Parsja Wajikra (Leviticus 1:1-5:26) 24 maart 2007 / 5 Niesan 5767

Koheen 1:1-13. G’d roept Mosje naar de Ohel Mo’eed. Offervoorschriften volgen.

►Vajikra wordt ook wel Leviticus genoemd, omdat het voornamelijk gaat over de offerdienst, waarin de kohaniem en levi’iem een hoofdrol spelen. Vajikra is het kleinste boek van de Tora. Het bevat slechts 10 Sidrot en 859 Pesoekiem (verzen). Het eerste boek van de Tora, Bereesjiet, beschrijft alles bij elkaar 2.309 jaar geschiedenis vanaf de Schepping. Sjemot (Exodus) beschrijft 140 jaar, terwijl het hele boek Vajikra slechts in 8 dagen werd gegeven en geschreven. Het boek Bemidbar (Numeri) beslaat 39 jaar en het hele boek Devariem beschrijft 9 weken. In de Tora wordt de geschiedenis van de eerste 2.488 jaar van de wereld beschreven. Geografisch is Vajikra ook beperkt: het hele boek werd uitgesproken aan de voet van de berg Sinai.
►Het eerste woord van Vajikra betekent: ‘en toen riep’. Aan alle opdrachten en alle uitspraken van Hasjeem ging een liefdevol roepen vooraf (Sifra). Wanneer de Engelen elkaar oproepen om G’d te huldigen, dan geschiedt dat ook liefdevol, zonder jaloezie of concurrentie maar in volledige eendracht. Niet voor niets vormt dit liefdevol roepen een centraal deel van onze Tefillot, gebeden. De duidelijke voorkeur van G’d voor Mosjee kwam in dit roepen naar voren. Wanneer G’d zich aan andere profeten openbaarde, wordt er nogal eens een uitdrukking van toeval gebruikt.

►Vajikra betekent `en toen riep’ maar Vajikar betekent `Hij kwam hem toevallig tegen’ of `Hij trof hem in onreinheid’. Zo staat er bij Bil’am dat G’d hem toevallig trof en hem in onreinheid van een nachtelijke bevlekking vond. Dat is het grote verschil tussen Mosjee en Bil’am: bij Mosjee bestond geen toeval en geen onreinheid. Toch wordt de Alef van Vajikra klein geschreven – zodat er eigenlijk toch weer Vajikar staat – om aan te geven dat Mosjee in één opzicht toch gelijk was aan Bil’am. De Klie Jakar legt uit dat de Tora met die kleine Alef wil aangeven, dat Mosjee eigenlijk meer profetie kreeg dan hem qua voorbereiding zou toekomen. Hetzelfde gold voor Bil’am. Daarom staat bij beiden enigszins dezelfde uitdrukking van:‘G’d trof hen’, bijna toeval in de zin van `je krijgt meer profetie dan je verdient’.

►Bij Mosjee ging er nog een liefdevolle oproep aan vooraf. Alle uitspraken van G’d bereikten alleen de oren van Mosjee. De rest van de Joden hoorden niets. Ook Aharon hoorde veel G’dsspraken niet. Deze G’ddelijke stem werd alleen vernomen in de Ohel Mo’eed, de Tent der samenkomst. Daarbuiten werd niets gehoord. Wanneer Mosjee buiten de Ohel Mo’eed was, sprong de stem van G’d over naar Mosjee’s oren. De G’ddelijke stem kwam van boven de deksel van de Heilige Arke, waarin de Stenen Tafelen lagen. De stem klonk op van tussen de beide Cherubijnen.

