Ki Tavo 9 september 2006 / 16 Elloel 5766 Dewariem/Deuteronomium 26:1 – 29:8

KI TAVO (als je komt):

  • Als het Land vrucht draagt, moet je de eerstelingen naar het Heiligdom brengen en een verklaring afleggen dat je alles aan G’d te danken hebt, dat je de geboden hebt uitgevoerd en de opgedragen tienden aan de rechthebbenden hebt gegeven.
  • Mosjé stelt nog eens dat G’d een wederzijdse afspraak met de Bné Jisraëel heeft gemaakt: Hij heeft Zich de Bné Jisraëel als volk genomen en het volk zal alle geboden nakomen. Als het volk de Jordaan overtrekt moeten grote stenen genomen worden die later op de berg Ewal geplaatst zullen worden. Op de stenen moet de hele Tora worden geschreven. Er moet op de Ewal een altaar gebouwd worden dat niet met ijzer mag worden bewerkt.
  • Na het overtrekken van de Jordaan moet de helft van de stammen op de berg Geriziem staan en de andere helft op de berg Ewal, terwijl de Levieten twaalf (zegeningen en) vloeken reciteren, waarop het volk Ameen moet antwoorden.
  • Mosjé noemt dan de zegeningen die het volk deelachtig zal worden als ze de ge- en verboden in acht nemen, maar als ze dat niet doen dan komen de ergste vervloekingen over hen.

Koheen, 26:1-11. De mitsva van Bikkoeriem is dat de eerste vruchten van de zeven soorten in een mand naar het Bet Hamikdasj gebracht moeten worden. De Koheen plaatst die voor het Altaar, waarna men de parsja van de Bikkoeriem uitspreekt.

Toen de Tempel nog bestond trok men vanuit heel Israël naar Jeroesjalajiem om Bikkoeriem te brengen naar het Beet Hamikdasj. Het was een kleurrijke optocht waarbij G’d bejubeld werd met psalmteksten. Maar er werden ook andere gaven gebracht naar Jeruzalem. Toch werd daar nooit veel ophef over gemaakt.
Waarom was dit bij de mitsva van Bikkoeriem anders? De eerstelingen waren van essentieel belang. Een boer ploegt, zaait en oogst. Het is hard werken met veel risico. Wanneer het graan eindelijk opschiet kan de boer bij zichzelf denken dat hij dit allemaal te danken heeft aan zijn eigen inspanning en inzicht:‘Dit zijn de vruchten van mijn werk’. Wanneer men Bikkoeriem brengt, toont men dat men G’ds hand ziet in al zijn streven. Alleen met hulp van Boven lukt het ons onze doelen te bereiken.
Waarom het eerste en niet het beste? Het eerste zet de toon voor alle latere ontwikkelingen. Bovendien kan men over de vraag wat ‘het beste’ is ernstig van mening verschillen.

Levi, 26:12-15. Nadat men de teroema (heffing voor de Kohaniem), ma’aseer (een tiende voor de Levi) en ma’aseer anie (tiende voor de armen) heeft afgedragen (in het derde en zesde jaar van de zevenjarige sjemitacyclus), moet men formeel verklaren dat niets van de geheiligde producten nog in het bezit is en dat het op de juiste wijze weggegeven is (deze verklaring wordt op de laatste dag Pesach in het vierde en zevende jaar uitgesproken en heet vidoej ma’aseer).

