De verspieders keren na 40 dagen terug. Tien van de twaalf verkenners raden aan om niet op te trekken, omdat het volk daar te sterk is. Ze vrezen dat vrouw en kinderen krijgsbuit zullen worden. HaSjeem wil het volk vernietigen maar Mosjé weet dat door gebed te voorkómen. Voor elke dag van verkennen moet het volk echter een jaar in de woestijn blijven. Sommigen van het volk, met spijt over hun houding, trekken toch op maar worden smadelijk teruggeslagen. G’d geeft Mosjé instructies over uiteenlopende offers en gewijde gaven die gebracht zullen worden als het volk in het land gevestigd is. Iemand (Tselofchod?) sprokkelde hout op Sjabbat. De mitswa van Tsietsiet (schouwdraden) volgt.
Koheen, 13:1-20. G’d benadrukt tegenover Mosjé, dat hij uit eigen vrije wil de verspieders kan sturen, maar dat dit niet op bevel van G’d geschiedt.
Levi, 13:21-14:7. De verspieders beschrijven de grote kracht van de inwoners van Kena’an. Het volk komt in opstand maar Kalev vertelt hun dat ze moeten optrekken naar Israël. De andere tien verspieders spraken kwaad over het land. De Kena’anieten zijn sterker dan wij: “En wij waren als sprinkhanen in onze eigen ogen en ook in hun ogen.”
► De episode van de verkenners staat direct na de melaatsheid van Mirjam, de zuster van Mosje, beschreven. Blijkbaar was Mirjam niet in staat het bijzondere karakter en de speciale status van haar broer Mosje te onderkennen. Ook de verkenners waren blind voor de uitzonderlijke kwaliteiten van het heilige land. Wij bewonen een bijzonder land. Het is een land waar G’d zorg voor draagt, steeds zijn de ogen van G’d erop gericht, van het begin van het jaar tot het einde ervan (Deut. 11:12). Alleen in dit land rust de Sjechiena – de Goddelijke aanwezigheid en alleen in dit land gedijt de profetie (Jalkoet Sjimoni, Jona).
De band tussen volk en land is vergelijkbaar met een huwelijk. De oversteek over de Jordaan was meer dan alleen een volksverhuizing. Er ontstond een verbond tussen heuvels, dalen en een volk, waarvan het lot tot op de dag van vandaag verbonden zou blijven met het welzijn van dat stuk aarde. Een lotsverbondenheid in alles. Want alles wat daar gebeurt, heeft invloed op de positie van Joden overal ook ter wereld. De vergelijking met een huwelijksband tussen twee mensen is niet helemaal terecht. In de dood kunnen mensen worden gescheiden. Maar de band tussen land en volk is permanent zoals Maimonides (1135-1204) al stelde: “haar bijzondere wijding is voor alle tijden”.
► De Talmoed stelt dat een man een vrouw niet mag trouwen zonder dat hij haar heeft leren kennen. We zien dat bij het huwelijk tussen Riwka en Jitschak. Jitschak geloofde zonder meer de getuigenis van zijn vaders dienaar Eliëzer, dat Riwka een geschikte huwelijkspartner was. Toch moest hijzelf de waardevolle eigenschappen van Riwka leren ervaren. De huwelijksband is bedoeld voor eeuwig. Een verbintenis tussen twee zielen, die pas in een relatie compleet worden. Het is een integratie van twee losse delen tot één nieuw geheel. Lichaam en ziel zijn hierbij betrokken. Ieders gehele persoonlijkheid is afgestemd op die van de ander. Het is een metafysische samensmelting. Alleen op grond van kennis uit de eerste hand kan men een eeuwige verbintenis aangaan. Hiermee wordt het verbod om iemand te trouwen, die men niet eerst heeft leren kennen, verklaard. Daarom heeft Mosje de verkenners ook opgedragen om het land door te trekken. Niet zozeer om inlichtingen te verzamelen maar om verslag uit te brengen over het speciale karakter van het Heilige Land.
Wanneer Am Jisraeel de Jordaan zou zijn overgetrokken zonder voorkennis zou het zijn als een huwelijk zonder dat men de ander eerst heeft leren kennen.
