Parsja Besjallach (Sjemot /Exodus 13:17 – 17:16) 3 februari 2007/ 15 sjewat 5767

Koheen, 13:17-14:8. G’d leidt het volk via een omweg uit Egypte. Mosje neemt de beenderen van Joseef mee.
Levie, 14:9-14. Het Joodse volk is doodsbang voor het naderende Egyptische leger.

► De bevrijding was psychisch en lichamelijk. Daarom drinken wij Seideravond vier bekers wijn, twee om onze lichamelijke en spirituele verlossing uit Egypte en twee om onze fysieke en geestelijke groei richting Israël te vieren. Maar het bleef een groeiproces. De Joden waren fysiek en psychisch nog zwak. Getalsmatig waren ze uitgedund omdat maar twintig procent van alle Joden uittrok. Tachtig procent ging niet mee. Volgens Rasji is dit een tweede verklaring op de pasoek: ”chamoesjiem- gewapend trokken de Bnee Jisra’eel uit Egypte” (13:18). Chamoesjiem komt van de stam chameesj – één-vijfde slechts verliet het slavenhuis. Ook hieruit blijkt, dat de Joden niet gemakkelijk uit Egypte trokken. Maar ook psychisch stonden ze nog niet stevig in hun schoenen. Bij ieder obstakel zouden ze kunnen besluiten om terug te keren. Daarom liet G’d het volk via een omweg uit Egypte trekken. Niet via de kust naar Israël maar via de woestijn. Zo meden zij de Filistijnen, die in Gaza woonden.

► Maar volgens de 16e-eeuwse Italiaanse verklaarder Rabbi Ovadja di Seforno lag er een heel andere reden ten grondslag aan de ongebruikelijke route door onherbergzame oorden. G’d wilde niet, dat zij mensen zouden tegenkomen, die hen zouden vertellen, dat Fara’o de achtervolging zou inzetten. Rabbenoe Bachja uit de 14e eeuw beziet het weer in een totaal ander licht. G’d leidde Zijn volk niet door een bewoonde streek omdat zij daar op natuurlijke wijze in leven zouden kunnen blijven. Hij leidde hen door een woestijn waar zij constant aangewezen zouden zijn op de bescherming van Boven. De bron van Mirjam zou hen laven, Manna en kwartels zouden hun dagelijks brood zijn, de wolken zouden hen tegen de natuurelementen beschermen.

► “G’d ging voor hen uit in een wolkzuil overdag om hen op de weg te leiden en ’s nachts in een vuurzuil om hen licht te geven om dag en nacht te kunnen gaan” (13:21). Wat was die wolkzuil? Volgens Rasji was de wolkzuil de gids voor de reis – omdat ze alleen overdag op reis waren. De lichzuil was alleen voor verlichting ’s avonds. Rasjbam (Rabbi Sjemoe’eel ben Meir (1085-1174)) meent, dat een Engel de wolkzuil voortbewoog maar zijn grootvader Rasjie meent, dat HaSjeem als het ware Zelf de zuil verplaatste omdat Hijzelf immers het volk uit Egypte had verlost. De Kabbalist Rabbi Chaim ben Attar (1696-1743) meent dat deze wolk behalve een gidsfunctie ook een beschermende functie had. Het waren de Ananee Hakawod – de wolken van G’ddelijke Majesteit, die beschutten tegen de koude ’s nachts en de hitte overdag, tegen de schorpioenen en slangen van beneden en de projectielen van onze vijanden van boven.

► De Tora-tekst lijkt aan te geven, dat ze dag en nacht reisden. Dat klopt, stelt de Rasjbam, en daarmee alarmeerden zij Fara’o, die zich daardoor ging realiseren, dat zijn voormalige slaven voorgoed verdwenen zouden zijn als hij niet zou ingrijpen. Rabbenoe Bachja meent, dat er ook interne motivatie aan ten grondslag lag. De Joden waren zo gebrand op het ontvangen van de Tora, dat ze geen seconde konden wachten tot ze bij de Sinai aan zouden komen. Daarom stelde G’d hen in de gelegenheid ook ’s nachts te reizen.

