verschil tussen “et” en “im”, Hebreeuwse woorden die beide “met” betekenen. De Gaon legt uit dat het eerste woordje (“et”) aanduidt dat er slechts eenheid is in de zin van fysieke nabijheid maar dat het laatste woord (“im”) niet alleen nabijheid in plaats aanduidt maar ook gemeenschappelijke bedoelingen of doeleinden aangeeft. Toen Bileam opgeroepen werd om Israël te vervloeken was G´ds antwoord ga niet “imahem” (32:12) oftewel associeer je niet met hun voorgenomen onderneming. Maar bij de tweede gelegenheid vertelde G´d aan Bileam dat als hij dat wilde, hij met de gezanten van Balak mee kon gaan: “Sta op en ga ietam” (22:20). Met andere woorden: je mag wel met ze meegaan maar doe niet mee met hun plannen. Deze vorm van toestemming werd ‘s nachts inderdaad aan Bileam gegeven (om zijn gezicht te redden). Toen Bileam de volgende ochtend opstond en z´n eigen ezelin zadelde, vertelt de Tora dat “hij met “im” (de) officieren van Moav meeging”. Ondanks G’ds waarschuwing wilde Bileam toch aan hun verzoek voldoen en Israël vloeken. Dit was de reden dat G’d niettemin kwaad op hem was.
► De specifieke betekenis van het Hebreeuwse woord “im”, vormt de sleutel voor een diepere analyse van een bekende uitspraak in Pirké Awot (6:9): Rabbi José ben Kisma heeft gezegd: “Eens ging ik op reis, daar kwam ik iemand tegen. Hij groette mij en ik hem. Toen vroeg hij mij: “Rabbi, uit wat voor plaats komt u?” En ik antwoordde hem: “Uit een grote stad van Wijzen en Geleerden kom ik.” Hierop zei hij mij: “Rabbi, zou u wel bij ons in de stad willen wonen? Dan geef ik u vele duizenden gouden munten, edelstenen en parels.” Ik antwoordde hem: “al zou u mij al het zilver en goud en alle edelstenen en parels van de wereld willen geven, toch zou ik niet anders willen wonen dan in een plaats waar Tora is”.
► Hoe wist Rabbi José dat de plaats waar hem een nieuwe positie werd aangeboden geen plaats van Tora was? De Maharal van Praag (16de eeuw) legt uit dat Rabbi José door de toevallige voorijganger gevraagd werd “imanoe bimkomenoe – met ons in onze stad”. De voorbijganger deed Rabbi José zijn voorstel met twee uitdrukkingen van “bij ons”. De Maharal legt uit dat de vreemdeling niet alleen wilde dat Rabbi José de Rabbijn zou worden in hun stad (bimkomenoe- geografisch) maar ook imanoe. Hij verzocht Rabbi José zich ook aan te passen aan de normen en waarden van de stad van bestemming. Hij wilde een Rabbijn hebben die totaal in het denkpatroon en leefstijl zou passen en die geen spanningen of conflicten zou veroorzaken tussen zijn lessen en hun levensstijl. Het woord “imanoe” heeft Rabbi José kopschuw gemaakt. Hij begreep dat de rabbinale positie die hem aangeboden werd, gebonden was aan de voorwaarde, dat hij zich niet al te kritisch zou opstellen ten opzichte van de stadsgenoten.
3e alija (22:21-38). Bileam zadelt zijn ezel en gaat mee met de Moabitische delegatie. G’d is echter kwaad op Bileam en stuurt een Engel om hem te ontmoedigen. Drie keer ziet de ezelin de Engel op de weg, maar Bileam ziet hem niet. Bileam slaat zijn ezelin totdat zij Bileam aanspreekt op zijn daden. Dan laat G’d Bileam de Engel zien en Bileam geeft zijn zonden toe. Hij biedt aan om terug te gaan, maar de Engel laat hem doorgaan met de waarschuwing niets zonder G’ds toestemming te zeggen. Bileam vertelt Balak dat hij niets zelfstandig kan ondernemen.
► Rabbi Elchanan Wasserman (begin 20ste eeuw) legt uit waarom G’d kwaad was op Bileam omdat hij meeging hoewel Hij hem geïnformeerd had, dat hij mee mocht gaan. Volgens Rabbi Elchanan Wasserman bestaan er drie soorten voorschriften:
– ge- en verboden uit de Tora
– instructies in de Profeten (die minder rechtskracht hebben)
– wenselijkheden, die de oplettende lezer uit de nuances van de Toratekst haalt.
