Wajisjlach (Bereesjiet/Genesis 32:4 – 36:43) 9 december 2006 / 18 Kislew 5767 Rabbijn mr. drs. R. Evers

WAJISJLACH (en hij stuurde). Ja’akov zendt gezanten met geschenken voor Esau. In de nacht worstelt een man – een Engel, met Ja’akov. Aan het einde van de strijd vertelt de man dat zijn naam in het vervolg Jisraëel zal zijn wat betekent dat hij met G’d en mensen gestreden heeft en heeft overwonnen. Ja’akov gaat niet in op het voorstel van Esau om bij elkaar in de buurt te wonen.
Ja’akov koopt land van Chamor, de vorst van Sjechem. Enige tijd later wordt Dina, Lea’s dochter, verkracht door Sjechem, de zoon van Chamor. Hoewel Sjechem met haar wil huwen en zijn vader voorstelt beide volksstammen met elkaar te vermengen, zijn de zonen van Ja’akov zeer beledigd door de ontering van hun zuster. Zij stellen voor dat huwelijken pas kunnen plaatsvinden als alle mannen van de stad besneden zijn. Daarna doden Sjimon en Levie alle mannen van Sjechem. Onderweg sterft Rachel tijdens de bevalling van Benjamin. Jitschak sterft op de leeftijd van 180 jaar.
Koheen, 32: 4-13. Ja’akov stuurt Malachiem met verzoenende woorden. Esau kwam hem dreigend tegemoet. Ja’akov werd bang en dawwende tot G’d. Levi, 32: 14-30. Ja’akov stuurt gaven uit zijn kudde als verzoening. Ja’akov worstelt met een Engel.

►“En G’d zei: ‘ Niet Ja’akov zal meer je naam genoemd worden, maar Jisra’eel” (32:29).
Ja’akov is een individuele eigennaam. Jisraëel is daarentegen een groepsbenaming. Wij zijn Israëlieten en niet Ja’akovieten. Na de strijd met de ‘Sar’ – Engel van Esav gaf deze Ja’akov, de ‘amoed haTora’ – pilaar van de Tora–geleerdheid – een zegen dat hij niet meer een enkel individu zou zijn, maar het begin van een groot volk met een universele opdracht. Met Ja’akov Awienoe kreeg het Jodendom dus een bredere, nationale betekenis. Maar er is meer…
Rav Jisraëel Salant (begin 20e eeuw) legt de naamsverandering uit als een morele les voor persoonlijke groei, een investering in de diepte. De naam Ja’akov wijst op list en sluwheid, zoals Esav het zegt: “Daarom noemt men zijn naam Ja’akov, omdat hij mij de hiel heeft gelicht”. In zijn jongere jaren moet de mens vechten tegen zijn bedrieglijke, slechte neiging, de Satan en Beschermengel van Esav met wijsheid en list. Inzicht in de dubbele bodems van onze hang naar materieel succes, vereist van ieder mens een diep gevoel voor onze werkelijke beweegredenen. Onze jetser hara doet het ons voorkomen alsof iedere overtreding een mitswa (gebod) is. Maar nadat wij onze aardse impulsen overwonnen hebben en onszelf onder controle houden, wordt het goede tot een tweede natuur, zodat de naam Jisraëel – die duidt op onze hogere aspiraties – over ons genoemd kan worden. De naamsverandering van Ja’akov naar Jisraël duidt op een groeiproces dat ieder van ons, van zijn vroege jeugd tot de laatste dag, moet doormaken.

3e alija, 32:31-33:5. Na het gevecht met de Engel gaat Ja’akov mank aan zijn heup. Daarom eten wij de heupspier niet. Esau omarmt en kust Ja’akov.

