Parsja Choekat

CHOEKAT (WET): Met de as van de rode koe is het mogelijk rein te worden na contact met een dode. Mirjam sterft. Er is geen water. God gebiedt Mosjé tegen de rots te spreken. Mosjé slaat met zijn staf op de rots. Er komt veel water uit. Mosjé en Aharon mogen het Land niet binnen. De koning van Edom wil het volk niet doorlaten en dreigt met geweld; daarom kiest men een omweg.

Aharon sterft op de berg Hor. Zijn ambt wordt overgenomen door zijn zoon Elazar. Wederom verzet het volk zich tegen Mosjé, waarna giftige slangen veel slachtoffers maken. Ook hieraan weet Mosjé een einde te maken. De Bné Jisraeel trekken verder de woestijn door. Aangekomen bij het gebied van Sichon, koning der Emorieten, weigert deze doortocht. Na een oorlog neemt Israël het land van Sichon in bezit. Ook Og, koning van Basjan voert oorlog met de joden. Og verliest zijn land aan het volk.

Koheen, 19:1-17. De rode koe mocht geen gebrek hebben en nooit een juk hebben gedragen. Zij werd buiten de Tempel geslacht en volledig verbrand, nadat het bloed zeven maal gesprenkeld was in de richting van de voorzijde van de Tent der Samenkomst. Iemand die in contact komt met een overledene wordt ritueel onrein voor 7 dagen. Water met as van de rode koe wordt op de 3e en 7e dag op de onreine gesprenkeld.

Levi, 19:18-20:6. De koheen moest cederhout, hysop en rode wol nemen en deze op de brandende koe werpen. De onreine moet met de as van de rode koe besprenkeld worden. De as van de rode koe maakt degene die ermee gesprenkeld heeft onrein en de besprenkelde onreinen rein.

► De leerlingen van de Ba’al Sjem Tov vroegen hem: “De Tora is toch eeuwig en spreekt toch ieder mens aan in elke generatie, onder alle omstandigheden? Wat kunnen we leren van de rode koe? Iemand die onrein is geworden, mag niet op de Tempelberg komen en het Beet Hamikdasj niet betreden totdat de koheen hem besprenkeld heeft met de as van de rode koe. Maar de Tora geeft tegelijkertijd aan dat de koheen die besprenkelt, zelf weer onrein wordt. Daarom valt de rode koe onder de onbegrijpelijke wetten. Het maakt de onreinen rein, maar de reinen onrein. Tegenwoordig hebben wij allemaal een chazaka (sterk vermoeden) dat wij onrein zijn. De as van de rode koe is weggeborgen.
Daarom mag niemand de Tempelberg betreden.
Wat is de boodschap van de as van de rode koe tegenwoordig”?

► De Ba’al Sjem Tov antwoordde dat rode koe nog steeds actueel is: “Over het algemeen geldt er gelijkheid bij de 613 ge- en verboden. Er is geen verschil tussen de ene Jood en de andere. Tefillien kennen een hoge kedoesja; ze zijn zelfs heiliger dan de gouden voorhoofdsplaat van de Koheen Gadol, de hogepriester. Desondanks moet iedereen tefillien leggen zoals de Arizal, Rabbi Sjimon Bar Jochai en Mosjé Rabbenoe deden. De Sjabbat is de heiligste dag in de week. Desondanks moet iedereen deze houden, van groot tot klein. Niemand kan zichzelf voorhouden dat hij niet zo heilig is en daarom deze heilige dag niet in acht hoeft te nemen. Ook kwaadsprekerij is verboden voor iedereen. Niemand heeft het recht te zeggen “Ik ben zo verdorven dat ik wel het recht heb om kwaad te spreken over anderen”. Maar buiten de 613 mitswot zijn er begrippen als reinheid, zuiverheid en intentie. Het uitvoeren van de mitswot met aandacht, enthousiasme, zielsverheffing en extase, daartoe is iedereen slechts volgens zijn eigen beperkte mogelijkheden, begrip en niveau, verpicht. De reinheid die men krijgt met de as van de rode koe duidt daar op.

