Aharon krijgt nadere instructies voor de offers: wat, waar en hoe van de offers gegeten mag worden. Het vuur op het altaar moest altijd blijven branden. Ook dankbaarheids- en vrijwillige offers komen aan de orde. Bloed en bepaalde vetdelen mogen niet gegeten worden. Het vlees van het offer moet rein zijn en ook degene die ervan eet moet rein zijn. De gehele gemeente werd bijeengeroepen om Aharon, zijn zoons en de Tempelvoorwerpen in te wijden. Mosje kleedde Aharon en zijn zoons in de priesterkledij en zalfde het heiligdom en Aharon. Aharon bracht de offers, precies zoals hem was voorgeschreven. Aharon en zijn zonen moesten zeven dagen en nachten bij de ingang van de Tent der Samenkomst blijven in verband met de ambtsaanvaarding. Koheen (6:1-11) Na de beschrijving van de verschillende offers wordt nu de dagelijkse dienst in het Mikdasj (Heiligdom) beschreven. Vlak voor de ochtendgloren werden de brandstapels op het altaar verzorgd. De eerste taak was het verwijderen van het as van het altaar. Het as moest naast het altaar worden neergelegd. Deze taak heet Teroemat hadesjen. Daarna trok de koheen andere kleding aan van iets mindere kwaliteit en bracht het as naar een ‘reine’ plaats. Het vuur moest altijd blijven branden en mocht niet uitgaan.
►Iedereen mocht offers brengen, Joods of niet-Joods. Met grote nadruk stellen onze Wijzen (B.T. Nazier 62a) dat een offer niet gestolen mag worden. Wij moeten niet het voorbeeld van Robin Hood volgen die stal van de rijken om tsedaka te geven aan de armen. Dat heet een mitswa haba’a be’awera – een goede daad, die alleen mogelijk wordt gemaakt door het plegen van een misdrijf. Toch kent deze neiging ook een subtielere vorm. Wanneer men geld op onjuiste of onzuivere wijze verdiend heeft, neigt men er nogal snel toe om een gedeelte daarvan af te staan voor een goed doel om de rest van het bezit te rechtvaardigen. Diefstal en offer sluiten elkaar uit.
Een offer brengt G’d dichter bij maar diefstal verwijdert Hem, zoals er staat (Psalmen 12:6): ’Van het beroven van armen, zegt G’d, nu sta Ik op’. G’d stapt op. Een offer betekent zich opoffering getroosten. Wanneer men een offer steelt – waar geen moeite voor gedaan is, kan het niet worden gezien als een plaatsvervangend offer voor zichzelf. De eerste mens, Adam, bracht al offers. De Talmoed stelt dat Adam al een os bracht. Deze os had slechts één hoorn.
Er zijn verschillende offers ter verzoening. Als een Hogepriester of het Sanhedrien een fout maakte, brachten ze een koe als offer. Een privé-offer is meestal een geit of een schaap. Arme mensen brengen twee tortelduiven of twee jonge duiven. En de allerarmste brengt een tiende Efa aan meelbloem. Offerdieren zijn in eerste instantie dieren met hoorns. Hoorns duiden op de neiging om te stoten en te pesten. De mens kan in twee opzichten zondigen: ten opzichte van G’d en ten opzichte van de medemens. Omdat de meeste overtredingen op beide gebieden gebeuren, worden offers gebracht met twee hoorns. Toen Adam echter zondigde, was het alleen tegenover G’d omdat er nog geen medemensen waren. Daarom bracht hij een eenhoorn als offer. Adam wilde zijn als G’d. Hij wilde goed en kwaad leren kennen. Dit werd gezien als een ‘stoot naar de Hemel’. Met het oog op deze gebeurtenis staat er in Psalmen (75:5-6): ’Ik zei tegen de hoogmoedigen: pleeg geen grootspraak en tegen de slechten: verhef je hoorn niet’.