►“Daarom eten de Bné Jisraëel de Gied Hanasje – de verwrongen pees – niet, want hij heeft de heup van Ja’akov ontwricht”.
Welk aspect van het gevecht tussen de beschermengel van Esau en Ja’akov wordt hier vereeuwigd? Het kan zijn, dat de strijd werd ingegeven door het verlangen om de verkoopakte van de Bechora (het eerstgeboorterecht) terug te krijgen. In die dagen was het gebruikelijk om dit soort akten op de heup te binden:“iemand is overleden en er wordt een testament op zijn heup gevonden” (B.T. Bawa Batra). De Engel raakte de heup van Ja’akov. Het lukte hem echter niet om die akte terug te pakken. Toch raakte Ja’akov gewond. Sinds de strijd met de Engel heeft hij geen kinderen meer gekregen. Rabbi Elimelech van Lizensk voegt nog een dimensie toe. We zeggen geen beracha over de mitswa van Peroe-oerewoe (kinderen krijgen) daar het onmogelijk is om deze mitswa te vervullen zonder inmenging van de jetser hara (de aardse neiging). Het materialistische in de mens, gesymboliseerd door de Engel van Esav, wilde zijn gif ook in deze essentiële kedoesja (heiligheid) van Ja’akov spuiten. Het lukte hem alleen maar om de heup te raken. Inderdaad is het onmogelijk deze mitswa te vervullen zonder lichamelijk gevoel. Maar dat reduceert de grootheid van deze mitswa geenszins!

Sommigen zien in het eetverbod een solidariteitsverklaring met onze voorvader Ja’akov. Ja’akov werd getroffen in zijn heup en daarom eten zijn kinderen de Gied Hanasje niet. De Gied Hanasje heeft weinig consumptieve waarde. Niemand mist hem op het menu! De schade die Ja’akov aan zijn heup opliep was relatief gering en tijdelijk. Toch borduurt de Zohar hierop verder, dat de Gied Hanasje een plaats is waar de slechte krachten op kunnen aangrijpen. De heup staat symbool voor lichamelijke genoegens. Het `tegengif’ hiertegen – de ta’aniot, de vastendagen – staan daarom ook aangeduid in de Gied Hanasje. De letter Gimmel (3 in getallenwaarde) duidt op de vastendag van Tsom Gedalja (op 3 Tisjri). De Joed in het woord Gied duidt op 10 Tewet. Het woord Gied in getallenwaarde is 17 en dat slaat op de vastendag van 17 Tammoez. Het woordje ‘et’ duidt – bij omgekeerde lezing – op Tisja Be’av (9 Av). Al deze rampen kwamen over het Joodse volk omdat wij de les van de Gied Hanasje niet hadden geleerd.
Anderen zien hier een boete in. Het herinnert de kinderen van Ja’akov eraan, dat zij hun vader zonder begeleiding alleen hebben gelaten. Maar is dit wel een boete? De pees smaakt nergens naar! Wellicht doelden de Chagamiem op de extra moeite die nodig is om de Gied Hanasje uit het vlees te halen (`poorsjen’) waardoor men alhier zelfs de hele achterbout van een koe niet mag eten.

Bij elke vleesmaaltijd herinneren wij ons de strijd tussen Ja’akov en Esav. In de episode van de strijd wordt niet vermeld dat Ja’akov verlamd was (32: 25-26). In 32:31 heet de plaats van de strijd nog Peniël: “ik heb het G’ddelijke van aangezicht tot aangezicht gezien”. Maar in de volgende zin (32:32) staat, dat Ja’akov hinkte “toen de zon hem bescheen, nadat hij Penoe’eel voorbijgetrokken was” (Penoe’eel met een “oe” betekent: G’d is geweken). Ook dit duidt op twee benaderingen van onze tegenstanders. Gedurende de donkere nacht van strijd met antisemieten vielen er helaas vele slachtoffers maar de pogroms hebben op de lange termijn geen invloed gehad op onze religieuze veerkracht. Zodra de zon echter begint te schijnen en wij met eerbewijzen worden binnengehaald op het wereldtoneel, beginnen wij te hinken als gevolg van assimilatie. Dan heet de plaats die vroeger Peniël heette (het G’ddelijke aanschouwd) ineens Penoe’eel (het G’ddelijke is uit ons midden verdwenen). In onze ballingschap maken wij beide benaderingen mee. Soms worden wij doodgeknuffeld en soms gaat het er op een wat minder zachtzinnige manier aan toe.
Maar aan de andere kant steekt deze mitswa ons een hart onder de riem in dit bittere galoet. Als zelfs een Engel ons niet aankan, kan ook geen sterveling ons aan. De strijd tussen Ja’akov en de Engel is de eeuwige strijd tussen religie en materie. De Engel slaagt erin om de heup van Ja’akov aan te tasten, wat een symbool is voor zijn kinderen. Ja’akovs kinderen zullen lange tijd onderworpen raken in het rijk van Edom (Rome en de westerse wereld). Maar de uiteindelijke overwinning ligt bij Ja’akov. Uiteindelijk zullen “helpers opkomen op de berg Zion om de berg van Esav te berechten.” Dan zal de beschermengel van Esav Ja’akov smeken: “Stuur mij weg want het ochtendgloren is aangebroken” (32:26). Dit verzoek duidt op de uiteindelijke verlossing. Eens zal ook voor Am Jisraeel de dageraad aanbreken…

