►De Tora is het eerste document, dat serieus aandacht besteed aan dierenrechten. Voorbeelden hiervan zijn de verplichte rustdag, het voederen van de dieren voordat de mens aan tafel gaat, het verbod om dieren af te beulen en de opdracht dierenleed zoveel mogelijk te voorkomen. Zelfs de sjechita (het rituele slachten) is diervriendelijk. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat wanneer beide halsaders tegelijkertijd doorgesneden worden, de bloeddruk vrijwel meteen wegvalt en het dier binnen een paar tellen buiten bewustzijn is: ‘Schapen verslappen volledig meteen na het aansnijden. Door het zonder verdoving dubbel aansnijden is een dier net zo snel (zo niet sneller) buiten bewustzijn als met verdoving’. Koheen, 21:1-15. Een Koheen moet zich aan zijn zeven meest nabije familieleden verontreinigen: vrouw, moeder, vader, zoon, dochter, broer en ongetrouwde zuster.
Levi, 21:16-22:15. Een koheen met een lichamelijk gebrek mag geen dienst doen in de Tempel. Zelfs tijdelijke moemiem (gebreken) diskwalificeren. Een gediskwalificeerde koheen mag de Tempel niet binnen maar mag wel de meeste van de heilige voedselsoorten eten.
3e alija, 22:17-33. Offerdieren mogen geen gebreken hebben. Dieren mogen niet gecastreerd worden (ook huisdieren niet). Pasgeboren dieren moeten zeven dagen bij hun moeder blijven en mogen pas daarna als korban gebruikt worden. Het is verboden om een moederdier en een kind op dezelfde dag te slachten.
►De Tora is het eerste document, dat serieus aandacht besteed aan dierenrechten. Voorbeelden hiervan zijn de verplichte rustdag, het voederen van de dieren voordat de mens aan tafel gaat, het verbod om dieren af te beulen en de opdracht dierenleed zoveel mogelijk te voorkomen. Zelfs de sjechita (het rituele slachten) is diervriendelijk. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat wanneer beide halsaders tegelijkertijd doorgesneden worden, de bloeddruk vrijwel meteen wegvalt en het dier binnen een paar tellen buiten bewustzijn is: ‘Schapen verslappen volledig meteen na het aansnijden. Door het zonder verdoving dubbel aansnijden is een dier net zo snel (zo niet sneller) buiten bewustzijn als met verdoving’. Volgens Levinger (1979) treedt onmiddellijk na de halssnede een snelle bloeddrukdaling op, waardoor het bloed de hersenen niet meer kan bereiken. De bloeddruk in de hersenen daalt nog sneller door het leegstromen via de venen. Dit feit veroorzaakt een onmiddellijke shock. Door de anoxie verliest het dier het bewustzijn in 3-5 seconden. Schulze e.a. (1978) hebben het optreden van bewusteloosheid bij ritueel slachten bij schapen en runderen met behulp van EEG (electroencefalogram) onderzocht. Het EEG is voor en direct na de halssnede gelijk, waardoor verondersteld wordt, dat het dier geen pijn lijdt.
►De Tora schrijft verder voor om dieren niet te castreren:“En in jullie land mogen jullie dat niet doen” (22:24). Dat ‘niet doen’ slaat op het onvruchtbaar maken. Dit verbod wordt sterk uitgebreid. Volgens Rabbi Chidka uit de Talmoed geldt dit verbod wereldwijd en voor iedereen.
►Wat is de achtergrond van het castratieverbod? Volgens Sefer haChinoeg (291) heeft G’d de wereld perfect geschapen. Er is niets teveel of te weinig. G’d wil verder de welvaart en uitbreiding van iedere soort bevorderen. Uiteindelijk is het castratieverbod gericht tegen uitsterven. Iedere diersoort moet voor uitroeiing worden behoed. Wanneer men dieren castreert, laat men zien dat men het natuurlijke verloop van de Schepping wil dwarsbomen. De Tora beschermt bedreigde diersoorten. Wat een vooruitziende blik! Pas in de twintigste eeuw is men zich wereldwijd met deze problematiek gaan bezighouden terwijl Sefer Chinoeg dit probleem reeds 800 jaar geleden in het vizier had. De Talmoed (1500 jaar geleden opgeschreven) heeft het volgens Rabbi Joseef Babad (18e eeuw) al over bedreigde vissoorten. Toch zijn er mazen in de wet. En niet voor niets. G’d heeft de mens het inzicht gegeven om mazen in de wet te vinden omdat er soms wantoestanden ontstaan door konijnen-, katten- of muizenplagen. Overlast door ongebreidelde voortplanting bij sommige dieren is niet ondenkbaar.
