Wajechi (Bereesjiet / Genesis 47:28 – 50:26) 06 januari 2007 / 16 Tewet 5767

3e alija, 48:17-22. Ja’akov legt Joseef uit dat Efraïm groter zal zijn dan zijn broer.

De zeventien laatste jaren van zijn leven bracht Ja’akov door in Egypte. Onze Meforsjiem (verklaarders) maken ons erop attent dat “Wajechi” ook betekent “opleven”. De zeventien beste jaren van zijn leven leefde hij in een tamelijk immorele omgeving. Ja’akov leefde op in Egypte. Commentatoren vragen zich af hoe dat mogelijk is in zo’n vreemd land. Het antwoord luidt dat zijn kinderen – ondanks alle anti-joodse invloeden – vast bleven houden aan de Tora. Ja’akov zag dat met vreugde aan. Zijn kinderen namen de Tora zelfs in de zware ballingschap van Egypte in acht. In deze parsja staan daarom ook een aantal zegeningen.

Allereerst zegent Ja’akov zijn kleinkinderen:”En Ja’akov zegende hen op die dag met de uitspraak: met jullie zal Israël zich als volgt zegenen `G’d zal u doen worden als Efrajiem en Menasjé’. “( 48:20). Waarom heeft Ja’akov bij de zegen voor alle toekomstige kinderen Efrajiem en Menasjé als voorbeeld gesteld? Zijn zij dan beter dan de Aartsvaders of alle twaalf stamvaders, die niet voor deze beracha zijn uitgekozen? Iets eerder in de Tora staat dat Ja’akov tegen Joseef zegt: “De twee zonen die je geboren werden in het land Egypte zijn van mij, Efrajiem en Menasjé zullen voor mij zijn als Re’oeween en Sjimon ” (48:5). Ja’akov getuigt hiermee, dat hoewel er in iedere generatie spirituele verzwakking plaatsvindt en elk volgende geslacht minder voorstelt dan het vorige, deze twee kinderen desondanks niet minder waren dan hun vader en voorvaderen. Efrajiem en Menasjé waren werkelijk gelijk hun ooms Re’oeween en Sjimon. Zij kenden geen geestelijke degradatie. Daarom is er geen mooiere zegening voor de jongens op vrijdagavond dan:”Moge G’d u maken als Efrajiem en Menasjé ” (de meisjes worden gezegend met de Aartsmoeders).

Een andere uitleg benadrukt, dat jaloezie een van de drie eigenschappen is die de mens `van de wereld verwijderen’. Menasjé was de eerstgeborene van Joseef en hij zag hoe Ja’akov zijn handen anders plaatste en Efrajiem, zijn jongere broer, liet voorgaan. Dit was geen eenmalige gebeurtenis maar was voor altijd bedoeld. De schande en de vernedering waren bijna niet te dragen. Zijn vader Joseef probeerde Ja’akov er nog op te wijzen dat hij daar schijnbaar verkeerd aan deed: “En toen zag Joseef dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efrajiem plaatste, hetgeen hij betreurde “(48:17). Desondanks aanvaardde Menasjé dit met liefde. Zijn jongere broer zou voor altijd groter en belangrijker zijn dan hij maar hij voelde hierover geen woede of naijver. Dat was pas werkelijke grootheid. Daardoor zou deze beracha voor heel Israël voor alle generaties zo blijven.

4e alija, 49:1-18. Ja’akov beschrijft de karakters van zijn zonen en geeft zijn zegen.

Voor ons is de beracha (zegen) aan Jehoeda nog het meest relevant: “Jehoeda, jouw broers zullen jouw grootheid erkennen” (49: 8). Anderen vertalen het als: “Je broeders zullen je prijzen”, want “jodoecha” komt van de stam eren, prijzen of danken. Uit deze beracha (zegen) zijn veel voorspellingen voor de toekomst afgeleid. Van Jehoeda zou de dynastie van koning David afstammen. Ook de architect van het Misjkan, Betsaleel, kwam van Jehoeda. Alle drie Tempels zouden door afstammelingen van Jehoeda gebouwd worden. De eerste door koning Salomo, de tweede door Zeroebawel (Ezra) en de derde Tempel zal gebouwd worden door de Masjie’ach. Bereesjiet Rabba (98: 11) legt deze vers echter uit als naamgeving voor het hele Joodse volk: “De Joden zullen niet naar andere stamvaders vernoemd worden maar alleen naar jou, Jehoediem (joden)”. Zo is het inderdaad gebleven: het woord jood komt van de naam Jehoeda. Waarom is deze naam zo bepalend voor de essentie van het joodse volk? Toen de stamvaders geboren waren, zei Lea bij de geboorte van Jehoeda (29: 35): “Nu wil ik G’d danken, daarom noemde zij hem Jehoeda”. Lea dankte G’d, omdat zij meer had gekregen dan zij verwacht had. Er zouden twaalf stamvaders geboren worden uit vier Aartsmoeders. Lea had al drie kinderen: Re’oeween, Sjimon en Levi. Daarom kreeg ze met haar vierde zoon meer dan zij eigenlijk verdiende. Dit is de Joodse levenswijsheid: het gevoel dat we meer krijgen dan we eigenlijk verdienen.

