Sjoftiem 26 augustus 2006 / 2 Elloel 5766, Dewariem – Deut. 16:18 – 21.9

  • Het bestuur over het Joodse volk is niet bedoeld voor de priesterklasse. De ideale staatsvorm is een ware theocratie, waarbij G’d alleen regeert. Waarom dan het Tora-gebod om een koning aan te stellen?
  • Binnen het jodendom is het koningschap hoofdzakelijk positief en spiritueel gericht.
  • In de Tora wordt een beloning in het vooruitzicht gesteld voor het vertienen van de landbouwproducten.
  • “De Kohaniem, de Levie’iem, de hele stam Levie, zullen geen deel of erfelijk bezit hebben onder Israël … HaSjeem, Hij is hun erfdeel” (18:1-2).
  • Een filosoof vroeg eens aan Rabban Ĝamliëel: “Jullie Tora verlangt toch van jullie om steeds weer liefdadigheid te geven. Jullie mogen wel bang zijn dat jullie financiële positie niet in gevaar komt. Moeten jullie geen geld apart zetten voor tijden van nood?”.
  • We worden alleen maar rijker door weg te geven. Nooit is iemand arm geworden door het geven van Tsedaka.
  • Stress aan de frontlinie.
  • De Tora geeft richtlijnen voor het Joodse leger.
  • Onze omgang met het milieu.
  • Stress is helaas een nevenproduct van ons overhaaste bestaan.

Sjoftiem (rechters) – samenvatting
Rechtvaardigheid moet steeds betracht worden. Afgodendienaren moeten worden onderworpen aan een grondig onderzoek met twee of drie getuigen.
G’d kiest een koning voor je uit; hij moet bescheiden zijn in materiele zaken en hij moet een Tora-rol schrijven die hij altijd bij zich draagt.
De priesters krijgen geen erfelijk bezit. Maar zij hebben recht op landbouwproducten. Luister niet naar waarzeggers van welke aard dan ook. G’d zal ware profeten zenden om het volk te leiden en geeft aan hoe valse profeten herkend kunnen worden.
Er worden vluchtsteden ingesteld voor degenen, die per ongeluk een medemens gedood hebben. Dit om aan de bloedwreker te ontkomen. Een moordenaar moet bestraft worden. Als twee mensen een valse getuigenis afleggen, dan ondergaan zij het lot dat zij in petto hadden voor hun slachtoffer.
Als er een oorlog op handen is, dan moet een priester het volk moed inspreken: G’d is met jullie. Wie niet aan de strijd zullen deelnemen zijn zij die pas een huis gebouwd hebben, een wijngaard geplant, een huwelijksbelofte hebben gedaan, en zij die bang zijn. Als men de vijand nadert moet men eerst vrede aanbieden. Vruchtbomen mogen niet geveld worden in een oorlog.
Als er dode wordt gevonden in het open veld, dan moeten de oudsten van de dichtstbijzijnde stad een kalf een dodelijke nekslag toedienen, hun handen erboven in onschuld wassen en verklaren dat zij niet schuldig waren aan de dood van deze mens.

Koheen, 16:18-17:13.
Er moeten rechters en politieagenten worden aangesteld om de wet af te dwingen. Het recht mag niet verbogen worden. Omkoopgeld is uit den boze.

Levi, 17:14-20. Het is een mitswa om een koning aan te stellen. De koning mag niet te veel paarden hebben (meer dan zijn leger nodig heeft) en mag het volk niet terugbrengen naar Egypte (het is verboden om in Egypte te wonen, toeristische bezoeken zijn toegestaan). De koning mag niet te veel vrouwen hebben (niet meer dan 18) of te veel rijkdom verzamelen (alles dat nodig is voor het runnen van zijn rijk is toegestaan). Een koning moet een Torarol voor zichzelf schrijven.