`En u zult voor het aangezicht van uw G’d zeggen: ik heb het heilige uit het huis weggedaan; ook heb ik dat weggegeven aan de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe, geheel overeenkomstig het gebod dat U mij gegeven hebt. Ik heb geen van Uw geboden overtreden of vergeten’ (26:12-13). Deze vidoej ma’aserot, de belijdenis bij het vertienen, klinkt helemaal niet als een belijdenis maar zou:‘wij hebben gezondigd, wij zijn schuldig!’ moeten luiden.
Eigenlijk zou deze ‘grote opruiming’ niet nodig moeten zijn. Oorspronkelijk hadden de eerstgeborenen (de bechoriem) als `bedienaren van de religie’ recht op deze afgezonderde delen. Maar doordat ze zondigden bij het Gouden Kalf kon men `geen priester in eigen huis’ meer blijven. Daarom moeten we ze aan vreemden geven, Levieten. In feite belijden wij de tekortkomingen van de vorige generaties.
Aan het einde van de vidoej staat:‘Hasjkifa, kijk neer uit Uw heilige woning, uit de Hemel, en zegen het volk Israël met het land dat U ons gegeven heeft’ (26:15). Hasjkifa heeft een slechte bijbetekenis. Neerkijken in de zin van berechten en veroordelen. Tsedaka is tegengif tegen de negatieve Hemelse blik. Tsedaka verzekert ons van de G’ddelijke bescherming. De zonde van het Gouden Kalf is altijd bij ons. We moeten deze vidoej afleggen vanwege afgodische ontrouw die onze relatie met Hasjem nog steeds ontsiert. Schenking van priesterlijke gaven aan derden herinnert voor altijd aan deze grote misser. We herinneren ons er zelf aan dat G’d negatief op ons neerkijkt maar dat het weggeven van tsedaka onze enige redding is.

3e alija, 26:16-19. Hier wordt onze relatie met G’d samengevat. We hebben G’d beloofd naar hem te luisteren en Hij heeft ons Zijn uitverkoren volk gemaakt, indien wij ons aan de mitsvot houden.

4e alija, 27:1-10. Zodra de Jordaan overgetrokken was, moesten wij grote stenen op de berg Ewal oprichten, met kalk bestrijken en daarop alle woorden van de Tora schrijven.

5e alija, 27:11-28:6. Na de intocht moeten zes stammen bij de berg Geriziem en zes bij de berg Ewal staan. Daar zullen zij de (zegeningen en) vloeken horen, die het gevolg zullen zijn van het al dan niet houden van de Tora en de mitsvot. De twaalf vloeken bestrijken verschillende gebieden in het Joodse leven, zowel op intermenselijk als mens-G’d vlak. Als we aandachtig luisteren naar de stem van Hasjeem, dan zal alles goed gaan.

Vlak voor de Tochaga (vloeken) staat:‘Deze zegeningen zullen over u komen en u bereiken’ (28:2). Waarom gebruikt de pasoek (vers) hier een dubbele uitdrukking?
In de eerste Tochaga (Vajikra 26:5) staat ‘en jullie zult jullie brood eten en verzadigd zijn’. De verklaarders zeggen dat men met een klein beetje eten toch al verzadigd raakt. Men kan steenrijk zijn en zich toch vreselijk ontevreden voelen. Wanneer wij onze ‘blessings niet counten’ zijn we nooit gelukkig. Wanneer we straatarm zijn maar met een klein korstje brood tevreden zijn, hebben we alles. Dit is de betekenis van de openingspasoek ‘deze zegeningen zullen over u komen en u bereiken’. Ze komen niet alleen maar we realiseren ons ook dat we gezegend zijn. Dat is de mooiste brooche.
Hetzelfde geldt voor kelalot (vloeken): ‘en alle vloeken zullen over je komen en jou bereiken (28:15). Soms wordt iemand negatief bejegend vanuit de Hemel maar heeft hij/zij dat helemaal niet door. Velen missen de boodschap van Boven. Maar dat is niet de bedoeling. Wanneer G’d een mens straft, is dat ten goede bedoeld. Wanneer men de boodschap mist, is hier iets essentieel mis.
De Kotzker Rebbe wijst ons op het merkwaardige fenomeen dat de joodse rampmaand nou net Av (vader) heet. Wanneer men wordt geslagen, begrijpt men tenminste, dat er nog een Instantie is die zich om ons bekommert. Wij worden in de gaten gehouden. Dat is een verborgen beracha.