► Volk en land horen bij elkaar. Toen het Joodse volk uit het land verbannen werd, wilde het zijn gaven niet produceren. Dit staat ook duidelijk in de Tora:“Ikzelf zal het land verwoesten, zodat uw vijanden die daar in wonen, zich daarover zullen ontzetten”. In 1867 reisde de historicus Mark Twain door Israël:”Een desolaat land waarvan de aarde weliswaar rijk genoeg is maar geheel overwoekerd is door onkruid. Een zwijgende, treurniswekkende uitgestrektheid. Er was nauwelijks een boom of struik te bekennen. Zelfs de olijfboom en de cactus, de snelle vrienden van waardeloze grond, waren bijna verdwenen uit het land.”
Mosje verwachtte van de verkenners, dat zij het unieke van het land zouden ontdekken, de waarde, die het land heeft vanuit het verbond tussen Awraham en G’d: “Aan je nakomelingen heb Ik dit land gegeven” (Gen. 15:18). Maar de verspieders kwamen tot een negatieve conclusie.
Mirjam was niet in staat om het bijzondere karakter van haar broer Mosjé te onderkennen. Net zoals de verspieders blind waren voor het speciale karakter van het Heilige Land. De verkenners waren getuige geweest van Mirjams melaatsheid. Het was een uniek moment. G’ds belofte aan de Aartsvaders Awraham, Jitschak en Ja’akow stond op het punt in vervulling te gaan. De reactie van de verkenners was echter een blamage. Hoe konden zij zo blind zijn voor het speciale heiligheidsgehalte van het land?
Zowel Mirjam als de verkenners faalden omdat ze niet in staat waren de bijzondere dimensie van de kedoesja van het Joodse volk en het Heilige Land te onderkennen. De verkenners zagen die diepe band met het land niet. Onze band met Israël is niet in seculiere of nationalistische termen te vatten. De intense, gepassioneerde betrokkenheid van Joden over de hele wereld met het land Israël getuigt van een identificatie, die een samensmelting van identiteiten weerspiegelt: kedoesja (heiligheid) van land en volk.
3e alija, 14:8-25. G’d wordt kwaad op het volk en stelt Mosjé voor, dat hij uit hem een groter en machtiger volk zal maken. Mosjé houdt een pleidooi. Hij houdt G’d voor dat andere volkeren zullen zeggen, dat G’d niet in staat is om het volk naar het land te brengen als Hij ze in de woestijn laat sterven. Dit zou een geweldige Chiloel HaSjeem zijn. Mosjé roept de G’ddelijke eigenschappen aan en pleit voor vergiffenis (deze formule is een belangrijk onderdeel voor onze gebeden geworden). G’d verzoent Zich en verklaart dat dit reeds de tiende keer is, dat het volk Zijn geduld op de proef heeft gesteld. Hij belooft, dat mannen van deze generatie het land niet zullen bereiken, met uitzondering van Kalev en Jehosjoe’a.
► De fout van de verspieders wordt op veel verschillende manieren uitgelegd. Sommige Chagamiem zien het debacle als een gebrek in emoena, G’dsvertrouwen. Anderen stellen, dat de verspieders bang waren onder de nieuwe leider Jehosjoe’a hun topbaantjes als stamvorsten te verliezen maar de Lubawitscher Rebbe geeft aan, dat de Joden het in de woestijn geweldig naar hun zin hadden. Ze kwamen niets tekort. Het dagelijkse brood, het manna, viel uit de Hemel. Water kwam uit de bron van Mirjam. Ze werden op bovennatuurlijke wijze in de woestijn beschermd. Het was een heerlijk leven, zonder al teveel uitdagingen. Ze konden de hele dag Tora leren en zich wijden aan positieve, goede zaken. ‘De generatie van de woestijn’ stond op een hoog spiritueel niveau. Zij waren het die de Matan Tora, de wetgeving bij de berg Sinaï, persoonlijk hadden meegemaakt.
Daarom werd van hen verwacht dat zij in staat zouden zijn om G’ds belofte, dat zij het land zonder al teveel moeite zouden innemen, zonder meer te geloven. Nu stuurden zij verspieders om te controleren of het inderdaad wel zo’n goed land was. Maar de verspieders verkozen het spirituele leven in de woestijn boven het boerenleven in Israël. Dáár zouden ze gewoon moeten werken en tòch vroom moeten blijven! De verspieders meenden, dat dat onmogelijk was. Maar dàt is nu juist het Jodendom: Met beide benen op de grond en toch vroom!
