Sjemini – de 8e dag. Op de achtste dag van de inwijding van de Tabernakel verschijnt G’ds Majesteit. Hemels vuur verteert het offer. Twee zonen van Aharon brengen vreemd vuur. HaSjeem (G’d) treft hen. Bedwelmende drank is verboden voor dienstdoende kohaniem (priesters). Dieren met gespleten hoeven, die bovendien herkauwen, zijn rein. Vissen moeten vinnen en schubben hebben. 24 soorten vogels worden verboden. Van insecten mag men slechts 4 soorten sprinkhanen eten. Koheen, 9:1-16. Aharon brengt zond- en brandoffer.
Aharon bracht een kalf als verzoening voor het gouden kalf. Toch is dit moeilijk. Een aanklager kan geen advocaat worden, luidt een oude Talmoedische regel (B.T. Rosj Hasjana 27a). Aharon had echter niet gezondigd. Hij geloofde niet in het gouden kalf. Hij deed alsof hij met het volk meeging in de hoop, dat Mosje snel zou verschijnen. Zijn plan mislukte. Daarom wordt de ‘misser’ hem op zeer subtiele wijze aangerekend. Maar een kalf als offer mocht Aharon brengen. Want daarmee werd duidelijk, dat hij niets serieus met het gouden kalf van doen had. Anders zou hij een aanklager in plaats van een verdediger geofferd hebben.
Levi, 9:17-23. Na enkele details van het mincha = meeloffer en de vredeoffers, hief Aharon zijn handen op en doechende = zegende hij het volk.
3e alija, 9:24-10:11. Een Hemels vuur daalde af om de offers te verteren. Nadaw en Awihoe brachten vreemd vuur. G’ds vuur verteerde Nadaw en Awihoe van binnen. Aharon zwijgt. Twee neven verwijderen de lichamelijke overschotten. Kohaniem mogen geen lang haar of gescheurde kleren dragen. Tijdens de dienst mochten zij het Misjkan niet verlaten. Dronkenschap is uit den boze.
Nadaw en Awihoe gingen niet mee in de ware bedoeling van het Jodendom. G’d wilde wonen temidden van het Joodse volk. De heiligheid zou afdalen naar de aarde. Nadaw en Awihoe gingen juist de tegenovergestelde richting, van beneden naar boven. Daarom trouwden zij ook niet omdat ze zich niet wilden verlagen tot een huwelijk en ook geen nesjommes op de wereld wilden laten afdalen. Dit zou daling betekenen. Zij zochten juist stijging.
Verheffing van het aardse
Ze weigerden hun handen en voeten te wassen voor de Tempeldienst omdat dit het symbool is van het heilige en zuivere van het aardse doen en laten. Zij droegen geen priesterkleding omdat een profeet in hoogste staat van extase juist de neiging heeft om zich los te maken van alle aardse beperkingen. Religieuze gevoelens ontsproten uit hun binnenste. Een hoge vorm van inspiratie; maar net als vuur moet dat geleid en getemd worden om niet tot excessen en foute richtingen te vervallen. Dát was het vreemde vuur, dat ze brachten op het altaar. Enthousiasme is goed maar moet evenals vuur in goede banen geleid worden. Vuur is een verwoestend element als het niet in de hand wordt gehouden. Zo ook religieus enthousiasme. Mooi maar gevaarlijk. Zij waren zo vervuld van hogere vervoering dat ze van extase stierven. Ondanks hun goede intenties daalde er een vuur uit de Hemel neer, dat alleen hun ziel verteerde maar hun lichaam intact liet.
Vluchtig als damp
Mensen verschillen onderling in het vermogen om enthousiast te worden. Enthousiasme kent verschillende gradaties, zowel kwalitatief als kwantitatief. Het kan hevig en constant zijn maar ook zo vluchtig en mistig als damp. Een aanvankelijke hevige liefde kan vervlakken of omslaan in haat. Enthousiasme maakt blind en kan misplaatst zijn. Liefde kan zich richten op onwaardige doelen. Daarom heeft enthousiasme een dirigerende hand nodig; opofferingsgezindheid en warmte vallen in verkeerde handen zonder verstandige en verstandelijke richting geving. De Tora geeft richtlijnen en ‘controles’ op dit gebied. G’d, die ons het vermogen tot enthousiasme schonk en ons in Zijn Tora heeft opgedragen hiervan gebruik te maken, toont ons in de gewijde literatuur hoe dit vermogen te benutten.
