Parsja 06 Toledot (Bereesjiet/Genesis 25:20-28:9) 25 november 2006 / 4 Kislew 5767

Koheen, 25:19-26:5. Esau en Ja’akov groeiden uit tot twee verschillende persoonlijkheden. Esau verkoopt het eerstgeboorterecht voor een bord linzen.
– “Dit zijn de voortbrengselen van Jitschak, de zoon van Awra¬ham; Awraham bracht Jitschak voort” (25:19). Rasjie legt uit dat er geroddeld werd over de afstamming van Jitschak. Omdat Awraham en Sara lange tijd geen kinderen hadden en Sara na het verblijf bij koning Awimelech van de Filistijnen plotseling zwanger werd, meende men dat zij van Awimelech in verwachting was. Daarom zorgde G’d ervoor dat Jitschak precies leek op Awraham.

– Rabbi Ja’akov Neiman uit Petach Tikwa biedt ons echter een andere kijk op de openingsfrase van Toledot.
Hij legt uit dat er in de relatie tussen ouders en kinderen drie schakeringen bestaan. Sommige kinderen hebben de weg van hun voorouders verlaten, maar zijn nog steeds trots op hun ouders en beroemen zich op de vroomheid van hun voorvaderen. Andere kinderen zijn reeds zover afgedwaald van de Joodse weg dat zij zich zelfs schamen voor hun ouders wanneer die duidelijk Joods belijdend zijn. De laatste categorie kinderen zijn niet trots op hun ouders en hun ouders zijn niet trots op hen. De eerste categorie kinde¬ren kent in ieder geval nog een ‘one-way’ trots: de kinderen kijken uiteindelijk toch nog op naar hun ouders.

– En tenslotte zijn er kinderen die in de voetsporen van hun vader en moeder wandelen, op wie de ouders trots zijn en die trots zijn op hun ouders. Awraham had drie verschillende soorten kinderen. De kinderen van de bijvrouw Ketoera werden door hem weggestuurd nadat zij rijkelijk waren voorzien van gaven en giften. Van deze afstammelingen van horen we verder niets. Het moge duidelijk zijn dat Awraham zich verder niet met hen bezighield en zij zich niet met Awraham.
Jisjmaëel, de oudste zoon van Awraham, was zeker trots op zijn vader, hetgeen wij ook zien in de Tora, omdat er altijd wordt gesproken over Jisjmaëel, de zoon van Awraham. Maar aan de andere kant was Awraham niet trots op zijn oudste zoon (bechor), omdat hij subtiel afgoderij diende, zich onzedelijk gedroeg en zelfs probeerde zijn jongere broer Jitschak te doden. Op last van G’d en Sara stuurde Awraham Jisjmaël het huis uit, opdat Jitschak niet aan zijn kwalijke invloed zou worden blootgesteld. Awraham was niet trots op Jisjmaëel, maar Jisjmaëel schitterde wel met zijn afstamming.

– Het derde soort kinderen, zijn zij, die in de voetsporen van hun ouders volgen. Dit was Jitschak. Daarom zegt de Tora ook: ‘Dit zijn de voortbrengselen van Jitschak, de zoon van Awraham; Awraham bracht Jitschak voort’. Op deze wijze is het ook begrijpelijk waarom de Midrasj (de verhalende achtergrondverklaring op de Tora) juist hier de vers uit Spreuken brengt, die stelt dat ‘De kroon der ouden de kleinkinderen zijn en de kroon van kinderen hun voorouders zijn’.

