NASO (neem op): Hier volgen verdere opdrachten inzake het transport van de Tabernakel. Daarna wordt opgedragen iedereen die ritueel onrein is, weg te zenden. Dan volgt een richtlijn voor wie zaken ontvreemd heeft. Als een man zijn vrouw van ontrouw verdenkt, volgt de voorgeschreven procedure. Voorts wordt de wet op het nazireeërschap vermeld: een nazier is iemand die vrijwillig een gelofte op zich neemt gedurende een zekere tijd. In die periode mag zij of hij geen wijn drinken of wat dan ook van de wijngaard eten, dan wel andere sterke drank gebruiken. Voorts moet haar/zijn hoofdhaar niet geschoren worden en zij/hij mag zich niet verontreinigen aan een overledene. Aan het einde van de periode brengt hij/zij een offer in de Tempel, scheert het hoofd en hervat het normale leven. De kohaniem moeten het volk zegenen. Het Heiligdom krijgt van alle stammen dezelfde geschenken. Koheen 4:1-37. De telling van de stam Levi gaat verder met de familie van Gersjon voor mannen tussen 30 en 50 jaar, die de tentkleden van de Tabernakel droegen onder supervisie van Itamar. De familie Merari moest de planken, balken, pilaren en voetstukken, pinnen en touwen vervoeren. Levi 4:38-49. Voor sjira (zingen) en sjemira (bewaking) kon men na zijn 50e doordienen.
►4:22: “Neem het aantal op van de zonen van Gersjon ook van hen… “. Wat betekent ‘ook’ van hen? De afstammelingen van de levietenfamilie Kehat moesten de belangrijkste voorwerpen uit het Misjkan dragen: de Menora, de Arke, het Altaar, de Tafel met de toonbroden. De familie van Gersjon moest de tentkleden en gordijnen en andere minder belangrijke voorwerpen dragen. Daarom zegt de Tora ‘ook’ de familie van Gersjon moet Naso – verheven worden. Dit is belangrijk bij gemeenschappelijk optreden. Wanneer wij voor een jeugdvereniging of kehilla werken zijn er ‘kowed-functies’ en er is ‘het sjlep-werk.’ Beide zijn even belangrijk. Hetzelfde zien we in Dewariem 33:18: “Verheug u Zewoeloen, wanneer u uittrekt en Jissachar in uw tenten”. Hier gaat het over het partnership tussen de zakenman en de Torastudent. Beide zijn belangrijk en de zakenman wordt vermeld vóór de Tora-leerling omdat G’d weet dat beiden even belangrijk zijn.
3e alija (5:1-10). Drie onreinen worden uit het kamp gestuurd. De metsora (melaatse) werd ook het Jisra’eelkamp uitgestuurd maar een zav (aan vloeiing lijdende) mocht alleen het Levietenkamp en het Sjechina-kamp niet binnen. Iemand die onrein was door contact met een dode werd alleen uit het Misjkan en het voorhof geweerd maar mocht wel in het Levietenkamp. Een zondaar moet zijn zonden belijden en onrechtmatig verkregen geld teruggeven met een boete voor ‘t slachtoffer.