►Na Matan Tora zijn alle mensen voor elkaar verantwoordelijk geworden. Zelfs wanneer men ‘alleen maar’ tegenover G’d zondigt, is dat een ramp voor de medemens. Bij de verovering van Jericho stal de dief Achan in zijn eentje van iets wat aan het Heiligdom behoorde. Daardoor veroorzaakte hij een nederlaag voor het Joodse leger in de buurt van Jericho bij de verovering van het land onder Jehosjoe’a. Hoe groter de mens, hoe groter de psychische of spirituele schade, die hij veroorzaakt. Daarom bestaan er verschillen in grootte tussen de offers. De Hogepriester en het Sanhedrien brengen daarom een groter offer. Een koeienstoot is ernstiger dan een stoot van een geit of een ram. Een rijk iemand brengt in ieder geval een zoogdier, maar een arm iemand, die weinig invloed heeft, brengt een vogeloffer. Duiven worden door roofvogels gejaagd en zijn een symbool van de underdog in de maatschappij, de arme die door velen onderdrukt wordt. Maar ook de zielenpoot slaat om zich heen. In dit geval met zijn vleugels. Daarom moeten de vogelvleugels ingescheurd worden na het slachten – als symbool van het breken van het kwade.
Levi (6:12-7:10) Elke dag moest de Koheen Gadol (Hogepriester) een meeloffer brengen van een tiende efa meel plus olie en wierook, de helft ‘s ochtends en de helft ‘s avonds. Dit meeloffer mocht niet gegeten worden maar werd volledig verbrand op het altaar. Het chatat – zondoffer – werd geslacht op dezelfde plaats als het ola – brandoffer – aan de noordkant van het altaar (om de zondaren niet te beschamen). Een belangrijk onderdeel van de zondofferprocedure is het eten van vlees.
Derde Alija: Hier volgen de sjelamiem = vredeoffers, waarvan het toda = dankoffer gebracht werd met chameets- en matsa-koeken. Voor alle offers gelden tijdslimieten, waarvoor ze gegeten moeten worden. Als de koheen een verkeerde kawwana (intentie) had bij het offeren werd het offer pigoel = ongeschikt. Vet en bloed zijn verboden.
►Het Joodse volk werd uit Egypte bevrijd door twee mitswot: het bloed van het Pesachoffer en de briet-mila (besnijdenis). De matsa was tegelijk symbool van verdrukking en vrijheid. De ontstaansgeschiedenis van het Joodse volk was uniek. Onder de meest uitzichtloze omstandigheden werd een natie geboren, die bestand bleek te zijn tegen alle sociologische conventies. Israël werd een volk in een vreemd land, onder een drukkende slavernij waarin ons alle rechten werden ontzegd. De toekomst leek verloren. De baby’s werden in de Nijl geworpen. Wij werden geboren in bloed en zouden blijven voortgaan te leven bij bloed. Het symbool van een leven vol zelfopoffering en zelfverloochening ter verkondiging van de enige waarheid. Het was de profeet Jechezkeel die de geboorteweeën van het Joodse volk in Egypte zo treffend schilderde: “Ik trok over u heen en zag u wentelen in uw bloed en ik zei tegen u: In uw bloed zal u leven, bedamajich chaji”. De Joodse slaven in Egypte hielden zich staande door hun geloof. Maar het geloof na de bovennatuurlijke bevrijding had een heel ander karakter.
►Wat is geloof? Sommigen geloven dat G’d de wereld heeft geschapen. Anderen gaan ervan uit dat G’d nog steeds ingrijpt in het wereldgebeuren. De hoogste vorm van geloof is dat G’d de enige echte realiteit is. De geschiedenis heeft de realiteit van G’ds Tora als het transportabele vaderland van het Joodse volk bewezen. Op Seideravond zingen wij de lof van G’d die ons wegvoerde uit Egypte. Een vreemde zaak. G’d brengt ons eerst naar Egypte en laat de Egyptenaren ons verdrukken. Daarna verlost hij ons en eist van ons, dat wij hem dankbaar zijn. Het lijkt een paradox maar op Seideravond vieren wij zowel de ellende als de verlossing.
Seideravond is een herbeleving van de totale Egyptische ‘experience’. Deze dubbelheid ligt reeds verankerd in de matsa. De matsa wordt zowel het ‘brood der armoede’ als het ‘vrijheidsbrood’ genoemd. Juist in de eenvoud van ons geloofsbestaan ligt onze vrijheid en veerkracht. Ellende en verlossing tegelijkertijd zijn onze identiteit geworden.