Het bestuur over het joodse volk is niet bedoeld voor de priesterklasse. De ideale staatsvorm is een ware theocratie, waarbij G’d alleen regeert. Waarom dan het Tora-gebod om een koning aan te stellen?
 ‘Wanneer u komt naar het land, dat uw G´d u geven zal en u dit in bezit genomen zult hebben en u er in woont … dan zult u over u de koning aanstellen, die uw G´d verkiezen zal?’ (17:14):
De context, waarbinnen de opdracht tot het aanstellen van een koning en het vestigen van een soevereine aardse macht verschijnt, wijst erop, dat het in ieder geval niet de taak van een joodse koning is om als charismatische oorlogsheld het volk te verenigen tegenover een gemeenschappelijke vijand. Want uit het geciteerde vers blijkt, dat een joodse koning pas gezocht moest worden nadat het land Kana’an veroverd en verdeeld was! Het volk Israël had geen oorlogsheld nodig om het land in te nemen: G’d Zelf had hen immers een snelle verovering en overwinning toegezegd. Veiligheid, voorspoed en geluk zouden hun deelachtig worden als ‘natuurlijk’ gevolg van navolging van de ge- en verboden uit de Tora, zoals beschreven staat in Dewariem 28:1 14.
De ideale joodse koning bestijgt zijn troon in tijden van voorspoed. In een dergelijke periode van welvaart heeft de Tora de koning een unieke rol toebedacht. Het koningschap in Israël heeft een volstrekt andere functie dan het koningschap bij andere volkeren. In de meeste gevallen wordt staatsmacht negatief uitgeoefend:
de koning of de staat moet haar burgers beschermen tegen invasies (defensie functie)
de koning of de staat moet de burgers tegen elkaar beschermen, hetgeen onder meer politionele, bestuurlijke, wetgevende en rechtsprekende taken met zich meebrengt (interne betrekkingen).
Deze staatsfunctie ligt in de lijn van de Misjna in Pirké Awot (3:2) ‘Rabbi Chanina zegt: Bid voor het welzijn van de regering; wanneer het ontzag daarvoor zou ontbreken, zou de een de ander levend verslinden’.
Tegenwoordig wordt de staatstaak ook positief geformuleerd: het bevorderen van het welzijn en de welvaart van de bevolking. Welzijn en welvaart worden echter voornamelijk in materiële termen gedefinieerd: voldoende eten, kleding, behuizing, werkgelegenheid etc. Zorg voor onderwijs blijft binnen het seculiere denkkader toch hoofdzakelijk `fysiek’ gericht inzoverre onderwijs voorbereidt op een maatschappelijke positie. Alleen het terrein van volwasseneneducatie ontstijgt dit enigszins.

► Binnen het jodendom is het koningschap hoofdzakelijk positief en spiritueel gericht.
Als eerste burger is de koning de belichaming van de Tora en haar idealen. De persoon van de koning en zijn levensstijl vertegenwoordigen de gedachte, dat de wetsbepalingen, ideeën en heiligheid van de Tora de mens veredelen en tot een hoger plan verheffen. Maimonides (1135 1204) schrijft omtrent de koning (Jad, hilchot melachiem 3:1): `Wanneer de koning op zijn troon zit, schrijft hij één of twee Torarollen. Eén Tora deponeert hij in zijn schatkamers, de andere Tora draagt hij overal met zich mee, in de oorlog, tijdens de rechtspraak en gedurende de maaltijd, zoals er geschreven staat (Dewariem 17:19): ‘De Tora rol zal bij hem zijn en hij zal erin lezen gedurende zijn gehele leven’. Als drager van een vrijwel absoluut en onbeperkt staatsgezag onderwerpt hij zich aan de wetten van de Tora, die hij overal bij zich draagt.

3e alija, 18:1-5. Levieten krijgen geen deel in land (behalve de steden die zij ontvangen van de andere stammen). De Koheen krijgt 24 gaven.