4e alija (5:11-6:27). Hierin worden de voorschriften van een Sota (dame die van ontrouw wordt verdacht) en de Nazier (die een gelofte heeft gedaan om geen wijn meer te drinken) en de Birkat Kohaniem (de priesterzegen) besproken. Wanneer een echtgenoot zijn vrouw waarschuwt zich niet af te zonderen met een andere man en zij dit toch doet, moet hij zijn vrouw naar de koheen brengen in het Beet haMikdasj. Daar wordt een gersteoffer gebracht zonder olie of specerijen, omdat dit een zeer onplezierige zaak is. Men neemt wat water uit het kijor (wasbassin in de Tempel), aarde van de Tempelgrond en schrijft een stuk over uit de Tora over ontrouw van de Sota. Daarna wordt dit boven het water met aarde uitgewist. De koheen laat de vrouw zweren dat zij onschuldig is of vraagt haar toe te geven dat ze schuldig is. Hij waarschuwt haar dat de drank haar zal schaden als zij schuldig en haar goed zal doen als ze onschuldig is. De bedoeling van de procedure is de harmonie tussen man en vrouw te herstellen. G’d laat Zijn heilige Naam uitwissen om de huiselijke vrede te bevorderen. Wanneer iemand een Naziergelofte aflegt, is dat meestal voor een maand. Hij mag dan geen wijn drinken, druiven eten, rozijnen of druivenpitten of druivenschillen eten. Hij mag zijn haar niet scheren maar moet dit lang laten groeien. Hij mag niet in contact komen met een dode, zelfs wanneer dit naaste familieleden betreft (een koheen mag zich wel verontreinigen aan naaste familieleden). Als de Nazier toch onrein wordt, moet hij zich reinigen: zijn hoofdhaar wordt afgeschoren, hij brengt twee duiven en een lam als offers en begint opnieuw met de Nazierperiode. Hierna volgt de drievoudige priesterzegen. Wanneer de kohaniem deze zegen uitspreken, zal G’d hen en Israël zegenen. Eigenlijk is doechenen een dagelijkse mitswa voor de kohaniem.
► En G’d sprak tot Mosje als volgt:”Spreek tot Aharon en zijn zonen: zo zult u zegenen de kinderen.van Israël; je zult tegen ze zeggen: moge G’d jullie zegenen en jullie behoeden” (Bemidbar 6:22-26)
Het jodendom benadrukt oprechtheid, geleerdheid en vroomheid als de drie belangrijkste menselijke eigenschappen. Waarom werden niet de ‘heiligen’ en de ‘geleerden’ uitgekozen om het volk te zegenen? De Tora geeft duidelijk te kennen, dat alleen de kohaniem (priesters) de bovenstaande zegening mogen geven, ook al is het niet zeker of zij geleerd of vroom zijn. De uitverkiezing van de kohaniem voor de priesterzegen is kennelijk gebaseerd op andere criteria. Rabbi Aharon Wolkin (20e eeuw) legt uit, dat het effect van een zegen niet afhankelijk is van vroomheid of geleerdheid maar afhankelijk is van de goede onderlinge gevoelens van de `zegenaar’ en de ontvanger van de zegen (B.T. Sota 38a). Daarom wordt diegene uitgekozen, die altijd `tov ajin’ is, degene die een goed oog heeft en vriendelijk is voor zijn medemens. Kohaniem zijn voor hun levensonderhoud afhankelijk van giften en gaven van hun medeburgers. Zij krijgen een deel van hun oogst en eigendommen en voelen zich doorgaans dankbaar jegens de rest van het volk. Daarom zullen de kohaniem, die het joodse volk zegenen voor materiële welvaart, dit van ganser harte doen omdat ook zij afhankelijk zijn voor hun inkomsten van de welvaart van anderen. De Jeruzalemse Talmoed bevestigt ‘dat de banden der liefde het effect van een beracha (zegen) bezegelen’. Daarom mogen wij ook niet te licht denken over een zegen die wij ontvangen van iemand die van ons houdt – want ook al is degene die zegent niet een moreel hoogstaand persoon of een grote geleerde – de zegen komt zeker uit.
► Rabbi Jeroecham Fisjel Perlo in zijn commentaar op ‘Sefer Hamitzwot’ van de tiende-eeuwse Rabbi Sa’adja Ga’on komt met een bron in de Tora voor de stelling dat G’d de Kohaniem opgedragen heeft om ‘be’ahawa’ met liefde te zegenen. Hij merkt op dat de Talmoedgeleerden uit de woorden ‘ko tewarchoe’ – ‘zo zul je zegenen’, opmaken dat de priesterzegen uitgesproken moet worden terwijl de kohaniem en de gemeente met hun gezichten naar elkaar toe staan (paniem el paniem).