Matsa bestaat alleen uit water en meel, het is vrijwel smakeloos. Door toevoeging van gist ontstaat een rottingsproces dat een veel smakelijker brood produceert. Op Pesach mogen wij gerezen producten zelfs niet in ons bezit hebben. We moeten dit alles tot stof verklaren. Het Chameets-verbod betekent dat wij ons eens per jaar volledig moeten losmaken van iedere gebondenheid aan onze aardse genietingen en onze materiële neigingen. Verslaving is slavernij – vrijheid is nergens aan gebonden zijn. Onze rechteloze positie bleek onze kracht. Omdat wij niet gebonden waren aan land, status of bezit konden wij G’d onvoorwaardelijk volgen.
►Het probleem van de vrije wil heeft filosofen uit alle eeuwen bezig gehouden. Moderne mensen zoeken ongeremde vrijheid. We voelen ons vrij als we onze eigen levensdoelen mogen kiezen. Een beperking in middelen noemen wij geen onvrijheid. Toch is het fysieke lichamelijke leven zeer beperkend. Er bestaat een prijs voor alles. Iedere menselijke keuze is een afweging van het doel en de middelen. Wat doet een mens als hij zich alles kan veroorloven? Dan kiest hij alleen datgene wat hij werkelijk wil. En wat indien hem vrijwel niets kan schelen? De enige die werkelijk vrij kan kiezen is degene die nergens aan gebonden is. Op Seideravond vieren wij de matsa, ellende en vrijheid ineen, ontzegging van alles en tegelijkertijd onze vrijheid. Hij, die zonder iets kan, is het meest vrij. Eigenlijk moet de matsa gegeten worden “met de lendenen omgord, wandelschoenen aan en een wandelstok in de hand”. Het duidt op een constante bereidheid van plaats of ingenomen positie te veranderen. In de Spreuken der Vaderen (Pirké Awot) staat, dat alleen hij, die constant bezig is met Tora, werkelijk vrij is.
►Wat is dat Tora? De Tora was het doel van de uittocht. Tora in de diepste zin betekent een voortdurend najagen van de Enige Echte Waarheid, objectief zonder vooroordeel en bias. Het moeilijkste voor de mens is zichzelf te veranderen; ook de vrije mens kost het enorme moeite om af te stappen van zijn eigen ideeën en geloofjes, gewoontes en opvattingen. Hij moet bereid zijn zijn eerdere zienswijzen opnieuw te evalueren en steeds nieuwe uitgangspunten te kunnen kiezen. En dit is het eenvoudigst indien hij letterlijk nergens aan vast zit, ook niet aan de meest allerdaagse zaken als brood. “Als de Joden maar een moment geaarzeld hadden uit te trekken uit Egypte waren ze niet verlost”, zeggen onze Wijzen. Matsa is ongecompliceerdheid, constant jezelf durven toetsen. Waarheid is nergens aan gebonden.
►Met de matsa eten wij maror, het bitterkruid. Seideravond leert ons ook hoe wij moeten omgaan met het negatieve in de wereld. Het eten van maror is op zichzelf geen Toraverplichting. Wij zijn niet uit op lijden. Toch zien wij ook de positieve kanten van de problemen, die wij in de loop der eeuwen ondervonden hebben. Het is een deel van ons feest¬-dankmaal. Wij gaan de moeilijkheden niet uit de weg maar gaan door, door een groeiproces, dat ons uiteindelijk terugvoert tot de Waarheid. Dit was de totaliteit van de Egyptische ‘experience’. De Maharal van Praag zag het fenomeen tijd niet als een lange doorlopende lijn maar als een spiraal, die steeds verder en hoger voert. Ieder jaar passeren wij weer dezelfde gebeurtenissen, die iedere generatie van ons volk heeft doorgemaakt. Het is een ‘back to the roots’ in opgaande beweging. De aantrekkingskracht van Pesach ligt juist in de ontmoeting met onszelf en onze oorsprong: vrijheid door gebondenheid aan het Hogere.
