BEMIDBAR (in de woestijn). Bij telling blijken er meer dan 600.000 mannen van 20 jaar en ouder te zijn. De Levieten worden apart geteld: vanaf één maand. Het vervoer van het draagbare Heiligdom is hun taak. De stammen worden in een vierkant gelegerd rondom het Heiligdom: drie stammen per windrichting, ieder met zijn eigen banier. Zo moeten ze ook optrekken. De stam Levi wordt rondom het Heiligdom gelegerd; de stam Joseef wordt verdeeld in Efraïm en Menasjé. De rol van de eerstgeborenen wordt overgenomen door de Levieten omdat zij het gouden kalf niet hadden gediend. De Levieten worden verdeeld in de drie belangrijkste families: de Gersjonieten, de Kehatieten en de Merarieten. De draagtaken van de onderdelen van het Misjkan worden verdeeld. Koheen 1:1-19. De mannen vanaf twintig jaar werden geteld. Vanaf twintig jaar gaat men in het leger. Aharon en een vertegenwoordiger van iedere stam helpen bij het tellen.
► Waarom staat hier aan het begin van Bemidbar een opgave van plaats en datum terwijl G’d honderden keren sprak met Mosje zonder specificatie? De uitverkiezing en de eeuwige relatie tussen G’d en Am Jisraeel kreeg pas hier duidelijk gestalte. Daarom worden plaats en tijd vermeld als in een huwelijkscontract (ketoewa). Waarom gebeurde dit nu pas? Na de oprichting van het Misjkan (de Tabernakel) kregen de Joden precies te horen hoe zij zich moesten legeren per stam en welke vlag iedere stam zou voeren. Op deze manier wist iedereen precies waar hij bij hoorde en werd het volk voorbereid op de G’ddelijke Aanwezigheid. De specifieke wijze, waarop het Joodse volk gegroepeerd was, kwam overeen met de opstelling van de Engelen rond G’ds Troon. Dit betekent, dat wij ons aardse doen en laten volledig afstemmen op de Hemelse wensen. Gelijk de Engelen rond G’d staan, ‘klikken’ de Joden in op de Hemelse sferen en groeperen zij zich hier op aarde rond het aardse Misjkan naar Hemels model. Het is de taak van het Joodse volk het aardse te doen aansluiten op het Hemelse.
► Het Misjkan (Heiligdom) was één maand eerder opgericht. De mensen werden nu geteld ter voorbereiding op de eerste tocht na hun aankomst bij de berg Sinai elf maanden eerder. Pas in hoofdstuk 9 vertelt de Tora over hetgeen in de vorige maand Niesan heeft plaatsgevonden. De Tora beschrijft geen chronologische volgorde. G’d wil het boek Bemidbar niet beginnen met een negatief onderwerp. Het Korban Pesach werd alleen één keer (hoofdstuk 9) gedurende de hele veertigjarige omzwerving gebracht. Dit kwam doordat de kinderen niet besneden werden, omdat ze doorlopend op het punt stonden om verder te trekken. Daar ‘n Briet-mila gevaarlijk zou zijn, werd de besnijdenis uitgesteld. Maar daarom kon men geen Korban Pesach brengen.
► Bemidbar benadrukt de centrale plaats, die de woestijn inneemt bij onze volkswording. Waarom werd de Tora gegeven in de woestijn? Wanneer de Tora in het Joodse land was gegeven, hadden de inwoners van het land Israël een speciale claim op de Tora gehad. De plaats van overdracht geeft aan, dat iedereen een even groot deel in de Tora heeft. Een andere verklaring stelt dat de Tora gegeven werd in de woestenij want “wil je Tora leren dan moet je jezelf als een woestijn maken”. Dit impliceert, dat men moet werken aan de volgende eigenschappen:
a. Nederigheid (hoogmoedigen doen geen moeite voor de Tora. De G’ddelijke aanwezigheid rust alleen op iemand die nederig is);
b. Tevredenheid (een nederig mens is tevreden en leert makkelijker Tora);
c. Leven met tegenslagen (een nederig mens kan leven met minder dan hij verwacht had van het leven);
d. Vriendelijkheid (nederige mensen maken vrienden en verspreiden zo de Tora);
e. Eenvoud (iemand die de Tora wil leren moet luxe kunnen opgeven. Niemand kan zowel in spiritueel als in materieel opzicht succesvol zijn);
f. Gerichtheid op kedoesja (alleen als je hoofd niet vol is van andere dingen is het mogelijk, dat Toraconcepten postvatten);
g. Bereid zijn tegen de stroom in te gaan (vaak leert de Tora bet omgekeerde van wat gebruikelijk, gewoon en normaal is).
Levi 1:20-54. De Tora telt liefdevol elke stam.