► Onze Chagamiem zeggen (B.T. Pesachiem 50a) dat we altijd met Tora en mitswot bezig moeten zijn ook al doen wij dit niet volledig lisjma, voor G’d. Van onzuivere motieven komt met tot zuivere motieven. De Rambam zegt dat dit het gebaande pad is: kinderen worden aangemoedigd met snoepjes opdat zij zullen leren. Later geeft men waardevoller prijzen en uiteindelijk wordt de mens gestimuleerd door het vooruitzicht van een hoge positie en veel eer totdat hij begrijpt dat hij de Tora om haar eigen wil moet bestuderen. Dit, zegt de Ba’al Sjem Tov is de les die wij van de as van de rode koe kunnen leren. De Tora kan in eerste instantie iemand die ver weg staat van het Jodendom rein maken en verheffen tot een hoger niveau. Maar daarna moet met tot het besef komen dat men de Tora helemaal voor G’d moet leren. Wanneer men dat niet haalt, maakt het degene die rein zijn geworden weer een beetje onrein. Onzuivere motieven werpen een smet op het leren. Iedereen heeft gelijke rechten in de Tora. Maar op het niveau van leren voor Hasjeem is alles afhankelijk van je eigen niveau en kan je daarin stijgen maar ook struikelen. Dat is de les van de rode koe.

3e alija, 20:7-13. Mosjé en Aharon moesten in de aanwezigheid van het volk tegen de rots spreken, zodat er water zou vloeien. Dit moest een wonder worden maar Mosjé slaat op de rots waarna er water verschijnt. G’d wordt kwaad op Mosjé en Aharon, omdat ze een gelegenheid om Zijn naam te heiligen voorbij laten gaan. Als ze tegen de rots hadden gesproken, hadden de mensen begrepen dat ook zij moesten luisteren naar G’ds woord. Noch Mosjé noch Aharon mogen het volk het land in leiden. G’d is streng met Zijn rechtvaardigen.

4e alija, 20:14-21. Mosjé stuurt boodschappers naar Edom. Hij vertelt de voorgeschiedenis en vraagt of hij door zijn land mag trekken. Ook een 2e verzoek wordt geweigerd en het volk wijzigt zijn route om niet met Edom in conflict te komen.

5e alija, 20:22-21:9. Het volk reisde van Kadeesj naar Hor Hahar. Daar zou Aharon sterven. Mosjé neemt Aharon en Elazar mee boven op de berg waar de kleren van de Hogepriester aan zijn zoon worden overgedragen als opvolger. Alle mensen rouwen gedurende dertig dagen. Ze werden meteen daarna aangevallen door de Kena’anieten. De aanval werd succesvol afgeslagen. Moe van de lange reis klaagt het volk tegen G’d en Mosjé. Er heerst grote ontevredenheid over het manna. Toen werd het volk door vurige slangen aangevallen. Vele stierven. Het volk kwam tot inkeer en vroeg Mosjé tot G’d te dawwenen om hen te sparen. G’d vertelde Mosjé een koperen slang te maken en deze bovenop een staf te zetten. Iedereen die de staf zou zien zou blijven leven.

6e alija, 21:10-20. Het volk arriveert bij zijn tochten bij een plaats die ‘de bron’ heet. Water is nodig om in de woestijn te overleven. Op een spiritueel niveau stelt water de Tora en het leven zelf voor. Het lied van de bron is vol verheven symboliek.