►Een ander diervriendelijk verbod luidt: “Een os of lam, ouder en kind, zult gij niet op één dag slachten” (22:28). Nachmanides (13de eeuw, Spanje) vergelijkt deze mitswa met de opdracht de moedervogel weg te sturen wanneer men de eieren wil nemen (Dewariem 22:6). Voorkomen moet worden dat de mens wreed wordt en geen medelijden meer koestert voor dieren. Een andere ratio is, dat men niet teveel van één soort op één dag mag doden dat wederom een maatregel is ter bescherming van bedreigde diersoorten. Maimonides stelt in zijn Moré Newoechiem (Gids der Verdoolden), dat men jongen niet moet doden voor de ogen van het moederdier. Hij vergelijkt dierenleed met mensenleed en stelt dat er geen wezenlijk verschil bestaat tussen de zorgen van de mens om zijn kinderen en de gevoelens van dieren:“Moederliefde heeft niets te maken met intellectuele capaciteiten”. Maimonides stelt verder dat het verbod ‘ouder en kind niet op één dag te slachten’ een veel bredere strekking heeft en bedoeld is om wrede menselijke trekjes te onderdrukken of te sublimeren. Halachisch gezien geldt het verbod voornamelijk bij moederdier en kind. Tegenwoordig is het echter zo, dat men vaak ook precies weet wie de vader is van dit kalf of lam. Indien dit het geval is, mag men ook het vaderdier en het jong niet op één dag slachten.
4e alija, 23:1-22. Sjabbat en feestdagen, Pesach, Sjawoe’ot en Soekot.
“Dan zult u voor uzelf tellen van de dag na de Sjabbat, van de dag waarop u de Omer van de beweging brengt: zeven volle weken zullen het zijn; tot de dag na de zevende Sjabbat zult gij tellen, vijftig dagen” (Wajikra 23:15).
►In de Talmoed (B.T. Menachot 65b) worden de openingswoorden van deze pasoek als volgt uitgelegd: “En jullie zullen voor jezelf tellen hier wordt de meervoudsvorm gebruikt dit komt om ons te leren dat het tellen moet geschieden door iedereen apart”. Rabbi Baroech Epstein (20e eeuw) auteur van Tora Temima, stelt dat de Chagamiem tot deze conclusie komen, door de eerder geciteerde pasoek naast de pasoek uit Wajikra 25: 8 te leggen: “Voorts zult u enkelvoud zeven Sjabbatjaren tellen, zeven maal zeven jaren”. De laatste pasoek slaat op het tellen van de jaren in de zevenjarige Sjemittacyclus en de Joweelcyclus. Gebruik van de enkelvoudige werkwoordsvorm geeft aan dat slechts één (rechts)persoon, het Sanhedrien, de plicht heeft om te tellen. Terwijl de meervoudsvorm in onze sidra (23:15) aangeeft, dat het gehele volk verplicht is om de Omer te tellen.
►Over de manier van tellen zei Abaje (Chagiga 17b):”Het is een plicht om de dagen te tellen, het is een plicht om de weken te tellen”. Daarom zeggen wij op bijvoorbeeld de twintigste dag van de Omer: “Vandaag is het twintig dagen, wat twee weken en zes dagen is”.