6e alija, 49:27-50:20. Ja’akov overlijdt.

Als Joseef zich nu maar niet op ons gaat wreken en ons ten volle het kwaad vergeldt, dat wij hebben aangedaan (50:15). Vrede gaat boven waarheid. Een klein leugentje om bestwil om de vrede te bewaren mag. Aan het einde van het eerste boek van de Tora wordt de terugreis uit Israël na de begrafenis van Ja’akov beschreven. De broers dachten, dat Joseef kwaad op hen was, omdat hij op de terugweg de put bezocht, waarin hij door de broers gegooid was toen hij verkocht werd. Eenmaal aangekomen bij de put, leek Joseef gebiologeerd door de plaats des onheils. Zij hadden Joseefs belangstelling voor de put verkeerd geïnterpreteerd. Joseef nam bij de put alle tijd om de beracha te zeggen, die men altijd uitspreekt wanneer men de plaats van een wonderlijke redding passeert:“Geprezen is G’d die een wonder voor mij verricht heeft op deze plaats” (Bereesjiet Rabba 100:8). Terug in Egypte nodigde Joseef zijn broers niet meer uit, zoals hij voor de dood van Ja’akov wel placht te doen. Joseef liet dit eigenlijk na uit verlegenheid. Zolang Ja’akov leefde, liet hij Joseef altijd aan het hoofd van de tafel zitten. Maar nu raakte Joseef vertwijfeld omdat zijn broer Jehoeda eigenlijk de toekomstige koningsrol was toebedeeld en Ruben de werkelijke eerstgeborene was. Daarom nodigde hij zijn broers niet meer uit. Zij raakten in paniek en stuurden Bilha erop af, die Joseef grootgebracht na de dood van Racheel:“Ga naar Joseef met de volgende boodschap: Uw vader heeft voor zijn sterven geboden: zo moeten jullie tot Joseef zeggen: Vergeef toch de overtreding van uw broers en hun zonden, want ze hebben u kwaad aangedaan” (50:17). Ja’akov had nooit iets van deze strekking gezegd. Waarschijnlijk wist hij niet eens van de verkoop. Maar de broers meenden, dat het toegestaan was om de waarheid enigszins geweld aan te doen omwille van de vrede.

“Joseef weende toen men zo tot hem sprak” (50:17) omdat hij het vreselijk vond, dat zij hem verdachten van wraakgevoelens. Ook kwamen zijn broers zelf, wierpen zich voor hem neer en zeiden: “Wij zijn u tot slaven” (50:18). Maar Joseef was ze gunstig gezind, troostte hen en verzekerde hen dat zij niet bang hoefden te zijn:“Vreest niet, want ben ik in G’ds plaats? Jullie hebben wel kwaad tegen mij gedacht maar G’d heeft dat ten goede gedacht, om te doen zoals nu het geval is: een groot volk in het leven behouden” (50:20). Joseef stelde ze gerust met de volgende redenering: als tien lampen één licht niet konden doven, hoe kan één licht dan tien lampen doven? Jullie worden vergeleken met het zand van de zee. Wie kan dat vernietigen? De wereld kan niet zonder jullie, net zoals er twaalf uren overdag en twaalf uren ’s nacht zijn, twaalf maanden en twaalf sterrenbeelden, zo ook moeten er twaalf stammen zijn. Denken jullie dat ik de blauwdruk van de wereld kan veranderen?”(Bereesjiet Rabba 100:10) Het zou niet eens goed zijn om jullie te doden, want de Egyptenaren zullen zeggen, dat ik een leugenaar ben:”Hij heeft een groep mensen naar Egypte laten komen onder het mom dat het zijn broeders zijn om zijn slavenafkomst te loochenstraffen. Zodra hij ze niet meer nodig had, heeft hij ze gedood. “Vreest dus niet, ik zal jullie onderhouden en ook jullie kinderen” (50:21). Joseef had een edelmoedig karakter. Hij nam geen wraak, zoals er staat: “Gij zult geen wraak nemen en geen wrokgevoelens koesteren” (Wajikra 19:18). Hoewel Joseef relatief jong was en ondanks zijn goede intenties, stierf hij als eerste. Volgens de Talmoed (B.T. Sota 13b) kwam dit door een enigszins negatieve eigenschap. Joseef voelde zich wat verheven boven zijn familieleden en liet zich af en toe als heerser gelden. Toen zijn broeders naar Egypte kwamen, hoorde hij hoe zij hun vader Ja’akov zijn ‘dienaar’ noemde. Toch protesteerde hij daar niet tegen. Omdat hij zijn vader niet voldoende geëerd had, werd zijn leven verkort. Het eren van ouders leidt tot een langer leven (Sjemot 20:12). Juist bij Tsaddiekiem geldt: hoge bomen vangen veel wind.