– We zien deze continuïteit terug in de uitgebreide episode van de bronnen en hun namen (26:15-22). Nachmanides (13e eeuw) verklaart:‘De Tora geeft een lang overzicht van het meningsverschil over de bronnen hoewel wij hier weinig uit kunnen leren. Het strekt ook niet tot eer van Jitschak. Hij en Awraham deden schijnbaar hetzelfde’. Twee aspecten vallen op. Allereerst werden Awrahams bronnen dichtgestopt door de Filistijnen. Verder geeft Jitschak hen dezelfde namen als Awraham (26:18). Rabbi Ja’akov Zwi Meckelenburg (19e eeuw, Duitsland) beschouwt dit laatste gegeven als de sleutel tot de hele episode. De namen van de bronnen hadden een diepere betekenis. Awraham wijdde zijn hele leven aan het verspreiden van G’ds woord, ondanks zijn afgodische omgeving. In zijn strijd voor het monotheïsme, gaf hij alle plaatsen een G’ddelijke naam: Hasjeem Jire (G’d zal zien), of Beet Keel (huis van G’d), zodat herinneringen aan G’d en Zijn goedertierenheid deel van de taal van de mensen zou worden. Dit verklaart de vijandigheid van de Filistijnen. Direct na Awrahams dood verwijderden zij alle sporen van de ‘nieuwe’ religie die hun afgodische praktijken uitdaagde. Met het dichtstoppen van Awrahams bronnen konden zij meteen ook zijn monotheïsme uit hun vocabulaire schrappen. Maar Jitschak, als een trouwe zoon van zijn vader, zag het als zijn levensopdracht om deze bronnen in hun oorspronkelijke staat en originele naam te herstellen.

– Rabbenoe Bachja ibn Pakoeda (14e eeuw) vat het samen: “Het feit dat de Tora ons informeert dat Jitschak deze namen nooit veranderd heeft leert ons, dat wij trouw moeten blijven aan het geloof van onze voorouders. Indien Jitschak erop lette om zelfs de namen van de bronnen van zijn vader te handhaven, hoeveel te meer moeten wij dan de gewoonten, ethische regels en levensvisie van onze voorouders volgen”.

Levie, 26:6-12. Awimelech, koning van de Filistijnen toont belangstelling voor Riwka.

– “Jitschak woonde in Gerar. Toen de mannen van de plaats naar zijn vrouw vroegen zei hij: “ze is mijn zuster” want hij was bang te zeggen “mijn vrouw” opdat de mannen van de plaats hem niet wegens Riwka zouden doden, want ze was schoon van gelaat” (Bereesjiet 26:6 e.v.)
Uiteraard werd hun huwelijkse relatie ontdekt door Awimelech toen hij zag dat Jitschak met Riwka `grapjes maakte’, een eufemisme voor samenleving. Jitschak was bang gedood te worden, net zoals zijn vader Awraham hiervoor vreesde toen hij bij Farao in Egypte en later eveneens in het land van de Filistijnen verbleef.

-De Filistijnen konden in die tijd bogen op een hoog ontwikkelde beschaving. Zij kenden een juridisch systeem met een uitgebalanceerde wetgeving. Maar is een rechtsstaat zonder innige G’dsdienstigheid voldoende waarborg tegen oprispingen van vreemdelingenhaat, uitspattingen van de meest lage driften en misdaden tegen de menselijkheid? Het Jodendom gaat ervan uit dat dit niet het geval is. Is de overheersing van de rede voldoende waarborg tegen barbarij? Uit Tora en Talmoed blijkt, dat zelfs een stevige rechtstaat alleen te weinig bescherming biedt.

– De cultuur van Awimelech was gebaseerd op het dictaat van het menselijk denken, redelijkheid en billijkheid. Oppervlakkig bezien was er geen vuiltje aan de lucht bij de Filistijnen. Hun rechtssysteem zat goed in elkaar, de openbare orde werd behoorlijk gehandhaafd.

– Gelijk zijn vader Awraham miste Jitschak bij de Filistijnen echter G’dvrezendheid. Zodra dit gevoel van “G’d kijkt mee over mijn schouder” ontbreekt, kan er van alles gebeuren, hoe goed het maatschappelijk leven ook geregeld is en hoe eerlijk er ook bestuurd wordt. Er was angst voor politie en openbare gezagsdragers. Men had ontzag voor de sterke arm maar dit was Jitschak te weinig. Hij vreesde in het geheim gedood te worden zodat niemand bezwaar zou maken tegen het schaken van zijn vrouw. Zelfs in een rechtstaat als die van de Filistijnen bestond geen zekerheid van lijf en leven.