Het Omertellen benadrukt de waarde van tijd niet zozeer in de zin van “time is money” (kwantiteit) maar meer in kwalitatieve zin, “time is spirit”. Binnen som¬mige Chassidische groeperingen is het gebruikelijk voor het slapen gaan een balans op te maken van de spirituele verworvenheden van de afgelopen dag. Evenals een zakenman met sluitingstijd de balans van zijn kas opmaakt, maakt de Jood balans op van de wijze, waarop hij de afgelopen vierentwintig uur heeft besteed. Daarom staat er ook “u moet voor uzelf tellen”: het Omertellen is een individuele aangelegenheid. Iedereen moet proberen voor zich tot een positief resultaat te komen aan het einde van iedere tijdseenheid. Een belangrijk gegeven in een tijd, waarin velen de persoonlijke verantwoordelijkheid van zich afschuiven en de schuld van ieder persoonlijk falen toeschrijven aan de regering, de maat¬schappij, het systeem of andere ongrijpbare grootheden.
►Het terugwerpen van het individu op zichzelf wordt met name tegenwoordig als onaangenaam ervaren. De Omertijd confronteert ons met onze persoonlijke verantwoordelijkheden in de intermenselijke situatie. Volgens de traditie is de reden van de rouwstemming gedurende de Omertijd het overlijden van de 24.000 leerlingen van Rabbi Akiwa, die leefden in de tweede eeuw. Vreemd; omdat er ongeveer 1800 jaar geleden 24.000 leerlingen van Rabbi Akiwa – nota bene door hun eigen schuld, zoals de Talmoed aangeeft – overleden, moeten wij tegenwoordig nog rouwgebruiken in acht nemen?!
Maar helaas is er sinds de tweede eeuw niet veel veranderd. Ook nu nog gaat het Joodse volk gebukt onder verdeeldheid en onverdraagzaamheid. Er is geen reden meer om te treuren? Ik zou haast willen zeggen, dat er juist tegenwoordig reden te over is om te treuren, daar wij nog steeds niet geleerd hebben elkander eervol en positief te bejegenen. De Omertijd is de tijd van het verbeteren van de relatie met de medemens, een tijd van bezinning over de “zondeval” van het Joodse volk, juist in onze dagen.
►Het Omertellen dient ‘s nachts te geschieden. De Talmoed (B.T. Menachot 65b-66a) zegt: “Men had kunnen menen, dat men de gerst overdag zou kunnen oog¬sten en brengen en dat men ook overdag zou mogen tellen. Ter lering daarom¬trent staat er geschreven (23:15): “…zeven volle weken…”. Wanneer zijn de zeven weken nu vol? Indien men met ingang van nacht (het begin van de volgende dag) begint te tellen!”
In feite mag men de gehele nacht (met beracha) tellen, maar de Poskiem stellen, dat men de mitswa van het Omertellen op de meest juiste wijze volbrengt, indien men aan het begin van de nacht telt. Zou men hebben nagelaten de eerste nacht te tellen, dan zou de eerste week niet ‘vol’ (compleet) zijn, daar reeds een nacht voorbij gegaan zou zijn voor het begin der telling.
In Chiloefe Minhagiem (een werk omtrent verschillen in minhagiem tussen ver¬schillende Joodse groeperingen) wordt een interessant verschil in gebruik bij het Omertellen tussen de Joodse gemeenten in Babylonië en Israel beschreven; de Joden in Israel hadden de gewoonte de Omer zowel ‘s nachts als overdag te tellen. Deze laatste minhag is bewaard gebleven bij de Egyptische Joden: na het ochtend¬gebed tellen zij de Omer nogmaals (uiteraard zonder beracha).
►Bij de Risjoniem bestaat verschil van mening over het tellen overdag. Als je verge¬ten bent ‘s avonds direct na het invallen van nacht te tellen en je je dit pas de volgende dag herinnert, kan je dan alsnog de telling inhalen (overdag) of geldt, dat je de telling niet meer kan inhalen?
Hieromtrent bestaan drie meningen:
a. men kan de volgende dag nog met beracha tellen en de misser zo inhalen
b. men kan de volgende dag in het geheel niet meer tellen, zelfs niet zonder be¬racha, zodat de misser niet meer (overdag) is in te halen
c. men kan de volgende dag het gemiste inhalen door een juiste telling, maar dit inhaaltellen geschiedt zonder beracha (in overeenstemming met het principe, dat “indien er twijfel bestaat of een beracha gezegd moet worden wij de beracha niet zeggen, safeek berachot lehakeel”).