Altruïsme en egoïsme
Een voorbeeld van een gezonde balans tussen twee tegengestelde factoren, enthousiasme en gierigheid, altruïsme en egoïsme geeft de Tora op het gebied van tsedaka. De joodse ethiek veroordeelt gierigheid en vrekkigheid. Aan de andere kant heeft het Jodendom nooit en te nimmer de filosofie van extreem altruïsme, die van zijn aanhangers eist, dat zij afstand doen van elk verlangen naar persoonlijk gewin, gepropageerd. De joodse moraal heeft nooit de stelling aanvaard, dat de mens al zijn bezit en rijkdom moet wegschenken aan armen, omdat dit getuigt van een onrealistische mensvisie. De Tora stelt hoge normen voor elk individu; maar deze idealen zijn nooit zo verheven gesteld, dat zij voor gewone stervelingen onbereikbaar zouden zijn. De doelstellingen van de Tora gelden voor alle mensen en zijn niet slechts voor een elite bestemd. ‘De wegen van de Tora zijn aangenaam’ (Spreuken 3:17, naar Talmoedische interpretatie). De Tora eist, dat wij in alles wat wij doen en menen, de gulden middenweg vinden en toont ons in het voorschrift van tsedaka het juiste midden tussen egoïsme en altruïsme, een modus vivendi en operandi die voor ieder mens toegankelijk is.
4e alija, 10:12-15. Mosje draagt Aharon, Elazar en Itamar op om van de offers te eten.
Direct na deze treurige episode volgt een verbod op sterke drank in de Tempel, het Beet haMikdasj: “Wijn of bedwelmende drank zult u niet drinken, u en met u uw zonen, wanneer u de Tent der samenkomst binnengaat – een instelling voor uw nageslachten – en om te onderscheiden tussen het gewijde en het ongewijde, tussen het onreine en het reine”(10:9).
Te veel wijn drinken is geen goede zaak. Toch mag men bij 7 gelegenheden wel wijn drinken. Deze liggen alle in de geciteerde pasoek (vers) aangeduid:
1. bij een huwelijk (jij en je kinderen)
2. bij een inwijding van een nieuw huis (wanneer u de Tent der Samenkomst binnengaat)
3. bij een dankmaaltijd na een redding (opdat jullie niet zullen sterven)
4. bij een besnijdenis (is ook een eeuwige instelling)
5. bij kiddoesj en hawdala (om te onderscheiden tussen heilig en ongewijd)
6. tijdens Poeriem (tussen heilig (Mordechai) en ongewijd (Haman)
7. bij een sijoem, beëindiging van een traktaat “lernen” (om te onderwijzen).
Innerlijke motivatie geëist
Naar aanleiding van deze pasoek stelt de Midrasj Rabba (12:3): “De opdrachten van G’d zijn rechtvaardig, zij verheugen het hart” (Psalmen 19:9). Wat is het verband tussen het verbod voor de kohaniem (priesters) om wijn te drinken bij de dienst in de Tempel en de zin uit Tehilliem (Psalmen) die ons vertelt dat de geboden van G’d ons verheugen? Rabbi Simcha Boeniem uit Psjischa legt het volgende verband: een koheen moet de dienst in de Tempel met enthousiasme en simcha uitvoeren. Eigenlijk is het vreemd, dat de kohaniem bij de dienst geen ‘glaasje op’ zouden mogen hebben. Sterke drank brengt vreugde: ‘Wijn verheugt het hart van de mens’ (Psalmen 104:15). Misschien hadden we zelfs wijn verplicht moeten stellen in de Tempel! Maar er bestaat een verschil tussen vreugde, veroorzaakt door externe factoren (zoals drank) en vreugde, die uit onszelf ontstaat omdat we vervulling vinden in het leven en de G’dsdienst. De vreugde in onze religie moet uit onszelf komen, van binnen ‘opborrelen’. Daarom mochten de kohaniem niet beschonken en sjikker in de Tempel verschijnen. Dat zou betekenen dat ze te weinig innerlijke motivatie zouden hebben bij de dienst. Ook dit is een vorm
van vreemd vuur.