► Het Lied van de Bron is bijzonder kort (21:17-20), slechts drie pesoekiem. Het langste lied in de Tora is Ha’azinoe (Devariem 32), drieënveertig pesoekiem. Het Lied van de Zee (Sjemot 15) is ongeveer de helft, negentien pesoekiem. Men zegt wel eens: “Wanneer de Rebbe zelf darsjent (een voordracht houdt), darsjent hij lang. Wanneer de leerling darsjent met de hulp van de Rebbe, darsjent hij voor de helft. Maar wanneer hij zélf moet darsjenen, zonder hulp, komen er met moeite maar drie pesoekiem uit zijn mond.” Ha’azinoe werd uitgesproken door Mosjé in zijn eentje, vandaar dat het zo lang is met alle gebeurtenissen die het Joodse volk zouden treffen. De Ramban, een kabbalist, zegt dat er niemand onder het Joodse volk is wiens naam niet in Ha’azinoe vermeld staat. Het Lied van de Zee zongen Mosjé en de kinderen Israëls samen en is dus maar voor de helft zo groot als Ha’azinoe. Maar bij het Lied van de Bron staat er: “Toen zong het Joodse volk” (21:17). Zij zongen alleen. Daarom waren het slechts drie pesoekiem.

► “En zij trokken vanaf de berg Hor via de Jam Soef” (21:4). Toen Aharon stierf op de berg Hor, verdwenen de beschermende wolken van de G’ddelijke Majesteit die hen aldoor hadden omringd.
Rasjie verklaart dat zij besloten hadden om een stuk terug te trekken naar Egypte. Ze waren bevangen van angst. Op de pasoek: “En de Bnee Jisraeel trokken van Be’erot Bnee Ja’akan naar Mossera. Daar stierf Aharon (Devariem 10:6) vraagt Rasji: Maar hij stierf toch op de berg Hor? Ook dit is een deel van de terechtwijzing van Mosjé. Toen Aharaon stierf op de berg Hor aan het einde van de veertig jaar en de wolken van G’ddelijke bescherming verdwenen, vreesden jullie de oorlog met de koning van Arad en wilden jullie terug naar Egypte. Acht reizen zijn jullie achteruitgegaan tot Bnee Ja’akan en van daar naar Mossera. Daar heeft de stam Levi met U gevochten en heeft U uiteindelijk besloten om toch maar weer de weg naar Israël te vervolgen. In Mossera hebben jullie zwaar gerouwd om de dood van Aharon die hiervan de oorzaak was. Door zijn overlijden verdwenen de beschermende wolken. Het was dus alsof hij daar gestorven was. Het voorgaande bevat een belangrijke les. Bij gebrek aan bescherming door de wolken was men bereid af te zien van het Beloofde Land en terug te keren naar Egypte. Dit kwam enkel en alleen door het overlijden van Aharon. Maar wanneer werd er pas gerouwd? Bij de burgeroorlog met de stam Levi. Het gemis van Aharon leidde tot oorlog.

► De Imree Emet, de Gerer Rebbe, wijst op zijn karakter: Aharon was een Sjolemmacher, die iedereen dichter bij de Tora bracht door zijn liefde. In de Gemara staat dat iedere generatie de leider krijgt die het verdient (B.T. Erechien 17a). Als hij geen invloed kan uitoefenen op de hele generatie dan tenminste op zijn omgeving of zijn stam. De Joden keerden terug naar Egypte. Dit was voor G’d even moeilijk als de dag waarop zij het gouden kalf maakten (Rasji Devariem 10:6). Toen ontstond er een burgeroorlog tussen de stam Levi en de rest. Was dit de eigenschap van Aharon, de vredesnajager? Uiteraard niet. Toen zag men in, dat Aharon inderdaad gestorven was. Zijn invloed was gestopt, zijn levensdoel was vergeten. Daarom heeft men pas toen werkelijk gerouwd om het verlies van Aharon.