Dit idee van ‘aangezicht tot aangezicht’ komt ook in een andere tekst voor. De Talmoed schetst de positie van de Cherubijnen boven op de Heilige Ark wanneer de joden de wil van G’d doen: de Cherubijnen keken elkaar dan aan. Wanneer de joden ongehoorzaam waren, wendden de Cherubijnen het gezicht van elkaar af. Rasjbam – een verklaarder uit de 12e eeuw – legt uit dat de Cherubijnen elkaar aankeken als teken van liefde van man tot vrouw. Zo, legt Rabbi Perlo uit, moeten de kohaniem ook het volk zegenen als teken van de liefde, die tussen hen bestond.
Opvallend is verder, dat de priesterzegen in het Hebreeuws in het enkelvoud staat geschreven: “G’d zal u zegenen’. Sommigen zien hierin, dat het een zegen is wanneer het joodse volk zich een eenheid voelt. Rasji (1040 – 1105) verklaart de eerste zin van de priesterzegen met: “Mogen uw aardse bezittingen worden gezegend en rovers u niet overvallen om uw bezittingen weg te nemen”. G’d is in staat – anders dan een gewoon mens – om de gaven waarmee hij de mens bedenkt ook te behoeden met een extra zegen van bescherming.
► Bij het uitspreken van de priesterzegen houden de kohaniem hun vingers gespreid. De verklaring hiervan is als volgt: toen de joden hoorden van de priesterzegen protesteerden zij bij G’d: “Waarom geeft U ons Zelf geen zegen?”. G’d antwoordde toen “lk zal bij de zegen van de kohaniem aanwezig zijn en daarom moeten zij een ruimte open laten tussen hun vingers om dat aan te geven ‘. De ruimte tussen de vingers vormen als het ware `ramen’ waardoor G’d – over de schouders van de kohaniem – meekijkt hoe de beracha geëffectueerd wordt. Daarom kijken wij tegenwoordig nog steeds niet naar de vingers van de kohaniem en blijven hun handen bedekt met een talliet (gebedskleed).
5e alija (7:1-41). Dit stuk wordt ook op Chanoeka gelezen. Op de dag dat het Misjkan klaar was werden het hele interieur en alle keliem (voorwerpen) gezalfd en geheiligd. De leiders van de stammen doneerden 6 wagens en 12 ossen. Merari gebruikte vier van de zes wagens en Gersjon twee. De familie Kehat kreeg geen wagens, omdat zij alle heilige voorwerpen op de schouder moesten dragen. De Aron haKodesj werd op de schouder gedragen door de Kehatieten. Daarna volgen twaalf stukjes van ieder 6 pesoekiem, die allen vrijwel identiek luiden. Elk stukje bevat de naam van de stamleider en een beschrijving van de gaven.
6e alija (7:42-71). De leiders van de stammen Gad, Efraїm, Menasje, Benjamin en Dan brachten hun gaven daarna. 7e alija (7:72-89) De leiders van de stammen Asjeer en Naftali brachten gaven op de elfde en twaalfde dag. Vanaf nu communiceerde G’d met Mosje vanuit het Allerheiligste.
► De Tabernakel wordt door Mosjé ingewijd, de stamhoofden brengen offers. Wat was de kracht van de Tabernakel? In het Heiligdom konden wij het G’ddelijke ontmoeten. Het G’ddelijke wordt omschreven als Eén Sof, de oneindige G’ddelijkheid. De aardse Tabernakel was de ontmoetingsplaats tussen eindigheid en oneindigheid, tijdelijkheid en boventijdelijkheid, plaatselijkheid en bovenplaatselijkheid. In het Allerheiligste nam het begrip plaats geen meetbare ruimte meer in. Daar werd de mens geconfronteerd met het niets-zijn dat meer werkelijkheid is dan de tastbare wereld. Het ware geloof houdt in, dat G’d de enige echte realiteit is, hoe vreemd dat in onze belevingswereld ook moge klinken. G’d bestaat echt en wij zijn slechts afgeleide realiteit, een `spin-off’ van het G’ddelijke willen en denken. De onzichtbare G’dheid bestaat veel meer dan de hele concrete wereld, die in onze ogen van vlees en bloed zo keihard echt lijkt. De afgelopen honderd jaar zijn wij getuige geweest van vele technische wonderen omdat wij ons verdiept hebben in de geheimen van de natuur. Nog veel grotere wonderen zullen ons deel zijn wanneer wij in staat zullen zijn door die sluier van de natuur heen te prikken en direct contact te maken met het G’ddelijke achter de G’dsverduistering van deze wereld. G’ds niets-zijn gaat elke voorstelling te boven. In de Tabernakel werd de mens geconfronteerd met deze `absolute ondifferentiatie’ en oneindigheid. Alleen daar realiseerde de mens zich dat G’d de vernietiging van alle gedachten is, niet vatbaar voor welke voorstelling dan ook.