Parlementaire taal
Aan het einde van het openingsvers staat “en om te onderscheiden tussen het gewijde en het ongewijde, tussen onrein en rein, en om de Bné Jisraëel te onderwijzen”. In de Talmoed wordt een episode gebracht van twee leerlingen van Hilleel de Oude. De één vroeg Hilleel waarom druiven wél in reine manden geoogst moeten worden en waarom olijven niet in reine voorwerpen moeten worden geplukt. Maar de andere leerling stelde dezelfde vraag in een iets andere bewoording: “Waarom moeten de druiven in reine voorwerpen en de olijven in onreine manden geoogst worden?”. Hilleel was een subtiel psycholoog. Hij lette op de woordkeus van ieder mens. Hilleel vond de formulering van de eerste leerling gepast maar de woordkeus van de tweede ongepast, omdat hij het woord tamee (onrein) gebruikte. Uit het taalgebruik van zijn discipelen maakte hij op wat hun capaciteiten waren. Hij zei over zijn eerste leerling: “Ik ben er zeker van, dat hij nog eens een grote rabbijn zal worden”. En zo was het ook. De eerste leerling werd de bekende rabbi Jochanan ben Zakkai (B.T. Pesachiem 3b).
Rabbi Elijahoe van Wilna zegt naar aanleiding van deze Talmoedische gebeurtenis, dat dit de betekenis is van dat laatste versdeel. Degene die op juiste wijze onderscheid kan maken tussen rein en onrein en oppast altijd nette en voorkomende taal te gebruiken, die zal de leiding kunnen nemen op religieus terrein. Ongepast taalgebruik duidt op een verkeerde instelling, een vreemd vuur.
Bekieso, bekoso oewekaso – In zijn portemonnee, in zijn drinken en in zijn woede
Deze gedachte ligt ook aangeduid in een uitspraak van Rabbi Ila’i: “Op drie manieren laat de mens zich kennen: in zijn portemonnee, in zijn drinken en in zijn woede”. Als iemand teveel drinkt duidt dit op een gebrek aan zelfcontrole en zelfdiscipline. Hij heeft persoonlijke problemen en kan ze niet op een aanvaardbare manier oplossen. Ook uit de wijze waarop iemand zaken doet kan men veel van zijn/haar persoonlijkheid te weten komen. Is hij volledig eerlijk of probeert hij anderen tekort te doen? Geeft hij voldoende liefdadigheid of kan hij het niet over zijn hart verkrijgen om zijn zuurverdiende geld met de armen te delen?
Iemand die onbeheerste woedeaanvallen heeft, wordt door onze Wijzen vergeleken met een afgodendienaar omdat zijn duistere temperament hem – als een vreemd vuur – helemaal overheerst. Een waarlijk vroom mens wordt nooit echt kwaad omdat hij beseft, dat alles wat op zijn weg komt – goed of kwaad – van G’d afkomstig is.
5e alija, 10:16-20. Mosje wordt kwaad omdat ze niet van de offers aten. Aharon verdedigt zijn zoons door op hun treurende status te wijzen. 6e alija, 11:1-32. Reine en onreine dieren met namen en/of kenmerken. 7e alija, 11:33-47. Vissen moeten ‘vin en schub in het water’ hebben.
Sommigen zien vinnen en schubben als een symbool van kracht. Alleen een vis die tegen de stroom in kan zwemmen, is kosjer. Het symboliseert een ‘kosjer’ leven. Alleen wanneer we niet meedoen aan de heersende cultuur en tegen de gangbare opvattingen in durven gaan, zijn wij werkelijk oké.