► Een tweede verklaring wijst op het feit, dat in de tekst niet gesproken wordt over “spionnen” of “spioneren” maar over verkennen. De verspieders waren eerder padvinders dan spionnen. Spionnen zijn vijandig, padvinders houden juist van het land. Het Hebreeuwse woord “latoer” betekent eigenlijk “verkennen, rondreizen of jezelf bekend maken met” het land. Toen Joseef zijn broers van spionage betichtte, gebruikte hij uitdrukkelijk het woord merageliem (verspieders). Maar nu wilde het volk alleen maar kennis maken met het land.
Bovendien dringt zich de vraag op, waarom de joden militaire informatie nodig hadden. De hele Exodus was zo wonderlijk verlopen en de openbaring op de berg Sinaï zo bovennatuurlijk, dat niet geloven in wonderen een sprookje zou zijn. Waarom was überhaupt spionage nodig? G’d had hen toch verzekerd, dat het “een land vloeiend van melk en honing” zou zijn. In zijn verkenningsopdracht vraagt Mosje alleen maar om een demografische en landbouwkundige rapportage. In feite stuurde Mosje zijn mannen op een soort studiemissie. Mosje zocht demografische gegevens over de inwoners van het land: “Ziet, de mensen die erin wonen, zijn zij sterk of zwak, weinig of veel?” Rasjie legt het als volgt uit: “Er zijn gebieden die sterke, gezonde mensen produceren en er zijn gebieden waar mensen zwak blijven. Sommige landen hebben een grote bevolking en er zijn landen die ongezond zijn, waar weinig mensen leven”.
4e alija, 14:26-15:7. Het volk moet 40 jaar in de woestijn blijven. Sommigen hebben spijt en willen het land direct binnentrekken. Mosjé waarschuwt ze. De stoutmoedigen worden verslagen. Details over het meel-, olie- en wijnoffer dat de meeste offerdieren begeleidt.
5e alija, 15:8-16. Details van het meeloffer en de plengoffers.
6e alija, 15:17-26. De mitsva van Challa geldt direct bij de intrede in Kena’an. Men geeft een heffing van het deeg aan de Koheen. Dan volgt het offer bij een onopzettelijke zonde van de gemeente.
► Iedere dag eten we brood. Iedere dag worden we in de gelegenheid gesteld om niet alleen ons lichaam maar ook onze nesjama te laven met mitswot. De wijze waarop de mitswa gedaan werd, was goed voor de kohaniem. Het enige wat zij hoefden te doen, was het deeg bakken. Van deeg van brood of koek, dat 1200 gram meel bevat op het moment van kneden moet challa worden afgezonderd (vanaf 1666 gram mag men er zelfs een beracha over zeggen). Tegenwoordig neme men er een stukje deeg van af ter grootte van een olijf, verklaart, dat dit challa is en werpt het in het vuur omdat niemand tegenwoordig meer kan aantonen, dat hij koheen is.
7e alija, 15:27-41. Nu volgt het individuele zondoffer, wanneer onopzettelijk een zonde werd begaan. De houtsprokkelaar, een Sjabbatschender, wordt opgepakt en gedood. Waarschijnlijk was dit Tselofchod. De parsja eindigt met de afdeling over de tsietsiet. De schouwdraden moeten aan de vier hoeken van de kleren worden bevestigd en een hemelsblauwe draad bevatten.
► Tsietsiet herinneren ons aan het pure monotheïstische geloof. Tsietsiet verbieden ons om de wereld om ons heen te verspieden alleen om onze aardse lusten te bevredigen. De getallenwaarde van Tsietsiet met de 8 draden en 5 knopen is 613, het totaalgetal van de Mitsvot in de Tora. Rasjie citeert uit het werk van Rabbi Mosjé Haddarsjan het volgende: “Waarom volgt de afdeling over de houtsprokkelaar op Sjabbat op de afdeling over afgodendienst? Deze opeenvolging is niet toevallig. Het leert u dat degene die de Sjabbat ontwijdt (wij houden Sjabbat om de Schepping van de wereld door G’d te vieren) gelijk is aan iemand, die afgoden dient, want ook Sjabbat weegt op tegen alle andere geboden. Zo staat ook in het boek Nechemja (9:13-14): “En op de berg Sinaï daalde u af en U gaf aan Uw volk de geboden en Uw heilige Sjabbat maakte U hen bekend.” En de afdeling over de schouwdraden volgt daarom ook direct hierna, omdat ook de Tsietsiet opweegt tegen alle andere geboden. Tsietsiet beschermen en herinneren.
Sjabbat Sjalom.