Vlak voor de Tochaga zegt de Tora:‘Je zult alleen bovenop zijn en niet onderop’ (28:13). Waarom moet hier een dubbele uitdrukking gebruikt worden? De Ja’avets zegt in zijn gebed: ‘Als U mij zult zegenen en mijn grenzen zult uitbreiden’ (Kronieken 1:4:10). We kennen veel beroemdheden, die overnacht miljonair worden maar niet met geld kunnen omgaan. Uiteindelijk wordt hun leven geruïneerd door drugsmisbruik, scheiding en oplichting. Ze konden niet met hun zegen omgaan. De Talmoed legt het gebed van Ja’avets uit. Hij vroeg om gezegend te worden met Tora en zijn gebied uit te breiden met leerlingen. Je kan groeien door je horizon te verbreden en anderen te laten delen in jouw zegeningen. We moeten buiten onszelf treden, onze egoïstische en egocentrische belangen laten varen. De Talmoed zegt: ‘Geef een tiende opdat je rijk zult worden.’ Is dat een financiële goocheltruc? Nee! Wanneer meer mensen afhankelijk van jou worden, moet G’d jou meer geven om ook hun te bedienen. Hoe onmisbaarder de mens voor de ander is, hoe meer men groeit. ‘Je zult alleen bovenop zijn en niet onderop’. G’d zal je niet alleen zegenen maar ook leren omgaan met aardse overvloed.

6e alija, 28:7-69. De zegeningen gaan door met een belofte van overwinning. Maar wanneer wij niet luisteren, zal alles mislopen. Dit vloekgedeelte heet de Tochaga, letterlijk ‘de waarschuwing’.
7e alija, 29:1-8. Nadat het volk alle wonderen heeft gezien, roept Mosjé hen op om de afspraken met G’d na te komen.

Aan het einde van de 98 vloeken zegt de Tora (28:47): ‘omdat u uw G’d niet met vreugde en blijdschap gediend hebt vanwege al uw overvloed.’ Alle mitsvot hebben we uitgevoerd. Het enige dat ontbrak was de simcha sjel mitsva. Is dat nou werkelijk zo vreselijk?
De eerste Tochaga in Vajikra zag op periode van de Eerste Tempel. In Ki Tavo slaan de kelalot op de periode van de Tweede Tempel. De Tweede Tempel werd verwoest vanwege sinat chinam (zinloze haat om niets). De Tora echter zegt, dat de ware oorzaak een gebrek aan vreugde is bij het uitvoeren van de mitsvot. Dat lijkt tegenstrijdig.
Misschien mogen we stellen dat een gebrek aan vreugde bij de mitsvot uiteindelijk zal leiden tot haat om niets. De Tora stelt:‘U zult uw naaste liefhebben als uzelf’. Wat betekent ‘als uzelf’? Als u van uzelf houdt, kunt u ook van anderen houden. Wanneer u tevreden bent met uzelf, kunt u ook tevreden zijn met anderen. Wanneer u vrede heeft met uzelf kunt u dat ook uitstralen naar anderen. Wanneer men vrolijk en tevreden is, heeft dat een brede werking. Indien men ontevreden is, haat men de ander. Men gunt niemand succes.
Misschien is dat de boodschap van onze Wijzen. Als we zelf niet tevreden zijn en besimcha, ontstaat er onnodige haat. We kunnen niet aanzien dat anderen plezier en succes in het leven hebben en daarom misgunnen we ze alles. Als wij niet vol liefde en vreugde leven, kunnen wij de mitsvot ook niet naar behoren uitvoeren. Daarom werd de Tweede Tempel verwoest. Gebrek aan simcha leidde tot haat om niets.