Bij alle tekenen van reinheid en onreinheid (kosjer en niet-kosjer) is onduidelijk of dit nou de veroorzakers zijn voor het kasjroet van de soort of dat het slechts herkenningstekenen zijn. Een praktisch verschil zou zijn, dat een bepaalde soort als kosjer bekend staat maar dat er bij dit ene individuele dier de kosjere herkenningstekens ontbreken (bijv. door genetische manipulatie): een koe die wel herkauwt maar geen gespleten hoeven heeft. Als de kosjere kenmerken de oorzaak zijn van het kasjroet, dan is dit individuele dier niet kosjer. Zijn het slechts herkenningstekens, dan maakt het niet zo veel uit of bij dit individuele dier geen duidelijke kosjere kenmerken aanwezig zijn. De soort is immers kosjer.
De Tora gebruikt het woord ‘vin’ en het woord ‘schub’ in het enkelvoud. Hieruit leidden de Chagamiem, de Talmoedgeleerden af, dat zelfs één vin en één schub voldoende zijn om een vis toe te staan. Ook wanneer de kenmerken pas later ontstaan, is dat reeds nu voldoende om de vis te eten. Zelfs wanneer de vinnen of schubben afvallen wanneer men de vis uit het water haalt, is het nog oké. Er staat immers “in de zeeën”. Schubben zijn overigens alleen kosjere herkenningstekens wanneer ze gescheiden kunnen worden van de huid van een vis. Soms zijn de schubben niet herkenbaar omdat ze te dun zijn maar wanneer men de vis in een doek wikkelt of in een kom water doet en er schubben loskomen, is het dier toegestaan. Men kan ook de “zonnetest” doen: als men de schubben kan herkennen in de zon, is de vis kosjer.
Vreemd is dat de Tora twee tekens geeft want in de Talmoed (B.T. Nida 51b) staat, dat elke vis met schubben ook vinnen heeft. Het omgekeerde is overigens niet waar. Er zijn vissen die wel vinnen hebben maar geen schubben. Dit betekent dus dat wanneer men schubben ziet men niet meer naar vinnen hoeft te zoeken. Dit is volgens de Tosafisten (B.T. Choelien 66b) de enige traditie die wij in naam van de eerste mens, Adam, hebben ontvangen. Toen Adam alle dieren een naam gaf, gaf hij ook deze regel mee aan zijn nageslacht. Als dit inderdaad waar is, dan had de Tora met het vereiste van schubben kunnen volstaan! Het vin-vereiste lijkt dus overbodig! De Talmoed antwoordt hierop, dat de Tora beide moet schrijven, omdat we zonder de vermelding van het woord ‘vinnen’ nooit hadden begrepen dat ‘kaskesset’ schubben betekent.
Zijn dit de enige kenmerken of hebben kosjere vissen er meer? Volgens de Talmoed (B.T. Awoda Zara 39b) hebben treife vissen een spits hoofd en geen ruggengraat. Reine vissen hebben daarentegen een rond, zwaar en breed hoofd en wel een ruggengraat. Volgens de Ritwa (14e eeuw) zijn deze herkenningstekenen proefondervindelijk door de Chagamiem uitgevonden. In de Talmoed (B.T. Choelien 63b) staat dat er 700 onreine soorten vissen zijn. Waarom vissen bij de Sjabbat-maaltijd onmisbaar zijn? Vis is in getallenwaarde zeven, hetgeen het dagnummer van de Sjabbat is. Dan is er nog de bekende vraag (ibid. 67b) welke status de Leviathan heeft. De Talmoed stelt dat Leviathan, waarvan de Tsaddiekiem (Rechtvaardigen) in de toekomst een vismaaltijd zullen eten, een kosjer dier is. De Leviathan-vis is in feite een Kabbalistisch concept. Het betekent: “G’d begeleiden”. In Messiaanse tijden zullen de vromen G’d nabij zijn. Waarom een vis bij uitstek “gezegend” is? Omdat het onder het oppervlakte van het water – onzichtbaar voor het menselijk oog – leeft. Alles wat aan het oog onttrokken is, krijgt zegen.
Sjabbat Sjalom