► Wat is dat Tora? De Tora was het doel van de uittocht. Wat was er zo begerenswaard aan? Tora in de diepste zin betekent een voortdurend najagen van de Enige Echte Waarheid, objectief zonder vooroordeel en bias. Het moeilijkste voor de mens is zichzelf te veranderen. Ook de vrije mens kost het enorme moeite om af te stappen van zijn eigen ideeën en geloofjes, gewoontes en opvattingen. Hij moet constant bereid zijn eerdere zienswijzen opnieuw te evalueren en steeds nieuwe uitgangspunten te kiezen. En dit is het eenvoudigst indien men letterlijk nergens aan vast zit, ook niet aan de meest allerdaagse zaken als brood. “Als de Joden maar een moment geaarzeld hadden uit te trekken uit Egypte waren ze niet verlost”, zeggen onze Wijzen. Matsa is ongecompliceerdheid, constant jezelf durven toetsen. Waarheid is nergens aan gebonden.

Fruit eten op Toe Bisjwat

Over Toe Bisjwat is in de oude Joodse bronnen bijna niets te vinden. In de Talmoed wordt de 15e Sjwat genoemd als het nieuwjaar voor de bomen wat betreft het brengen van de verschuldigde afdrachten van de oogst (Ma’aser). Van de oogst moest men verschillende afdrachten afzonderen en aan bepaalde personen geven. Zo zijn er afdrachten aan de priesterklasse, aan de Levieten en aan de armen. Een ander gedeelte van de vruchten moest door de eigenaar in Jeruzalem worden gegeten.
De naam ‘Toe Bisjwat’ komt van de letters Tet en Waaw, samen uitgesproken als ‘Toe’, die samen de getalwaarde van ‘15’ hebben. De datum van het nieuwjaarsfeest van de bomen heeft een agrarische reden: ongeveer tot de eerste helft van de maand Sjewat is de meeste regen in het winterseizoen al gevallen. Vanaf dit punt ontwaakt de natuur uit haar winterslaap, de sappen in de bomen vernieuwen zich en nieuwe vruchten ontknoppen. Vandaar dat een vrucht tot 15 Sjewat administratief gezien – met betrekking tot de verschillende verplichte gaven – tot het vorige kalenderjaar hoort; een vrucht na 15 Sjewat behoort tot het volgende jaar.

Fruit eten

Ogenschijnlijk gaat het om een relatief nieuw feest: de Talmoed vraagt zelf naar de reden voor Toe Bisjwat en over een feestelijke viering vertellen de Rabbijnse bronnen niets. De gebruiken rond Toe Bisjwat – zoals het verplichte consumeren van fruit – is in een latere periode ontstaan. Onder de invloed van de opbloeiende Kabbala in het land Israël van de zestiende eeuw, kreeg Toe Bisjwat meer inhoud. De Kabbalisten schreven voor om op Toe Bisjwat vier bekers wijn te drinken, waarbij men allerlei teksten uitspreekt en veel fruit eet.
Zo stelde de bekende kabbalist R. Chaim Vital (1542-1620) voor om maar liefst 30 verschillende soorten vruchten te eten. Vooral de Sefardische Joden werden hierdoor beïnvloed en namen de Kabbalistische gebruiken over. Er ontstond een speciale liturgie met religieuze gedichten, gebeden, teksten uit de Bijbel, de klassieke Rabbijnse literatuur en mystieke werken. De teksten worden ‘s avonds in een soort leerbijeenkomst uitgesproken, onderbroken door het nuttigen van grote hoeveelheden fruit. De voorkeur krijgen vruchten uit Israël; het liefst van de ‘zeven soorten’ waarmee Israël is gezegend: tarwe, gerst, dadel, olijf, granaatappel, druif en vijg.
Men moet proberen om vruchten te eten uit drie categorieën met verschillende eigenschappen:
– vruchten die geheel eetbaar zijn, zoals druiven, vijgen of bessen;
– vruchten met een harde kern (pit), maar met een zachte, eetbare, buitenkant;
– vruchten met een harde buitenkant, maar een zachte binnenkant – bijvoorbeeld granaatappels, kokosnoot en noten.