►“De Kohaniem, de Levie’iem, de hele stam Levie, zullen geen deel of erfelijk bezit hebben onder Israël … HaSjeem, Hij is hun erfdeel” (18:1-2). De stam Levi ontving zijn aardse deel uit gaven van hun medeburgers:”Het eerste van uw koren, uw jonge wijn en olie en het eerste van het scheersel van uw kleinvee zult u hem geven” (18:4). De landbouwgaven nemen hierbij een belangrijke plaats in. De totale religieuze belasting bedraagt ongeveer 20 procent. Allereerst is daar de Teroema Ĝedola. Dit is ongeveer twee procent van de totale opbrengst van het land, dat aan de Koheen gegeven werd. Daarna is er Ma’aseer Risjon, het eerste tiende van de oogst. Ma’aseer Risjon wordt aan de Levi gegeven. Ma’aseer Sjeni, het tweede tiende, moest in het eerste, tweede, vierde en vijfde jaar van een zevenjarige Sjemitacyclus op gewijde wijze in Jeruzalem worden genuttigd en genoten. In het derde en het zesde jaar van zo’n zevenjarige Sjemitacyclus werd een tweede tiende, Ma’aseer Ani, het tiende voor de armen afgestaan. Al deze gaven waren een vorm van Tsedaka (liefdadigheid) om de armen en dienstdoende priesters en Levieten, die ook veel onderwijs verzorgden, in leven te houden. Tegenwoordig hebben we de financiële Tsedaka. Uit de landbouwgaven wordt afgeleid dat het een grote mitswa is om financiële liefdadigheid te doen.

► In de Tora wordt een beloning in het vooruitzicht gesteld voor het vertienen van de landbouwproducten.
Rabbi Jochanan ontmoette eens zijn neefje, de zoon van Reesj Lakiesj. “Welke Tora-afdeling heb je vandaag bestudeerd?”,vroeg Rabbi Jochanan. “Aseer Te’aseer – Je moet tienen en vertienen (14:22), wat is deze dubbele uitdrukking?”. Rabbi Jochanan legde zijn neefje uit dat dit gebod ook gelezen kan worden als: “geef een tiende opdat je rijk zult worden”. Het woord vertienen en het woord rijk worden lijken op elkaar in het Hebreeuws. “Hoe weet ik zeker dat dit de juiste verklaring is?”, vroeg het kind. “Probeer het uit”, antwoordde zijn oom Rabbi Jochanan, “en je zult zien dat ik gelijk heb”. “Maar is het niet verboden om G’d uit te testen of Hij inderdaad de beloofde beloning zal uitvoeren?”, vroeg de jongen. “In het algemeen is dat zeker juist”, zei Rabbi Jochanan, “maar het vertienen van de landbouwgaven is een uitzondering. Het is toegestaan om G’d uit te testen bij het geven van Ma’aseer – de tienden. Dit wordt duidelijk uit de Pasoek (vers) van de profeet Mal’achi (3:10): “Breng alle tienden naar de opslagruimten zodat er voedsel in Mijn Huis, de Tempel, aanwezig zal zijn. Probeer Me maar uit, zegt G’d der Heerscharen, als ik dan niet voor jullie de luiken van de Hemel zal openzetten en jullie met oneindige zegen zal overladen!”.

► Een filosoof vroeg eens aan Rabban Ĝamliëel: “Jullie Tora verlangt toch van jullie om steeds weer liefdadigheid te geven. Jullie mogen wel bang zijn dat jullie financiële positie in gevaar komt. Moeten jullie geen geld apart zetten voor tijden van nood?”.
Rabban Ĝamliël vroeg de filosoof toen: “Als jij om een lening wordt gevraagd, zou je dat dan geven?”. “Hangt er vanaf wie dat is”, antwoordde de filosoof, ”als het een vreemdeling is, zou ik bang zijn m’n geld te verliezen”.”En wat gebeurt er als de lener garanties biedt?”, vroeg Rabban Ĝamliël. ”Dan zou ik er zeker mee instemmen, als ik weet dat de persoon in kwestie betrouwbaar is”, antwoordde de filosoof. Rabban Ĝamliël ging door:”Als de premier nou garant zou staan voor de lening, zou je dan akkoord gaan met de lening?”, “Dat is zeker acceptabel”, zei de filosoof. ”Luister”, zei Rabban Ĝamliël, “Wanneer iemand liefdadigheid geeft, geeft hij eigenlijk een lening aan de Schepper van de wereld. Dit staat ook in Misjlee (Spreuken 19:17): ‘Iemand die genereus aan de armen schenkt, geeft als het ware een lening aan G’d, die hem alles zal terug betalen’. Niemand is zo betrouwbaar als G’d. Als Hij garandeert, dat jij je geld terugkrijgt, zou ik niet aarzelen om Tsedaka te geven.”