► Waarom werd de telopdracht nu gegeven? Rasjbam (12e eeuw) suggereert het volgende: op de twintigste dag van de tweede maand van het tweede jaar verliet de Wolk van G’ddelijke Majesteit de Tabernakel. Dit was het teken dat de Joden op reis moesten. Het was eigenlijk de bedoeling dat zij direct naar Israël zouden gaan. Omdat zij zo dadelijk geconfronteerd zouden worden met de legers van Kana’an was het noodzakelijk om het aantal soldaten te kennen. Zo zou de legerleiding weten waar men de beste krachten kon inzetten.
Maar het kan ook zijn dat de census genomen werd vanwege de aanstaande verdeling van het Joodse land tussen de stammen. Daarom moest elke stam precies weten hoeveel leden zij hadden. Daarom moest het volk zes weken na de vorige telling opnieuw geteld worden. Bij de vorige telling werd alleen de totaalsom van het volk berekend. Maar dit gaf onvoldoende informatie voor de verdeling onder de stammen. Telling is verder een uiting van liefde (Rasji). Nachmanides (Ramban) meent, dat de telling ons attent moet maken op G’ds goedheid. Nog maar 210 jaar geleden kwam de familie van Ja’akov met zeventig zielen naar Egypte. Nu waren er alleen al meer dan zeshonderdduizend mannen tussen de twintig en de zestig jaar!
► Waarom wordt er in Joodse kring niet per hoofd geteld? Tellen is een uiting van G’ds liefde als voorbereiding op een nieuwe spirituele status. Maar toch moet men hiermee oppassen. In Sjemot (30:12) staat al, dat wanneer men “de Joden telt iedereen verzoening voor zijn ziel aan G’d moet geven want dan zal er geen plaag ontstaan”. De getelden moeten ieder een halve sjekkel doneren, zodat men de munten telt en daardoor weet hoeveel mensen er zijn. Zo zal er geen ‘boos oog’ op het getelde rusten, dat een plaag kan genereren.
3e alija (2:1-34). De positie van de stammen gedurende hun legering en reizen.
4e alija (3:1-13). De stam Levi moet de Kohaniem assisteren in hun werk en het bewaken van het Misjkan. De Leviet vervangt de Bechor (eerstgeborene).
► Kohaniem zijn alleen kohaniem door hun afstamming van de Hogepriester Aharon. Vandaar dat over deze afstamming geen misverstanden mogen ontstaan. Dit werkt tegenwoordig nog door in het oproepen voor de Tora. Als er geen vastende koheen is – op een ta’aniet (vastendag) – roept men een jisraëel op en geen levie (omdat de levi’iem ondergeschikt werden gemaakt aan de kohaniem).Het is beter – aldus de Rema – dat een koheen in een dergelijk geval de sjoel verlaat omdat men zal kunnen gaan twijfelen aan zijn koheenschap. Rabbi Mosje Isserles (1520-1577) bedoelt hiermee, dat strikt volgens de dien (de wet) de koheen niet verplicht is om de sjoel te verlaten op een vastendag – indien hij niet vast en dus niet opgeroepen kan worden – omdat voor de koheen dit voorlezen uit de Tora ten behoeve van de vastendag eigenlijk helemaal niet geldt (omdat hij niet vast). Niettemin is het beter, dat hij de synagoge verlaat omdat niet iedereen weet, dat hij niet vast zodat er twijfels zouden kunnen rijzen over zijn priesterlijke afstamming. De Aroch haSjoelchan (19de eeuw) voegt hieraan toe, dat bij het Tora-voorlezen op vastendagen geen kibboediem (erefuncties) gegeven mogen worden aan iemand die niet vast, zoals haĝba’a, ĝeliela, hotsa’a en hachnasa (het optillen, omwikkelen, uithalen en terugbrengen van het Sfer Tora).
► Gedurende keriat haTora binnenkomen
Indien de koheen pas in sjoel komt nadat een jisraëel de voorberacha over de Tora heeft uitgesproken, mag men niet stoppen voor de koheen. Indien de jisraëel echter alleen maar opgeroepen is of zelfs alleen maar Barchoe heeft gezegd, verleent men voorrang aan de koheen om opgeroepen te worden en de berachot uit te spreken over het voorlezen van de Tora, omdat Barchoe niet als een begin van de voorberacha over keriat haTora geldt. Indien de jisraëel reeds Barchoe heeft uitgesproken, hoeft de koheen dat niet te herhalen. Hij begint gewoon met de voorberacha zonder Barchoe. Omdat de jisraëel reeds opgeroepen was, moet hij op de biema blijven staan totdat de koheen en de levie klaar zijn met hun parsjiot. Daarna moet de jisraëel nogmaals opgeroepen worden want anders zou hij beschaamd staan. Volgens de Aroch haSjoelchan geldt, dat indien de opgeroepen jisraëel dit
niet erg vindt, er een andere jisraëel in zijn plaats zou mogen worden opgeroepen.