7e alija, 50:21-26. Joseef troost zijn broers en overlijdt.

Toen stierf Joseef op 110-jarige leeftijd, men balsemde hem en plaatste hem in de kist in Egypte (50:26). Volgens de Ba’al Hatoeriem (13e eeuw) werd hij in een kist geplaatst zodat hij makkelijk op te sporen zou zijn bij de uittocht en meegenomen kon worden naar Israël voor een definitieve begrafenis. Nadat de kist dichtgelast was, werd hij in de Nijl verzonken (opvallend, dat de naam Joseef in getallenwaarde gelijk is aan het Hebreeuwse woord voor Nijl). Volgens Seforno werd hij in dezelfde kist gebalsemd en opgeborgen:’’Men begroef hem niet in de grond. Daardoor kon Mosje later zijn botten meenemen.’’ aldus deze 16-eeuwse Italiaanse verklaarder (volgens Rasjbam (12e eeuw) werd Joseef voorlopig wel in Egyptische aarde begraven). Er bestaat niets nieuws onder de zon. Balsemen en bewaren raken weer in. Tegenwoordig wordt regelmatig geïnformeerd of invriezen een joodse optie is. De invriesmogelijkheid spreekt velen kennelijk aan. In Jeruzalem heb ik deze vraag besproken met de wereldberoemde Rabbi Zalman Nechemja Goldberg, die mij vertelde, dat hem ook al gevraagd was of een terminale kankerpatiënt nog tijdens zijn leven mocht worden ingevroren. Dit is zeker verboden omdat het (zelf)moord is. Maar is invriezen na de dood toegestaan?

►Ik zie geen enkele reden om dit toe te staan. De invriesbehandeling is een ontering van het stoffelijk overschot (biza¬jon hameet), dat als een verbod uit de Tora wordt beschouwd. Het Jodendom kent zelfs aan een dood lichaam een hoge graad van heiligheid toe. Daarnaast bestaat er een begraafplicht: “Maar gij zult hem dezelfde dag nog begraven” (Dewariem 21:23). De Zohar (mystiekleer) geeft aan waarom er zoveel haast gemaakt wordt met begraven. De reden ligt in de reïncarnatiesfeer, een begrip, dat het Jodendom niet vreemd is, hoewel hierover zelden gesproken wordt. Wanneer iemand er niet in slaagt om gedurende zijn leven alle voorschriften van de Tora te vervullen of zijn aardse taak niet volbrengt, dan komt hij nogmaals tot leven. De nesjommes (zielen) van de huidige mensheid zijn soms al vele keren op aarde geweest. Het kan zijn, dat iemand in dit leven arm is, omdat hij moet boeten voor fouten uit een vorig leven. Soms verloopt een bevalling moeilijk, omdat de ziel zich nog in een ander lichaam bevindt, dat eerst begraven moet worden alvorens zielsverhuizing kan plaatsvinden. Dit zou een achtergrond kunnen zijn voor het Tora-voorschrift om zo snel mogelijk te begraven.

►“Want stof zijt gij en tot stof zult gij terugkeren” (3:19). Op grond hiervan propageert het Jodendom begraven in de aarde. Het lichaam werd uit de aarde geschapen. De aarde neemt de componenten van het lichaam weer op. Na een ontbindingsproces wordt het ‘onreine’ stoffelijk overschot weer tot haar oorspronkelijke staat teruggebracht. Dit is de loutering van het materiële bestanddeel van de mens. Het ontbindingsproces wordt als onaangenaam ervaren maar draagt de kiemen van de Herleving der Doden in zich, gelijk een zaadje dat na een rottingsproces in de aarde weer tot hernieuwd leven kan uitgroeien. Ook op ‘psychisch’ niveau gebeurt iets dergelijks. Na loutering en reiniging keren de zielencomponenten terug naar hun oorsprongen in hogere werelden. Invriezen verhindert deze fysieke processen en past niet in de Joodse traditie. Wij geloven in een Herleving der Doden maar dat betekent niet, dat wij de natuur een handje moeten helpen. Mag de vrieskist dan begraven worden, zodat formeel aan de begrafenisplicht is voldaan? Om uiteenlopende redenen is dit onacceptabel. Zo zouden verschillen ontstaan in de behandeling van de overledenen wat als erg ongewenst en ongepast wordt ervaren, zeker als er onderscheid zou ontstaan tussen rijk en arm. Maar de belangrijkste reden is, dat ontbinding wordt tegengegaan, wat kippoer – vergeving en verzoening – tegenhoudt. De laatste van de dertien geloofspunten van Maimonides luidt: “Ik geloof met volledige overtuiging, dat de Herleving der Doden zal plaatsvinden op een tijdstip, dat G’d goeddunkt.” Misschien moeten wij hier tegenwoordig aan toevoegen:“en op een wijze die Hem goeddunkt”. G’d heeft onze hulp hierbij niet nodig.

Reacties zijn gesloten.