4e alija, 33:6-20. Ja’akov vernedert zichzelf voor Esau wanneer hij zijn familie voorstelt. Ja’akov kocht bij Sjechem een stuk land voor honderd geldstukken.

►“Het leven is als stijgen in een lift die naar beneden gaat. Als je op hetzelfde niveau blijft, zak je steeds verder weg”. Alles wat met onze voorouders gebeurde, is een teken voor later. Wij als kinderen van de Awot (Aartsvaders) kunnen steeds weer inspiratie putten uit de Tora. Hoe moeten wij omgaan met Esav op geestelijk niveau? De Tora vertelt ons dat Ja’akov pas na de geboorte van Joseef de confrontatie met Esav aandurfde. Wat was de grote kracht van Joseef? De karakters van Esav en Joseef liggen in hun namen. Esav betekent af, compleet, volledig en symboliseert de persoon, die stelt “ik hoef niet meer verbeterd te worden. Ik ben perfect”. Deze zelfgenoegzaamheid is zeer onjoods. Joseef is het andere uiterste. Zijn naam komt van de stam Mosief – toevoegen, iedere dag groeien. Het enige tegengif tegen de eigenwaan van Esav is constant groeien in Tora en Awoda, leren en g’dsdienstigheid.
De zin “Laat mijn heer uitgaan voor zijn dienaar en ik ga op mijn eigen tempo” (33:14) was eigenlijk een filosofische discussie tussen Ja’akov en Esav. Esav symboliseert een vijand van het Joodse volk. Ja’akov houdt zich afzijdig van hem, gaat in zijn eigen tempo, daagt hem niet uit en probeert hem te mijden. Een belangrijke les voor onze generatie waarin wij nogal sterk geneigd zijn om onze tegenstanders uit te dagen. Soms is de weg van de stille diplomatie beter voor ons volk.

5e alija, 34:1-35:11. Sjechem randt Dina aan. Sjimon en Levi doodden alle mannen. Ja’akov ging terug naar Beth-El. G’d gaf hem een andere naam: Jisraeel.
6e alija, 35:12-36:19. G’d belooft Ja’akov het land Israel. Ja’akov richt een monument op om de plaats aan te geven waar G’d aan hem verschenen is. Rachel baart Benjamin, sterft en wordt begraven op de weg naar Efrat. Re’oeween begaat een schanddaad met Bilha.

►Rachel stierf onderweg, tijdens de geboorte van Benjamin (35:19). Ja’akov had zijn lievelingsvrouw Rachel liever in de Machpela begraven. Maar de Voorzienigheid had anders beschikt: Rachel werd op weg naar Beet Lechem begraven, vanuit toekomstgericht perspectief. Wanneer de Joodse ballingen onder Nebukadnetsar op weg naar Babylonië langs haar graf zouden trekken, zou Rachel voor hun welzijn davvenen (bidden). Daarom werd haar daar de laatste eer bewezen.