► Geen levie aanwezig
Indien er geen levie aanwezig is in sjoel roept men geen jisraëel op in plaats van een levie. Ook een andere koheen wordt niet opgeroepen. De koheen, die als eerste werd opgeroepen wordt voor een tweede keer opgeroepen in plaats van een levie. De voor de tweede maal opgeroepen koheen zegt twee maal identieke berachot (zegenspreuken). Het dubbel uitspreken van dezelfde berachot geldt niet als onnodig, omdat de berachot zijn ingesteld over het openbaar voorlezen van de Tora ter ere van de Tora.
Waarom roept men voor de tweede alija geen andere koheen op? Zou men een andere koheen oproepen dan zouden de aanwezigen wellicht denken dat de eerst opgeroepen koheen geen zuivere afstamming heeft; en zou men in plaats van de levie een jisraëel oproepen dan zou men kunnen denken dat de eerst opgeroepene geen koheen was, omdat men na hem een jisraëel oproept. Niet iedereen weet dat hier in sjoel geen levie aanwezig is.
Zo ook mag men niet twee levi’iem na elkaar oproepen omdat de aanwezigen in sjoel verkeerde gevolgtrekkingen zouden kunnen maken. Zij zouden kunnen menen dat de tweede levie niet werkelijk een levie is, omdat hij na een levie wordt opgeroepen, hetgeen doorgaans (in de gebruikelijke volgorde koheen, levie. jisraëel) gereserveerd is voor een jisraëel. Bij een levie na een levie zouden de mitpalliem (occupeerders) ook kunnen gaan twijfelen aan de status van de eerste levie; zij zouden namelijk kunnen menen dat beiden jisraëliem zijn.
► Per abuis vergeten levie Indien ter synagoge zowel een koheen als een levie aanwezig zijn, de ĝabbaiem vergissen zich echter en menen dat er geen levie aanwezig is en hebben nu dezelfde koheen voor de tweede keer opgeroepen, dan geldt het volgende: indien hij slechts Barchoe heeft uitgesproken en de ĝabbaiem erachter kwamen, dat er een levie in sjoel was, moet de koheen stoppen en gelegenheid geven om de levie op te roepen. Indien de koheen echter al begonnen is met de voorberacha, stopt men niet meer. Hoewel dit aanleiding kan geven tot twijfels omtrent de afstamming van de aanwezige levie kan men niet anders doen.
► Twee levi’iem achter elkaar Rabbi Joseef Karo schrijft, dat “twee Levi’iem niet achter elkaar opgeroepen mogen worden opdat de mitpalliem (occupeerders) niet zullen menen dat een van hen geen ongeschonden afstamming heeft”. Dit vereist enige nadere uitleg. Het is inderdaad waar, dat de Tora – zij het beremez (met een hint) – opgedragen heeft een koheen voor een levie en een levie voor jisraëel op te roepen, maar waarom zou men geen levie na een levie mogen oproepen? Hierop antwoordt de Talmoed:“Opdat men niet zal zeggen dat de tweede geen levie is maar een jisraëel, omdat het volk eraan gewend is dat opgeroepen wordt in de volgorde koheen, levie, jisraëel. Tevens zouden de mitpalliem kunnen menen dat de eerst opgeroepen levie geen onbezoedelde afstamming heeft, om welke reden men daarna nog eens een echte levie heeft opgeroepen. Dit is de bedoeling van de uitspraak in de Talmoed dat men geen twee levi’iem na elkaar mag oproepen omdat beiden hierdoor in opspraak zouden kunnen komen.
5e alija (3:14-39). Mosjé kreeg de opdracht om de mannelijke levi’iem te tellen vanaf de leeftijd van één maand. De familie Gersjon moest de tapijten van het Misjkan verzorgen, de familie Kehat ging over het interieur (de Aron (arke), Sjoelchan (tafel), Menora en de Altaren), Merarie ging over de bouwmaterialen zoals de planken, sokkels en pilaren. Er werden 22.000 Levi’iem geteld.
6e alija (3:40-51). Mosjé telt de eerstgeborenen vanaf een maand, zodat ze vervangen kunnen worden door de levi’iem. Er waren 22.273 Bechoriem. Een massale lossing van eerstgeborenen vond plaats, tegenover 22.000 Levi’iem. Voor de overige 273 eerstgeborenen werden per persoon vijf zilveren Sjekaliem betaald aan Aharon en zijn zoons.
7e alija (4:1-20). Een tweede telling van Levi’iem begon met het tellen van de familie Kehat, de mannen tussen de dertig en de vijftig. Dit waren de arbeiders in het Misjkan. De mensen van Kehat moesten wachten totdat Aharon het Misjkan binnentrad, het Parochet verwijderde en de voorwerpen bedekte met speciale bekleding. Pas dan konden de keliem (voorwerpen) opgepakt worden door de Levieten. Elazar, de zoon van Aharon, was persoonlijk verantwoordelijk voor oliën en reukwerk. De Kohaniem mogen de mensen van Kehat niet in gevaar brengen door de heilige voorwerpen niet goed te bedekken voordat ze opgepakt worden door de dragers.
Sjabbat Sjalom.