►Mosjee kreeg meer dan hem toekwam qua voorbereiding. Maar toch blijft het een gegeven dat G’d met Mosjee alleen van aangezicht tot aangezicht sprak ten behoeve van het Joodse volk. Die extra profetie kreeg hij niet voor zijn eigen genoegen (vgl. Jalkoet 331). Toen het Joodse volk zondigde met het gouden kalf, kreeg Mosjee te horen: `ga naar beneden’. Het betekende eigenlijk: daal van je hoge niveau af. Je krijgt geen extra profetie meer voor het Joodse volk omdat ze van de weg zijn afgedwaald. Maar toen G’d hun zonden vergeven had, kwam Mosjee weer terug op zijn oude niveau van profetie.
Waarom beginnen de kleine kinderen op het Cheider het leren met Vajikra, de leer van de offers? Omdat de offers rein zijn en ook de kleine kindertjes nog onbezoedeld zijn. Dit is een tweede reden waarom de Alef van het eerste woord Vajikra klein is. Het vormt een hint om aan te geven dat de kleine kinderen hier moeten beginnen te leren. Een derde uitleg is dat de Alef als letterwoord ook leren betekent. Een kleine Alef is een goed begin. Leer klein! De Tora blijft alleen behouden bij mensen die zichzelf niet opblazen. Daarom kreeg Mosjee ook deze hoge vorm van profetie. Hij was uitermate nederig en vluchtte altijd voor de kowed. Hij was een rolmodel voor goed Joods gedrag.

Levi, 1:14-2:6. Een ola, brandoffer kan van tortelduiven of van jonge duiven gebracht worden. De offerprocedure van vogels en meeloffers volgt.

3e alija, 2:7-3:1. Meeloffers en eerstelingen. Zuurdeeg noch honing mogen als vuuroffer gebracht worden.

4e alija, 3:1-17. De procedure van vredeoffers – sjelamiem – wordt beschreven.

►De wereld rust op drie spirituele steunpilaren: Tora-studie, Tempeldienst en Ĝemiloet chassadiem – het uitvoeren van liefdedaden tegenover de medemens. De Tempeloffers ontlokken aan de Hemel een bepaalde ‘tevredenheid’ – het offeren wordt beschreven als ‘een aangename geur’ – en verbinden deze wereld met hogere sferen. Door te offeren ontvangen wij zegen. Na de verwoesting van de Tempel namen onze gebeden de plaats in van de offers van weleer.

►Maimonides en Nachmanides strijden over de uitleg van de betekenis van het offeren van dieren. Maimonides stelt, dat de Joden opdracht kregen om offers te brengen om hen los te weken van de Egyptische afgodendienst. Kennelijk konden zij niet zonder offerdienst. Na de uittocht uit Egypte moesten ze dit echter op G’d richten (Moré Newoechiem 3:4-6).
Nachmanides heeft veel bezwaren tegen deze visie. Hij stelt dat er reeds lang voor de introductie van afgodendienst geofferd werd aan G’d. Adam offerde al in Gan Eden, het Paradijs en ook Noach bracht dierenoffers toen hij de Arke verliet.

►Rabbi Meïr Simcha van Dwinsk harmoniseert de opvattingen van Maimonides en Nachmanides in zijn befaamde werk ‘Mesjech Chogma’ (begin Wajikra). Hij maakt een verschil in tijd en tussen privé en publiek. Vroeger, vóór de bouw van de Tempel, was het toegestaan om op privé- altaren (bamot) te offeren, om de heidense afgodenpraktijken af te leren. Maar de offerdienst in de Tempel was bedoeld om het Joodse volk te binden aan G’d. De re’ach niecho’ach – de ‘heerlijke geur’ die de offers voor de Hemel waren – was alleen van toepassing op de offers in de Tempel.

►Zondigen doen we op drie niveau’s: in gedachten, spraak en daad. Daarom keren we alles ten goede door een daad: door onze handen te drukken op het offer leggen wij symbolisch de zonde af. Met de widoeij spreekt men verbaal zijn/haar spijt uit en door het brengen van de ingewanden en de nieren tonen wij berouw over onze gedachten (nieren worden gezien als de basis voor de gedachten). Het bloed van het dier werd op het altaar gesprenkeld om te laten zien hoe het bloed van de zondaar eigenlijk op het altaar gebracht had moeten worden. Bloed van het dier komt ervoor in de plaats.

►Als het offeren geen shockerend effect had, dan was het het ‘offer van een slechtaard’, een gruwel (Spreuken 21:27). “Gehoorzamen is beter dan offeren en luisteren is beter dan het vet van alle rammen” (Samuel I: 15:22). Nederigheid, bescheidenheid en G’ds opdrachten volgen was de hoofdboodschap van de offers.