►“En Ja’akov zette op haar graf een opgerichte steen” (35:20). De grafzerk heeft verschillende benamingen. In de Tora wordt gesproken over een matsewa, in de Profeten treft men de term tsioen aan (vgl. Jechezkeel 39:15) en in de Misjna en de Talmoed wordt de term nefesj gebezigd (vgl. Misjna Oholot 7:1). Deze drie termen duiden op de verschillende functies van de grafzerk.

► Het woord matsewa betekent letterlijk ‘iets, dat is opgericht’. De steen ‘richt zich op’ boven het graf en geeft de plaats aan waar de overledene begraven ligt. De nabestaanden worden door de matsewa in staat gesteld om het graf te herkennen, te be¬zoeken en aldaar te davvenen voor de levenden in het zechoet (de verdienste) van de overledene.
Het Jodendom kent geen dodencultus. Daarom mag men zich tijdens het gebed niet richten tot een overledene. Maar wel mag men bij een graf davvenen (bidden) in de verdienste van de gestorvene. De dode blijft iets betekenen, niet alleen in de geest maar ook in de praktijk; niet in negatieve zin – zoals bij sommige culturen in de vorm van angst voor geesten, maar in positieve zin. Zo blijven graven belangrijke ankerpunten in de realiteit van ons bestaan. We kunnen aldaar over het gedeelte van ons, dat daar begravenn ligt, rouwen; onze band opnieuw bevestigen en erop verder bouwen, verzacht door de liefde van de persoon, die we verloren hebben.

►Het woord tsioen betekent ‘aanwijzing’. Een grafzerk wijst de plaats aan waar zich een graf bevindt, zodat kohaniem (priesters) deze plaats kunnen mijden. Deze functie van een grafzerk staat ook in de Misjna (Sjekaliem 1:1) beschreven: ‘Op de vijftiende van de maand Adar merkt men de graven’, omdat de kalk, die men om een graf uitstortte als waarschuwingsteken voor kohaniem na de winter – het regenseizoen in Israël – was verbleekt of verdwenen, zodat die tekens in het voorjaar opnieuw moesten worden aangebracht.

►Het woord nefesj betekent ‘ziel’. Dit duidt op de derde functie van een grafzerk. De zerk schenkt de nefesj (de laagste vorm van de ziel, die het sterkst met het lichaam verbonden was) een bepaalde ankerplaats bij de laatste rustplaats van het lichaam. Volgens het mys¬tieke werk Zohar waart de nefesj nog zeer lange tijd boven het lichaam.

►Rabbi Sjimon ben Gamliëel verklaart in de Talmoed Jeroesjalmi (Sjekaliem 2:5), dat ‘men geen nefesj (zerk) o pricht voor Tsaddiekiem (G’dvruchtige mensen) omdat hun woorden hun herinnering zijn’. Maar waarom heeft Ja’akov voor zijn vrouw Racheel, een Tsaddeket dan wel een matsewa opgericht? Bovendien zijn op vele plaatsen grafzerken opgericht bij graven van grote geleerden en Tsad¬diekiem uit de vroege en late Middeleeuwen. De uitspraak van Rabbi Sjimon ben Gamliëel moet wellicht begrepen worden naar de verschillende functies van de matsewa.
Een grafzerk als tsioen (aanwijzing) geeft de plaats van een graf aan, die door de kohaniem gemeden moet worden als zij rein willen blijven. Een matsewa als nefesj dient als ankerplaats voor de ziel. Een matsewa in de eigenlijke betekenis van het woord dient voornamelijk als herinnering aan de overledene ten behoeve van de levenden.De plicht om een zerk op te richten, geldt voor iedere overledene. Bij een Tsaddiek geldt echter de derde reden niet: zijn goede daden blijven ook zonder gedenksteen in de herinnering van zijn nabestaanden bestaan. Racheel, de vrouw van Ja’akov had geen matsewa nodig. De matsewa op het graf van Racheel is meer een gedenksteen voor de verheven opdracht van het Joodse volk als geheel, dat naar de Aartsmoeder Racheel genoemd wordt.

7e alija, 36:20-43. De Tora vermeldt de afstammelingen van Esau en de koningen die de stadsstaten besturen voordat er een koning in Israël was.

Sjabbat Sjalom.

Reacties zijn gesloten.