– Wij hebben de grote rampen van de twintigste eeuw meegemaakt. De ontmaskering van de westerse beschaving tijdens de tweede wereldoorlog werd voortgezet onder het Stalinisme. De prachtigste filosofieën en de rechtvaardigste wetten staan niet garant voor een rechtvaardige maatschappij. Zodra de passie oplaait en de lust toeslaat, is niets meer veilig. Daarom vormt alleen een morele opvoeding in een religieuze omgeving een zekere basis voor een veilige maatschappij.

– Het Jodendom gaat ervan uit dat wanneer G’dvrezendheid niet vooraf gaat aan wijsheid, zelfs de wijsheid niet blijft bestaan. We beseffen het tegenwoordig helaas niet meer zo maar de Tora-psychologie gaat er van uit, dat ook wanneer men intermenselijke Tora-voorschriften overtreedt, men in feite eerst het bestaan van G’d moet loochenen. We begaan pas awerot (overtredingen) wanneer wij G’d hebben ontkend.

– Een rasja vertalen we in het Nederlands met “een slechterik” maar in feite is dit een onjuiste vertaling: “de rasja stelt in zijn hart dat er geen G’d bestaat”. Gebrek aan G’dvrezendheid is de potentiële bron van al het kwaad. Iemand die oprecht religieus is, zal niet kunnen zondigen. Maar zodra deze basis ontbreekt, kan niemand garanderen, dat hij voor welke zonde dan ook zal terugdeinzen. Waar is de innerlijke rem, die hem/haar een halt toeroept? Civilisatie zonder geloof houdt geen stand. Beschaving verwordt snel tot een uiterlijk vernis waar makkelijk doorheen geprikt kan worden, redeneerde Jitschak.

– Awimelech gaat uiteindelijk stevig tekeer: “Wat heb je ons daar aangedaan. Bijna had één uit het volk uw vrouw bijgewoond en dan had u schuld over ons gebracht”. Zijn verontwaardiging kende geen grens omdat er door het vernisje beschadiging was heen geprikt. Toch gedraagt Awimelech zich beter dan Farao. Hij liet Jitschak en Riwka in zijn land wonen en hij verordonneerde, dat ‘iedereen die deze man of vrouw aanraakt, gedood zal worden’.

– Jitschak was erg voorspoedig in het land van de Filistijnen en hij oogstte veel succes. G’d liet hem zeer rijk worden. Toch had dat negatieve bijwerkingen. Want Awimelech zei tegen Jitschak: “Ga weg van ons want u bent ons te machtig geworden” (26:16). Ook jaloezie was de Filistijnen niet vreemd. Een bekende bron van anti-semitisme.

3e alija, 26:13-22. Jitschak wordt gezegend en graaft putten die de Filistijnen verstopt hadden.

4e alija, 26:23-29. Jitschak sluit een verdrag met de Filistijnen.

5e alija, 26:30-27:27. Ja’akov ontfutselt Esau de zegen van Jitschak.

– Eén van de redenen waarom Jitschak van Esau hield was omdat Esau hem op een buitengewone manier eerde. Rabbi Sjimon ben Gamlieel zei: “Mijn hele leven heb ik mij ingespannen om mijn vader te eren, maar ik heb zelfs nog niet één-honderdste van de eer gehaald waarmee Esau zijn vader gediend heeft. Wanneer ik mijn vader bediende, had ik kleren aan met vlekken. Voordat ik naar buiten ging, kleedde ik mij om opdat ik op straat er dan netjes zou uitzien” (Talmoed). Esau droeg echter de prachtigste kleren wanneer hij zijn vader bediende, omdat hij het onjuist vond om zijn gewone kleren aan te trekken in de aanwezigheid van zijn vader.
– Niettemin eerde Esau zijn vader om egoïstische redenen. Hij was bang dat hij het huis uitgezet zou worden door Jitschak net zoals Awraham Jisjmaeel gepasseerd had en Jitschak had aangesteld tot opvolger. Esau was zelfzuchtig in zijn eerbied voor zijn vader omdat hij alleen Jitschak maar niet zijn moeder eerde en eigenlijk hoopte dat zijn vader zo snel mogelijk zou sterven. Esau vergat de achtergrond van het vijfde gebod. Waarom ging Esau de mist in? Omdat hij de essentie van Kibboed Aw niet begreep. Wat is eigenlijk de achtergrond van de mitswa van het eren van vader en moeder?