► We worden alleen maar rijker door weg te geven. Nooit is iemand arm geworden door het geven van Tsedaka.
Het boek Spreuken zegt dit ook zo duidelijk:”Wanneer men geld geeft aan de armen zal men geen gebrek lijden. Hij die zijn ogen sluit zal vele kelalot (vloeken) oplopen” (28:27). G’d geeft het geld dat men aan Tsedaka heeft geschonken terug. Geld dat men niet heeft willen spenderen aan de armen zal uiteindelijk verloren raken!
Rabbi Tarfon was erg rijk maar gaf onvoldoende Tsedaka. Rabbi Akiwa vroeg hem toen of hij geïnteresseerd was in een goede investering. Rabbi Tarfon gaf hem 4000 gouden dinaren om te investeren in het lucratieve project. Rabbi Akiwa verdeelde het geld toen onder de armen. Later wilde Rabbi Tarfon zijn investering terug hebben. Rabbi Akiwa bracht hem naar het Beet Hamidrasj, het leerhuis, en opende het boek Tehilliem (Psalmen) en las met hem: “Wanneer men vrij verdeeld heeft onder de armen zal zijn rechtvaardigheid voor eeuwig bestaan”(112:9). Rabbi Tarfon zei toen tegen Rabbi Akiwa:”Jij bent mijn meester en leraar, jij bent wijzer dan ik”. Toen gaf Rabbi Tarfon extra geld aan Rabbi Akiwa om aan de armen te geven. Tsedaka is dé mitswa bij uitstek, omdat het het gehele leven een extra dimensie kan geven.

4e alija,18:6-13.
Kohaniem moeten de offers gelijk verdelen. Astrologie en zwarte magie zijn verboden.
5e alija, 18:14-19:13. Naar profeten moeten wij luisteren (omdat wij bij de berg Sinai niet G’ds stem zelf wilden horen maar Zijn woord ontvingen via Zijn profeet Mosjé).
6e alija, 19:14-20:9. Men mag grenspalen niet verzetten (landroof). Er wordt een speciale koheen gezalfd om de mensen spiritueel voor te bereiden op de oorlog.
7e alija, 20:10-21:19. Voor de aanval moet er vrede worden aangeboden (dit aanbod betekent dat men de zven Noachidische wetten moet accepteren). Wanneer een stad wordt belegerd, moet men oppassen de vruchtenbomen niet te vernietigen. Dit is het verbod van ‘bal tasjchiet’, hetgeen uitgebreid wordt naar alle moedwillige en nutteloze vernielingen.

► Stress aan de frontlinie
Een van de belangrijkste ziekte-oorzaken tegenwoordig is stress. Vele moderne bedrijven hebben professionals in dienst om hun medewerkers te leren omgaan met stress. Stress leidt tot grote verliezen in manuren.
Bekend uit traumabehandelingen is, dat oorlog één van de meest stressvolle situaties is. Zeker in de frontlinie staan soldaten dagelijks bloot aan levensgevaar. Gestresste soldaten zullen, indien ze hiertoe de gelegenheid krijgen, stoom afblazen door ongeleide agressie en een oncontroleerbare vernietigingsdrang.