► Wanneer de mens zich identificeert met dit G’ddelijke aspect, dat actief was in de Tabernakel, is men in staat zichzelf totaal te vergeten, tijd en plaats te overstijgen en op te gaan in een spirituele wereld. Zolang we nog gehecht zijn aan deze materiële wereld en denken dat we ‘iets’ zijn, kan G’d zich niet aan ons hechten omdat G’d oneindig is. Daar begreep de mens dat de essentie van het dienen van G’d bestaat uit een toestand van ontvankelijke nederigheid. Onze beslotenheid in de Schepper betekent, dat we geen enkele onafhankelijkheid bezitten. Dit is de essentie van ontzag voor G’d. Toen Mosjé geconfronteerd werd met het G’ddelijke in de wereld bij het brandende braambosje bedekte hij zijn gezicht. Hij ontdekte dat hij geen onafhankelijke identiteit was omdat alles deel uitmaakt van het G’ddelijke in de wereld.
► Niemand kan de ware essentie van G’d schouwen. In het hele heelal is er geen Engel te vinden die precies weet waar G’d verblijft. Dit zeggen wij ook dagelijks in het gebed `Kedoesja’, waarin de Engelen vragen “waar is de plaats van Zijn heerlijkheid?”. Alle aardse, menselijke beschrijvingen over G’ds activiteiten in deze wereld betekenen niet dat G’d een lichaam heeft, noch dat Hij de Tabernakel of Tempel nodig had als Woning.
Wij moeten ons realiseren, dat wanneer G’ddelijke dingen in aardse termen worden beschreven, de essentie van de zaken nergens op de essentie van de menselijke voorstelling daarvan lijkt. Hoewel wij naar G’ds evenbeeld geschapen zijn, is er absoluut geen gelijkenis in vorm of structuur tussen G’d en ons. Wanneer G’d ons bepaalde vormen voorschrijft in de Tabernakel hebben al deze `keliem’ – attributen en voorwerpen – slechts een symboolfunctie. Alles in de Tabernakel verwijst naar hogere werelden.
► Vergelijk deze gedachte met de functie van het alfabet. Wanneer iemand met letters schrijft Ja’akov, zoon van Jitschak, dan vormen de letters niet de structuur of essentie van de werkelijke Ja’akov, zoon van Jitschak maar alleen een geheugensteuntje. De woorden zijn een symbool van de achterliggende eenheden. Omdat G’d ons wilde zuiveren schreef Hij ons de bouw van de Tabernakel voor als `mikrokosmos’ voor het totaal van het heelal, als symbool van al het geschapene, dat gewijd werd aan de Allerhoogste. Hetzelfde geldt voor ons lichaam. In de midrasj wordt de Tabernakel vergeleken met het menselijk lichaam. G’d schiep in ons lichaam verschillende organen en ledematen die op een bepaalde wijze symbolen voor de G’ddelijke structuur vormen. Wanneer wij hier op aarde erin slagen ons lichaam, dat een soort wandelende Tabernakel moet zijn, te reinigen, heiligen en te zuiveren, wordt de Hemelse structuur die in ons lichaam wordt weerspiegeld en ook in de Tabernakel werd gereflecteerd, verheven. Dit was de bedoeling van de architectuur van de Tabernakel en de werking van de Tempeldienst.
Sjabbat Sjalom.