Aan het einde van de Tochaga in Bechoekokai troost de Tora ons: ‘Dan zal Ik Mijn verbond met Ja’akov gedenken. Ook mijn verbond met Jitschak en ook met Avraham zal Ik gedenken en Ik zal het land gedenken’ (26:42). De Tochaga uit Ki Tavo eindigt echter niet troostend:
G’d zal u op schepen terugbrengen naar Egypte langs de weg, waarvan ik zei, die zult u nooit meer zien. U zult daar aan uw vijanden als slaaf aangeboden worden maar er zal geen koper zijn’ (28:68). Rabbi Sjimon bar Jochai bespreekt dit contrast. In de Tochaga van Ki Tavo ligt desondanks een grote beracha verborgen, die niet in Bechoekotai staat. In Bechoekotai zegt G’d ‘Indien u desondanks niet naar Mij luistert en zich tegen Mij blijft verzetten, dan zal ik Mij met ‘keri’ tegen u verzetten’ (26:27-28). Keri betekent dat, G’ds relatie met het Joodse volk een toevallig karakter krijgt omdat het Joodse volk zich niets aan G’d gelegen laat liggen.
De relatie is dus wederzijds. Als jij je niet druk maakt om Mijn belangen ben Ik ook niet meer bezig met wat jij nodig hebt (26:27-28). Maar in Ki Tavo zegt de Tora: ‘G’d zal u slaan’ (28:27). Dit is de grootste troost. Het allerergste dat het Joodse volk kan overkomen is dat ze volledig in de steek gelaten wordt door G’d. Als het Joodse volk handelt alsof G’d geen integraal onderdeel is van hun leven, zegt G’d ‘dan trek Ik Mij ook terug en laat de natuur maar zijn beloop hebben.’ Dit betekent dat G’d zich totaal zou afwenden van Klal Jisra’eel. Wanneer G’d Zelf slaat dan weten we dat hij zich om ons bekommert, zij het in negatieve zin. De relatie is in stand gebleven. Een kind dat bij wangedrag een tik krijgt van zijn vader is beter af dan een kind zonder vader.
In Bechoekotai laat G’d de geschiedenis zijn beloop. Hij trekt zich terug en beschermt ons niet meer. Het is of er geen relatie meer is. Maar in Ki Tavo is G’d actief aanwezig en kastijdt Hij Zijn weerspannige zoon.

Ramban (Nachmanides) legt een ander verschil tussen de eerste en de tweede Tochaga uit:
Na de verwoesting van de Eerste Tempel wist men dat men binnen korte tijd zou terugkeren, alhoewel er enige onduidelijkheid bestond over het beginpunt van de telling van de 70 jaar ballingschap. Maar de tweede Tochaga staat voor het eindeloze galoet (goles) na de verwoesting van de Tweede Tempel. Er lijkt geen einde te komen aan deze ballingschap. Maar er zal een moment aanbreken, waarop het Joodse volk tot inkeer zal komen en bevrijd zal worden. Dit staat ook in Ki Tavo aangeduid. De remedie tegen Ki Tavo staat pas in Devariem 30:1-2, in de volgende parsja. ‘Wanneer dan al deze dingen over u komen, de zegen en de vloek, die Ik u voorgehouden hebt, en u die ter harte neemt temidden van al de volken, naar wier gebied uw G’d u verdreven heeft; wanneer u dan tot uw G’d bekeert en naar Zijn stem luistert overeenkomstig alles wat ik u heden gebied, met heel uw hart en met heel uw ziel, dan zal uw G’d in uw lot ommekeer brengen en zich over u ontfermen; Hij zal u weer bijeenbrengen uit al de volken naar wier gebied Hasjem u verstrooid heeft (Dev. 30:1-2). Wil G’d zich weer over ons ontfermen dan moeten wij tesjoeva doen. Uiteindelijk zal het Joodse volk tesjoeva doen. We zitten nu nog in de wachtkamer. Geen wanhoop! Als wij terugkeren tot G’d, zal Hij onze stem horen en een einde maken aan dit bittere galoet.

Sjabbat Sjalom.

Reacties zijn gesloten.