►In vier gevallen moest men een dankoffer brengen: als men gered was uit een gevangenis, van een gevaarlijke ziekte hersteld was of van een zee- of woestijnreis teruggekeerd was. Bij de exodus was er sprake van al deze vier omstandigheden. Bij het dankoffer moesten dertig matsebroden worden gebracht en tien chameetsbroden, die gerezen waren. Alle ‘geredden’ waren in principe door de omstandigheden reeds op de knieën gedwongen. Ze waren nederig genoeg, hetgeen gesymboliseerd werd doordat dertig van de veertig meeloffers van matsa gemaakt waren. Wanneer we door omstandigheden gedwongen worden tot inkeer, blijft er altijd nog een spoortje zelfingenomenheid over. Dat zien we al in het feit dat chameets dezelfde letters heeft als het woord matsa. Het enige verschil is dat bij chameets een ‘ch’ staat en bij matsa een ‘h’. De letter h is in getallenwaarde vijf. De letter chet acht. Er is dus een verschil van drie tussen matsa en chameets. Om de aanlokkelijkheid van het slechte boven het goede symbolisch voor te stellen, is het woord chameets in getallenwaarde net drie punten meer dan het woord matsa. Om dat chameets symbolisch te overwinnen is er drie keer zoveel matsa bij het dankoffer dan chameets. Aan de andere kant kan men met drie spirituele krachtbronnen die jeetser hara (slechte neiging) aan: met de Tora, Misjna en Talmoed.
►Matsa symboliseert kleinheid. De matsa die wij op Pesach eten bewijst dit. G’d wilde het Joodse volk alleen maar tot volk nemen vanwege het feit dat ze zichzelf nederig en klein maakten (B.T. Choelien 89a): ‘G’d heeft niet naar ons verlangd vanwege het feit dat wij het grootste volk van allen zijn, maar omdat wij juist het kleinste zijn’ (Devariem 7:7). Het enige wat Hasjeem van ons verlangt, is dat wij Hem vrezen (Devariem 10:12). Nederigheid leidt tot ontzag voor G’d. G’d is de enige echte realiteit en Hem past grootheid en grootsheid. Daarom moet chameets ook verbrand worden. Dit stelt de Midrasj op de pasoek:’Dit is het voorschrift van het brandoffer, dit is het brandoffer op de vuurstapel’ (6:2). Iemand, die ‘omhoog schiet als chameets, belandt bij het element vuur, dat ook neiging heeft zich naar boven te richten’ – aldus de Klie Jakar. Daarom is chameets ook in de kleinste hoeveelheden verboden. Bij vrijwel alle eigenschappen geldt als hoofdregel de gulden middenweg. Alleen bij hoogmoed zegt de Talmoed (B.T. Sota 5a) dat zelfs het kleinste beetje mis is. Daarom hebben onze Wijzen ook gezegd in Pirkee Avot (4:4): ‘wees zeer, zeer nederig ten opzichte van iedereen’.
►De Chagamiem hebben chameets ook in de kleinste hoeveelheden verboden, om de kracht van de kwade neiging duidelijk te maken (Bereesjiet Rabba 22:6): ’In het begin lijkt de kwade aandrift op een spinnenweb (d.w.z. er is iets kleins wat je aantrekt). Daarna wordt de band met het kwade steeds sterker totdat het zo stevig aan je trekt als de teugels van een wagen. Niets helpt de mens meer uit de klauwen van zijn gulzige passie. Daarom mag de jeetser hara – in welke hoeveelheid dan ook – ons nooit te min lijken. Het minste of geringste van het kwaad wordt op den duur zo sterk als een ijzeren keten.
In vier omstandigheden moest men een dankoffer brengen: na herstel van een ziekte, bevrijding uit de gevangenis, na een zee- en woestijnreis. Al deze mensen hadden ’s mensens breekbaarheid aanschouwd. Daarom brachten ze naast dertig matsot ook tien broden van chameets, om daarmee grootheid toe te kennen aan de Eerste Oorzaak van de wereld.
4e Alija 8:1-13, 5e Alija 8:14-21, 6e Alija 8:22-29 en 7e Alija 8:30-36 Aharon en zijn zoons worden gewijd tot kohaniem. Mosje kleedt hem en zijn zonen in de bigdee kehoena = priesterkleding, zalft Aharon, het altaar en de Tempelvoorwerpen. Daarna werd een stier als zondoffer geslacht en werden twee rammen geofferd. Bloed werd gestreken op Aharons rechter oorlel, duim en grote teen (om aan te geven, dat de kohaniem een integraal onderdeel van de offerprocedure vormen). De kohaniem moesten van de offers eten en mochten het Misjkan gedurende de zeven inwijdingsdagen niet verlaten.