5e alija, 4:1-26. Als een Hogepriester zondigde of wanneer het Sanhedrin verkeerd paskende (besliste) werd een chatat = zondoffer gebracht.

►De G’ddelijke aanwezigheid is nooit van Jeroesjalajiem geweken. Jeroesjalajiem was niet alleen de hoofdstad en residentie maar tevens de stad, waar iedere pelgrim-toerist spiritueel herboren vandaan kwam. In de Talmoed wordt Jeroesjalajiem “heiliger dan de rest van Israël” genoemd omdat vele geboden alleen in Jeroesjalajiem konden worden uitgevoerd. Drie maal per jaar op Pesach, Sjavoe’ot en Soekot moest iedereen “voor het Aangezicht van G’d verschijnen” (Dewariem 16:16). De mitswa van ‘alijat regel’ (pelgrimstocht) krijgt een interessante dimensie indien we het omschrijven als een soort religieuze vakantie. In het 1e, 2e, 4e en 5e jaar van een zevenjarige sjemita-cyclus werd een kleine 9% van de bruto-landbouwproduktie gespaard als tweede tiende om hiermee eten te kopen in Jeroesjalajiem gedurende de pelgrimtochten. Dit lijkt op een moderne regelgeving. Ook tegenwoordig besteden wij 8 tot 9% van ons bruto salaris aan vakantie. In tegenstelling tot de moderne mens ging de jood uit de oudheid niet zonnebaden op een lawaaiig strand maar laafde hij zich aan de G’ddelijke inspiratie, die hij in Jeroesjalajiem en in het bijzonder in de Tempel deelachtig kon worden. Tijdens de drie jaarlijkse vakanties werd niet alleen de relatie met G’d verdiept maar ook de onderlinge band tussen Joden uit alle hoeken van het land werd weer aangehaald.

6e alija, 4:27-5:10. Offerprocedure van het individuele chatat = zondoffer en het ‘korban ole wejoreed’ – brandoffer naar draagkracht.

7e alija, 5:11-26. Meeloffer van de onvermogende en schuldoffers.

►Onze Wijzen vertellen ons, dat Adam geschapen werd met aarde van de plaats van het Altaar uit de Tempel, de plaats van zijn verzoening. Offers, gebracht op dit altaar, zouden uiteindelijk verzoening schenken voor ‘s mensens tekortkomingen. Het idee van zonde is een scheiding in geestelijke zin. ‘s Mensens onbezoedelde psychische eenheid wordt verstoord door zonde. Ook in de intermenselijke sfeer ontstaat verwijdering door zonden. De mens wordt afgezonderd van het G’ddelijke in de schepping. Een offer herstelt de verbroken eenheid met G’d en de mens zelf weer.

►Het Hebreeuwse woord voor offer is ‘korban’ van de stam ‘KaRaV’ dat naderbij komen betekent. Offer en verzoening zijn in eerste instantie eigenlijk alleen mogelijk in de buurt van de Ewen Sjetija, de funderingssteen, waarop de Heilige Arke in de Tempel stond, waar alle onlichamelijke krachten, hogere en lagere werelden, verenigd zijn. De hele Tempeldienst was in feite gericht op het versterken van de onderlinge band tussen alle hogere krachten.

►Op de funderingssteen stond de Heilige Arke, waarin de Stenen Tafelen met de Tien Geboden en de oorspronkelijke Torarol van Mosje Rabbenoe lagen. Deze samenloop van het beginpunt van de fysieke schepping en de Tora is niet toevallig. Beide bevonden zich op dezelfde plaats om te benadrukken dat de fysieke scheppping in stand wordt gehouden door het verbond van de Tora: “Ware het niet voor Mijn verbond dag en nacht dan had ik de verordeningen van hemel en aarde niet vastgesteld” (Jeremia 33:25).