► De Tora geeft richtlijnen voor het Joodse leger.
Ons wordt geleerd hoe we de soldaten moeten uitkiezen, hoe soldaten onderling met elkaar moeten omgaan, hoe gevangenen behandeld moeten worden. Daarna voegt de Tora ook een omgangsregeling met het milieu toe: “Wanneer je lange tijd een stad zult belegeren, om haar in te nemen, dan zul je het geboomte niet vernielen, want daarvan zul je eten en je mag het niet omhakken, want de mens is als het geboomte van het veld” (20: 19-20).
In de oorlog is wachten vaak het moeilijkst. De spanning bouwt zich op gedurende het beleg van een stad. De zenuwen van iedere soldaat staan onder hoogspanning. Seconden lijken minuten, minuten lijken uren. Soldaten voelen zich gefrustreerd, gespannen en in zekere zin ook verveeld. Om hun angst en frustratie af te reageren is het milieu een dankbaar slachtoffer. Op dat moment zegt de Tora: “Nee!”. Hoewel stressreductie legitiem kan zijn, houdt de Tora dit tegen. Belangrijker dan de bevrediging van zijn persoonlijke behoeften is het algemeen belang. Iedereen heeft vruchtbomen nodig.

► Onze omgang met het milieu.
Vele commentatoren zien in dit verbod om bomen te vernietigen een voorbeeld van hoe om te gaan met het milieu. De Tora leert ons niets te vernietigen, dat nuttig kan zijn:“De Tora verbiedt alleen maar opzettelijke vernietiging. Dit slaat niet alleen op bomen, maar ook op alle andere nuttige voorwerpen. Iedereen die spullen kapot maakt, kleren scheurt, gebouwen vernielt, bronnen dicht stopt of voedsel oneetbaar maakt, overtreedt het verbod “Gij zult niet vernietigen” (Maimonides). Helaas zijn we tegenwoordig getuige van veel moedwillige vernieling. Hoe vaak wordt bruikbaar eten niet weggegooid. Vreselijk is het om te moeten aanschouwen hoe tonnen voedsel vernietigd worden om de prijzen hoog te houden, terwijl velen creperen van de honger.
Hoewel bij de schepping van de mens verteld wordt, dat wij geacht worden de wereld aan ons te onderwerpen en wij toestemming hebben om de natuur en de natuurlijke hulpbronnen voor ons eigen bestwil aan te wenden, moeten we toch erkennen dat ons eigendomsrecht over de wereld beperkt is. We zijn zelfs niet volledig eigenaar over onze eigen bezittingen en kunnen daar niet zomaar mee doen wat we willen, zoals blijkt uit de Joodse wet. Het is een bekend gegeven, dat alles ons slechts in bewaring gegeven is zoals de Psalmist duidelijk zegt: “De aarde is van G’d en alles wat haar vult”. We mogen de natuur aan onze belangen onderwerpen maar er gelden zeker duidelijke grenzen.
Één van die beperkingen luidt, dat het algemeen belang altijd voorop moet staan. Ook al hebben we als individu baat bij een daad van vernietiging, als de gemeenschap daar nadeel van heeft, overweegt het belang van het algemeen nut. Volgens Sefer Hachinoeg (13e eeuw) wil de Tora met het “boom-vernietigingsverbod” ons liefde voor het goede en nuttige aanleren. Letterlijk zegt hij: “Vrome mensen kunnen zelfs de vernietiging van een graankorrel niet verdragen; indien mogelijk zullen ze iedere vorm van vernietiging tegen houden maar er zijn slechte mensen, die niets leuker vinden dan kapot maken. De mens wordt gemeten naar zijn eigen maatstaf. Altijd worden we geconfronteerd met onze eigen levenshouding. Hij/zij die het goede wil en daar verheugd over is, zal hier altijd van kunnen genieten”.

► Stress is helaas een nevenproduct van ons overhaaste bestaan.
Niemand ontkomt aan stress in onze moderne maatschappij. Natuurlijk moet op elke mogelijke manier de emotionele belasting, door stress veroorzaakt, worden verlicht. Toch mogen wij niet vervallen tot wild destructief gedrag om de interne druk af te reageren. Onze verantwoordelijkheid in deze wordt prachtig verwoordt in de Midrasj: “Toen G’d Adam schiep, leidde Hij hem rond in de tuin van Eden. “Kijk naar Mijn werk”, zei G’d, “Zie hoe mooi het is, hoe fraai Ik alles voor jou heb geschapen, let er op dat je Mijn wereld niet vernietigt, want als je dat doet, is er niemand om het te herstellen”. Een mooie gedachte zo vlak na de vakantie in de natuur.

Reacties zijn gesloten.