– Heeft G’d dit alleen voorgeschreven om kinderen te wijzen op de dankbaarheid, die zij hun ouders verschuldigd zijn voor de moeite, die zij zich getroosten om hen op de wereld te zetten en groot te brengen, te kleden en te voeden tot het moment waarop zij hun vleugels kunnen uitslaan? Dankbaarheid is inderdaad een eigenschap, die binnen het jodendom erg gewaardeerd wordt. Hoezeer deze uitleg ouders, die nachtenlang opzitten om hun zieke kinderen te verzorgen, moge aanspreken, vult deze uitleg niettemin slechts één aspect van het gebod van Kibboed Aw waEem in. Het kind zou kunnen tegenwerpen, dat het zelf nooit om het leven gevraagd heeft. Werd dit gebod dan misschien gegeven als stabilisator voor de relaties binnen het gezin? Dient het wellicht uiteindelijk om de stabiliteit van de maatschappij te bevorderen omdat wij ervan uitgaan, dat het gezin of de familie de bouwstenen vormen van een evenwichtige maatschappij? Maimonides (1135-1204, Egypte) lijkt deze denktrant inderdaad te volgen in zijn rubricering van de geboden.
– Maar een volledig beeld krijgt men pas na raadpleging van Rabbi Levi Ben Gersjom (Ralbag) en de 15e eeuwse Hofrabbijn Jitschak Abarbanel. Beiden focussen hun interpretatie op het behoud van de tradities van het jodendom. Kibboed Aw waEem wordt zo meer een middel dan een doel. Ralbag zegt letterlijk, dat “respect voor de ouders ons ervan verzekert, dat de opeenvolgende generaties de lessen van hun voorouders zullen overnemen en zo de Tora in ere zullen houden”. Abarbanel geeft het verband aan tussen de ouderlijke autoriteit en de aanhankelijkheid aan de traditie: “Kibboed Aw waEem is bedoeld om het aanzien van de joodse traditie die de ouders zich hebben eigengemaakt, te verhogen zodat de kinderen erin zullen geloven en erop zullen vertrouwen. En daarom bevindt Kibboed Aw waEem zich binnen het kader van de eerste vijf van de tien geboden, die de relatie tussen mens en G’d regelen”. Respect voor de ouders, de primaire overdragers van het geloof, versterkt het respect voor de traditie die zij uitdragen. Jodendom is een delen van waarden, het samen beleven van een “Weltanschauung”. En aan dat soort werkelijk respect ontbrak het Esau. Hij gedroeg zich wel uiterst eerbiedig tegenover zijn vader maar had geen enkele bedoeling het ontluikende jodendom voort te zetten en uit te bouwen. Daarom verdween hij uiteindelijk uit de Aartsvaderlijke traditie.

6e alija, 27:28-28:4. Toen Jitschak Ja’akov had gezegend kwam Esau terug van de jacht. Jitschak merkt dat hij de verkeerde zegende. Ja’akov vlucht naar Lawan in Charan.

7e alija, 28:5-9. Toen Esau zag dat Kenaänitsche meisjes geen gunst vonden in de ogen van zijn ouders, trouwde hij met Machalat, de dochter van Jisjmaeel.

Reacties zijn gesloten.