►Deze laatste mening wordt als halacha gebracht in de Sjoelchan Aroech. Met andere woorden men blijft ‘in de telling’ doordat men overdag het gemiste in¬haalt, maar men mag bij deze ‘inhaal-manoeuvre’ overdag geen beracha zeggen.
►De continuïteit, in acht te nemen bij het tellen, stamt uit de woorden “… (zeven) volledige weken…”, die de Tora gebruikt bij de plicht van het Omertellen. De Talmoed zelf leidt uit de woorden “…volledige weken…” alleen af, dat het geboden is ‘s avonds na het invallen van nacht te tellen. Behag ziet in deze woorden echter een positieve verplichting: alle negenenveertig dagen der omertelling vormen een eenheid, hetgeen impliceert, dat, indien men gedurende een volledige dag (nacht en opvolgende dag) de Omertelling niet heeft verricht, de volgende dagen niet meer geteld kunnen worden. Immers, indien men een dag gemist heeft, kan niet meer gesproken worden van zeven volledige weken.
In het tijdperk der Ge’oniem (750-1000 n.d.g.j.) is over deze halacha veel gedis¬cussieerd: “Indien men knoflook heeft gegeten en hierdoor sterk ruikt, mag men dan nog meer knoflook eten, zodat men nog sterker stinkt?”, waarmee men be¬doelde te zeggen, dat het eigenlijk niet juist is verder Omertellen te staken, indien men de sefiera een dag heeft nagelaten en hierdoor een overtreding heeft begaan.
Een andere vraag is of men door de telling een dag na te laten ook niet meer het recht heeft de weken te tellen…! En indien het waar is, dat de telling van negenen¬veertig dagen naar de opvatting van Behag slechts een (langdurige) mitswa is, waarom zeggen we dan elke avond een beracha over het Omertellen? Ook de Tosafisten vielen over deze vragen (B.T. Menachot 66a) en concluderen, dat de mening van Behag hoogst twijfelachtig is. Rosj in naam van Rabbenoe Jitschak (12de eeuw) stelt daarom, dat elke avond en elke telling een afzonderlijke mitswa is; anders dus dan Behag.
►Sommige Ge’oniem willen een onderscheid maken bij het probleem van de conti¬nuïteit der telling tussen de eerste dag der Omer en de volgende dagen. Zij zijn van mening, dat nalatigheid op de eerste dag verdere telling verhindert, maar indien men vergeten heeft op een der volgende dagen te tellen, levert dit geen manco in de continuïteit op. Maar zelfs dit compromis ondervond weerstand bij andere geleerden.
►De halacha, zoals geformuleerd in de Sjoelchan Aroech luidt, dat indien men een volledige dag heeft vergeten te tellen, de volgende dagen wel geteld moeten wor¬den doch zonder beracha.
►Een aantal Acharoniem houdt zich verder bezig met de vraag wat een minderjari¬ge, die midden in de Omertelling Bar-mitswa wordt, moet doen. Kan hij na zijn Bar-mitswa met beracha verder tellen of ontbreekt het hem aan zeven volledige weken, nu hij voor zijn Bar-mitswa als kind telde en na zijn Bar-mitswa als vol¬wassene verplicht wordt te tellen (de telling voor de Bar-mitswa telt misschien niet mee)? De discussie draait voornamelijk om een vraag van meer principiële aard: wordt het vervullen der geboden gedurende een periode, waarin men als minderjarige nog niet echt verplicht is tot het nakomen van ge- en verboden wel volledig beschouwd als een nakoming van verplichtingen? De halacha luidt, dat een jongen, die als minderjarige begonnen is met beracha te tellen en geen dag heeft overgeslagen, dit mag voortzetten na zijn Bar-mitswa met beracha. De telling gedurende zijn minderjarigheid wordt voldoende geacht voor het criterium van volledige weken.
Een proseliet (geer) echter, die tot het Jodendom is overgegaan gedurende de Omerperiode, moet de resterende Omertijd zonder beracha tellen, daar zijn telling voor zijn overgang tot het Jodendom niet beschouwd wordt als het vervullen van een gebod, daar hij immers voor zijn gioer nog niet-Joods was. Zo ontbreekt aan zijn telling de volledigheid, die nodig is voor tellen van de resterende tijd met beracha.