► In eerste instantie was het uitermate duidelijk dat G’d niet wilde dat Bileam een actief deel nam aan het complot tegen het joodse volk. Hoewel Bileam later toestemming kreeg om mee te gaan had het overduidelijk moeten zijn voor Bileam dat hij niet actief mee mocht doen in de vervloeking van het joodse volk. Wat G’d precies wilde, interesseerde Bileam kennelijk niet. Hieruit kunnen we belangrijke lessen trekken: echt joods leven is wanneer we zowel naar de letter als naar de geest van de wet leven. Zelfs met een volledige rabbijnse wetgeving zijn er zoveel situaties en gebieden waar geen regels voor zijn voorgeschreven, dat wij genoodzaakt zijn om daar de geest van de Tora te volgen.
► Wie zal uitmaken wat de Tora werkelijk van ons wil? De geest van de Tora kan alleen bepaald worden door mensen die voldoende in de diepgang en achtergronden van de Tora zijn doorgedrongen en zo in de geest van de Tora leven dat zij de juiste beslissingen kunnen nemen. Dit zijn over het algemeen de grote geleerden in iedere generatie over wie de Tora zegt dat wij hun inzicht moeten volgen.
► Eerst weigert HaSjeem toestemming (22:12) en nu mag Bileam meegaan? Onze Chagamiem leggen uit, dat ‘de mens geleid wordt op de weg die hij gaan wil’ (B.T. Makkot 10b). De mens heeft de vrije keus en vanuit de Hemel zal hem weinig in de weg gelegd worden om zijn morele beslissingen te realiseren. Wanneer de mens maar echt iets wil, gebeurt het meestal ook. G’d wilde Bileam weghouden van zijn en Balaks vijandige intenties. Maar toen Bileam duidelijk maakte, dat hij zou blijven ‘zeuren’ gaf HaSjeem hem toestemming om mee te gaan, ook al zou dit uiteindelijk Bileams einde betekenen…
4e alija (22:39-23:12) Balak brengt offers en Bileam laat zeven altaren bouwen. (hiermee hoopte hij de zeven offers van de Aartsvaders te neutraliseren). In plaats van te vervloeken beschrijft Bileam de uniciteit van het Joodse volk. Balak is kwaad, maar Bileam herinnert hem er aan, dat hij alleen kan zeggen wat G’d wil. Bileam beschrijft het Joodse volk als ‘alleenstaand’.
► Hoewel iedereen een vrije keuze heeft om goed of kwaad te doen, wordt het Joodse volk als geheel geleid om de wil van G’d uit te voeren. Omdat G’d de wereld alleen geschapen heeft als een middel voor het Joodse volk om Hem te dienen, is het ondenkbaar dat heel Israël zich ooit afwendt van G’ds wil, omdat dan het hele bestaan van het universum wordt bedreigd. Dit was de boodschap die Balak aan Bileam probeerde over te brengen:’Alleen een deel van hen kun je zien, maar je kunt ze niet allemaal zien’(Numeri 23:13). Bij sommigen kun je individuele tekortkomingen vinden maar bij allen als totaal zul je geen gebreken vinden. De Misjna leert ons dan dat heel Israël, het volk Israël een deel aan de toekomstige wereld heeft omdat het volk als geheel rechtvaardig is (Akedat Jitschak).
5e alija (23:13-26) Balak neemt Bileam mee naar een andere plaats, waarvandaan hij het volk wellicht beter zou kunnen vervloeken. Opnieuw worden zeven altaren gebouwd en offers gebracht. Bileam zegent het volk op een prachtige wijze. Balak wordt weer kwaad en Bileam benadrukt zijn beperkingen.
6e alija (23:27-24:13) Balak gaat naar een andere uitkijkpost. Bileam bouwt wederom zeven altaren en op elk daarvan wordt een os en een ram gebracht. Bileam mediteert niet zoals gebruikelijk, maar begint meteen te spreken om Israël te vervloeken. Balak neemt Bileam mee naar Rosj haPe’or. Hij voorzag dat daar Joden zouden sterven en Balak meende dat dit kwam door een succesvolle vloek. Bileam zegende het volk voor de derde keer, toen hij zag hoe zij gelegerd waren. Dit was de druppel die de emmer deed overlopen.
7e alija (24:14-25:9) Voor zijn afscheid profeteert Bileam over andere volken in de regio. Bileams laatste advies was het volk te verleiden tot onzedelijkheid en afgoderij zodat G’d zich tegen de Joden zou keren. 24.000 mensen sterven nadat de Ba’al Pe’or gediend werd. Pinchas verdedigt G’ds eer en stopt de plaag.
► Meestal vecht men oorlogen uit met wapens. Het ‘wapen’ van het Joodse volk is dawwenen en leren (= hun mond). Bileam legt zijn wapen terzijde en probeert het volk met hun eigen wapen te attaqueren. G’d benaderde Bileam met zijn normale wapen, het zwaard van de Engel. Bileam werd uiteindelijk door het zwaard omgebracht.