► “Want er is geen brood en geen water en wij hebben een afkeer van de nietige, lichte spijs” (Bemidbar 21:5).
De Joden klaagden over het Manna. Er volgde een vreselijke plaag `zodat er veel volk stierf’. Hadden ze eigenlijk wel wat te klagen? Het Manna was wit als korianderzaad en smaakte als koek, gebakken met honing. Zonder speciale wensen smaakte het voor kinderen als melk, voor volwassenen als brood, voor de ouderen als honing en voor de zieken als gerst in olie en honing. Manna had een heerlijke geur. Voor de vrouwen diende het ook als parfum en opmaak.

► Een ieder mocht daarvan een omer (ongeveer twee kilogram) inzamelen en het moest binnen vierentwintig uur worden gegeten. Zodra de zon erop scheen, begon het te smelten. Vrijdag werd een dubbele portie ingezameld omdat er op de Sjabbat geen Manna viel. Gedurende de hele woestijnreis aten de Joden het Manna.Voordat het Manna viel veegde een noordenwind de woestijngrond schoon. Daarna viel er regen en werd het schoongewassen. Vervolgens viel er dauw, dat hard werd door de wind, zodat het kon dienen als de tafel voor het Manna, dat uit de Hemel viel. Dit Manna werd weer bedekt door een tweede laag dauw, om het te beschermen tegen insecten en ongedierte.
►Het Manna had opmerkelijke kwaliteiten. Het was in het begin te vergelijken met astronauten¬voedsel. Manna werd volledig door het lichaam opgenomen en produceerde geen uitwerpselen. Dit voordeel zagen de Joden in de woestijn als een nadeel: ”Omdat het totaal geabsorbeerd werd in hun lichaam noemden zij het Manna `nietig en licht’. Zij vreesden dat het Manna op een bepaald moment zwaar zou worden en zou uitzetten in hun lichaam. Ze hadden nog nooit meegemaakt, dat iemand van eten niet naar de w.c. zou hoeven”, aldus Rasji. Toen zij zondigden door over de smaak van het Manna te klagen, werd het gelijk normaal voedsel. Maar het Manna had ook grote voordelen; het viel elke dag opnieuw, zodat de Joden het niet hoefden te vervoeren en het vers konden genieten. Omdat zij iedere dag weer bedacht werden vanuit de Hemel, richtten zij hun harten op G’d voor hun dagelijks brood.
Toch bleven de Joden niet tevreden over het Manna. Juist omdat zij steeds afhankelijk waren van deze dagelijkse “Manna-dropping”, voelden zij zich onzeker. Iedere dag weer werden de Joden met hun neus op het feit gedrukt dat zij afhankelijk waren van Boven.

►Bovendien sloeg de verveling toe. Het Manna had iedere dag dezelfde witte kleur. Het was zeker waar dat men er alles in kon proeven wat men wilde, maar het oog wil ook wat. Men kan wel een heerlijke biefstuk proeven, maar zolang dit niet wordt gezien, smaakt het toch minder. De Joden snakten naar tastbaar voedsel en dat was dit Hemelse voedsel nu eenmaal niet.

►Toen de profeet Jeremia vele eeuwen later mensen aanspoorde om meer Tora te gaan leren, antwoordden zij: “Hoe kunnen wij onszelf in leven houden, als wij alleen maar Tora leren?”. De profeet haalde toen het kruikje met Manna uit de Tempel en zei: “Zie wat uw voorouders heeft gediend als voedsel, toen zij in de woestijn de hele dag de Tora bestudeerden. Ook jullie zullen door G’d worden onderhouden als jullie jezelf meer zetten aan de Torastudie”. Toen het erop leek dat de Tempel vernietigd zou worden, werd het kruikje met Manna verborgen, samen met de Heilige Arke en de zalfolie. In Messiaanse tijden zal de profeet Elijahoe al deze dingen weer terugbrengen. Volgens de Talmoed (B.T. Chagiega 12b) zal in de tijd van de Masjie’ach (Messias) het Manna weer voedsel zijn voor de heiligen. Manna was geestelijk voedsel en zal in spirituele hoogtijden weer terugkeren.

Reacties zijn gesloten.