►Heel de schepping draait om dit Tora-verband. Dat wat eens het allerheiligste heette, vormt het ontmoetingspunt van Hemelse en aardse krachten. Daarom heet het de ‘Poort van de Hemel’. Vanuit deze plaats ontspruit profetie, door dit punt gaan alle gebeden naar Boven (Kohelet Rabba 2:7). Toen Jakob droomde van de ladder lag hij op deze plaats: “een ladder stond op aarde maar het uiteinde reikte tot in de Hemel” (Genesis 28:12). Een ladder met sporten vormt een eenheid in verdeeldheid. De sporten staan in principe los van elkaar maar worden tot een eenheid in de ladder. Het vormt het symbool van de funderingssteen, waar Jakob op sliep: een punt waaraan alle spirituele krachten geassocieerd zijn.

►Tegenover dit aardse concentratiepunt ligt de Hemelse ruimte, waar al deze krachten samenkomen. Onze Wijzen noemen dit het “Hemelse Jeruzalem”, dat parallel ligt aan het aardse Jeruzalem (B.T. Ta’aniet 5a). Daar vindt de interactie plaats van al die geestelijke werelden. Dit Hemelse Jeruzalem is de naam “Sjaleem’ – harmonie waardig omdat alle geestelijke creaties daar in perfecte eenheid coexisteren.
G’d als Schepper staat oneindig hoog verheven boven al het geschapene. Het verschil tussen G’d en Zijn Schepping is oneindig veel groter dan het onderscheid tussen de hoogste spirituele schepping en de laagste aardse materie. Dit leidt tot een fundamentele vraag. Hoe is contact mogelijk tussen het eindige en het Oneindige, geschapene en Schepper?

► We weten, dat G’d alle hogere en lagere werelden dirigeert. Dit is het mechanisme van de G’ddelijke Voorzienigheid. Bovendien is al het geschapene voor zijn bestaan afhankelijk van G’d. Zonder Zijn constante scheppende creativiteit zou alles onmiddellijk ophouden te bestaan. Toch bestaat er een onoverbrugbare kloof tussen G’d en zelfs de hoogste spirituele Engel. Slechts in onze aardse, fysische realiteit is hereniging mogelijk. Maar slechts omdat G’d dit Zelf zo bepaald heeft.

►Op veel plaatsen waar in de Tora gesproken wordt over Jeruzalem wordt de uitdrukking “de plaats, die G’d zal uitkiezen om Zijn Naam te doen wonen” gebezigd. Voorzover wij dit kunnen bevatten, houdt dit in, dat G’d Zichzelf met deze plaats associeert. Zelfs de wijze koning Salomo had moeite met deze fusie van het aardse en Bovenaardse toen hij bij de inwijding van de Tempel uitriep: “Zie de Hemel, zelfs de Hemel van de Hemelen, kan U niet bevatten, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb” (I Koningen 8:27). Niettemin verklaart G’d Zelf in de Tora, dat Hij Zich met deze plaats verbonden heeft.

►Verbinding betekent interactie. G’d verbond zich op de één of andere wijze met de aardse Tempel en de funderingssteen waardoor ook contact mogelijk werd met al die geestelijke krachten, die daar geconcentreerd zijn. Onze Wijzen verklaren, dat G’d het Hemelse Jeruzalem pas betreden zal nadat Hij eerst het aardse Jeruzalem bezocht heeft (B.T. Ta’aniet 5a). Hierin ligt dezelfde gedachte verwoord als in Jakobs droom, waarin G’d zelf bovenaan de ladder verscheen. Het is het idee van verbinding en vereniging van alle werelden van de hoogste tot en met de laagste wet G’d, waarin het aardse centraal staat.
Het hele doel van de Tempeldienst was het versterken van de band tussen G’d en de hogere geestelijke werelden, die op hun beurt de G’ddelijke uitstraling doorsluizen naar onze materiële wereld, waardoor zelfs ons duistere, G’dverbergende heelal op een hoger plan gebracht zou worden. Op het Loofhuttenfeest Soekkot werden in de Tempel zeventig offers gebracht voor de zeventig archetypen volkeren waardoor de Beschermengelen van alle volkeren verheven werden, hetgeen deze volkeren ook zelf weer tot een hoger spiritueel niveau verhief. De Tempel was niet alleen voor het joodse volk van belang. De hele schepping onderging de verheffende invloed ervan. Sinds de verwoesting van de Tempel heeft de wereld in veel opzichten aan spiritualiteit ingeboet.

Reacties zijn gesloten.