Mystieke symboliek

In de mystiek is de boom het symbool van de mens. Hiervoor baseert men zich onder andere op de Tora-tekst in Deuteronomium: ‘Is de boom dan als de mens?’. Via een subtiele interpretatie wordt de tekst omgezet in ‘de mens is als een boom’. De stroom van G’ddelijke energie langs de tien Sefirot (sferen of eigenschapppen), via een ingewikkeld proces van emanatie, wordt in de Kabbala visueel voorgesteld als een boom. Deze boom is een soort ladder die de fysieke wereld met de spirituele wereld verbindt.
De drie categorieën vruchten die men op Toe Bisjwat moet eten komen volgens de mystici overeen met drie niveaus van de schepping waarlangs de G’ddelijke energie wordt omgezet in materie. Eigenlijk is er ook nog een vierde niveau – de wereld van de Emanatie – waar het hele proces begint. Aangezien dit niveau echter geheel spiritueel van aard is, kan dit niet gesymboli¬seerd worden door iets stoffelijks. Elk niveau brengt in dit model een ander niveau voort, begin¬nend met de Wereld van de Emanatie en eindigend bij de Wereld van de Aktie, de stoffelijke wereld. De drie niveaus die door de verschillende soorten vruchten worden voorgesteld zijn:

De Wereld van Creatie (Olam Ha-Berija) – In deze wereld vindt de schepping uit het niets plaats. Deze wordt door de in het geheel eetbare vruchten gesymboliseerd.

De Wereld van Formatie (Olam Ha-Jetsira) – Hier wordt het prille begin van het stoffelijke, het scheppingspunt, verder ontwikkeld. In deze wereld wordt materie uit al bestaande materie verder gevormd. Deze wereld correspondeert met de vruchten die een harde kern hebben, maar waarvan de buitenkant eetbaar is.

De Wereld van de Actie (Olam Ha-Asija) – Dit is de wereld van de actie en de fysieke werkelijk¬heid. Deze wereld komt overeen met de vruchten waarvan de buitenkant hard is, maar de binnenk¬ant zacht en eetbaar.

G’ddelijke vonken

Een belangrijk motief in de mystieke theorieën omtrent het scheppingsproces is dat van de ‘G’ddelijke Vonken’. Volgens de Kabbala vindt de schepping plaats via een ingewikkeld proces van emanatie. Bij de schepping ging er echter iets mis – één van de Sefirot bleek niet sterk genoeg om het G’ddelijke licht te bevatten en dit weer door te geven. Er ontstond een breuk waardoor G’ddelijke Vonken in de diepte verdwenen. Deze vonken zitten als het ware gevangen in de fysieke wereld. In plaats van een wereld die oorspronkelijk perfect had moeten zijn, ontstond een onvolmaakte wereld. Door het uitvoeren van de geboden van de Tora kan de mens er echter voor zorgen dat de vonken zich weer verenigen met de spirituele wereld. Door het fruit met de juiste intentie te eten, verlost men de vonken uit de duistere wereld waarin zij zich bevinden.

Milieu

Een juiste intentie bij het eten van de vruchten op Toe Bisjwat is een bezinning over de relatie van de mens tot de natuur. Hoe zal de toekomst er uit zien wanneer men doorgaat met het vervuilen van het milieu op grote schaal? Alleen de laatste vijfentwintig jaar al zijn vele dier- en plantensoor¬ten verdwenen.
De Tora verbiedt om tijdens een oorlog vruchtbomen om te hakken. In de Talmoed wordt dit verbod opgevat als een algemeen verbod op het doelloos verspillen en vernielen van alle soorten materie. Iemand die in woede spullen vernielt is volgens de Talmoed gelijk aan een afgodendie¬naar. Volgens de Midrasj, een Rabbijnse verzameling van Bijbeluitleg, leidde G’d Adam rond in het Paradijs. Hij drukte Adam op het hart om vooral zuinig te zijn op de net geschapen wereld:
Kijk naar Mijn werken. Kijk hoe mooi ze zijn, hoe schitterend. Ik heb ze allemaal voor jou gemaakt. Let dus op dat je Mijn wereld niet vernietigt of verspilt. Want als je dit toch doet, zal er niemand zijn die het voor je kan herstellen” (Kohellet Raba 7).

Sjabbat Sjalom

 

Reacties zijn gesloten.