Parsja 28 Emor (Wajikra/Leviticus 21:1-24:23) 13 mei 2006 / 15 IJar 5766

Kohaniem mogen geen contact met doden hebben, niet met een gescheiden vrouw huwen en niet onrein of met bepaalde gebreken dienst in de Tempel doen. Alleen kohaniem mogen van geheiligd voedsel eten. Een dier dat geofferd wordt mag geen gebrek vertonen. Een rund of schaap mag niet op dezelfde dag als het jong geslacht worden. Nogmaals volgt de eis tot werkonthouding op Sjabbat. Daarna worden de verschillende feestdagen met een aantal bepalingen vermeld. Aharon moet de kandelaar voortdurend brandend houden. In het Heiligdom stond een tafel met 12 toonbroden. Een man die de G’dsnaam vloekt, wordt buiten de legerplaats gestenigd. Allochtonen en autochtonen moeten gelijk behandeld worden. Koheen, 21:1-15. Een Koheen moet zich aan zijn zeven meest nabije familieleden verontreinigen: vrouw, moeder, vader, zoon, dochter, broer en ongetrouwde zuster.

Toen Noach na de Zondvloed de aarde onder zijn zonen Sem, Cham en Jafet verdeelde, gaf hij een ieder ook een specifieke spirituele opdracht mee. Sem, de stamvader van alle Semieten, bedacht hij met Kehoena, het religieuze leiderschap. Awraham, een afstammeling van Sem, nam het vaandel van de G’dsdienstige strijdbaarheid over en predikte het monotheïsme aan zijn heidense tijdgenoten. Awraham legde het fundament voor het Joodse volk, dat als “mamlechet kohaniem” – een koninkrijk van priesters – een geestelijk baken voor de volkeren zou worden.
Na Awrahams overlijden deed de moordenaar en oplichter Esau zijn eerstgeboorterecht over aan zijn jongere broer Ja’akov in ruil voor een bord rode linzen. Zijn minachting voor het Hogere in de wereld deed hem hiertoe besluiten. Voorgoed was het spiritueel charisma vervallen aan Ja’akov, die als tweede naam Israël droeg. Want het eerstgeboorterecht was niet alleen een erfeniskwestie; het was in eerste instantie het monopolie op de priesterlijke functies binnen het gezin. Alleen Ja’akov droeg de idealen van zijn voorvaderen Awraham en Jitschak hoog in het morele vaandel. Zijn nazaten zouden deze functie blijven vervullen binnen de gemeenschap der volkeren.
Dit was en is tot op de dag van vandaag de nationale roeping van het Joodse volk.. De band tussen individuen gemeenschap loopt over het gezin of de familie. Het gezin schept de omgeving waarin de nieuwe generatie de nationaal culturele waarden leert kennen. Het gezin staat garant voor de bestemming en levenstaak van haar individuele leden. De nationale gezindte en het gemeenschappelijk streven worden in het gezin doorgegeven. De vertegenwoordiger van de familie, de eerstgeborene, representeert de individuele leden van de gehele familie in hun belangrijkste streven. Oorspronkelijk was de priester van de familie de eerstgeborene. Hij was het symbool van de wijding aan het G’ddelijke van ieder indivueel familielid.
Maar naar verloop van tijd vertonen veel families uit het Joodse volk zich onwaardig voor deze roeping. Toen zij zondigden bij het gouden kalf, bleek, dat ze niet rijp waren voor een dergelijk religieuze ontplooiing. De verheven opdracht van het Joodse volk als geheel kwam in gevaar door de verdorvenheid en onmacht binnen vele gezinnen. Het heilig ideaal moest beschermd worden en het intermediair tussen individu en gemeenschap werd elders gezocht. De priesterlijke stam Levi zou deze hoge taak toebedeeld krijgen. De Kohaniem, afstammelingen van de eerste hogepriester Aharon, werden de vertegenwoordigers van het Joodse volk bij het naleven van de riten, die de nationale wijding aan G’d tot uitdrukking zouden brengen in de Tempel te Jeruzalem. Zoals het Joodse volk zich verhoudt tot de andere volken, zo verhoudt de priesterlijke klasse zich tot het Joodse volk.
Het Hebreeuwse woord koheen is afgeleid van de Hebreeuwse stam K-w-n, hetgeen of ‘basis’ of ‘richting geven’ betekent. Ook tegenwoordig nog worden de Kohaniem gezien als degenen, die bij uitstek geschikt en voorbestemd zijn om Israël in haar fundamentele waarden te richten en te verenigen in wijding aan G’d. En hier zien wij een principieel verschil tussen de functie van de priester bij de heidense religies en het Jodendom.

De antieke godsdiensten – maar ook de geloofsbeleving tegenwoordig – werden beheersd door de associatie van geloofsrituelen met de dood in al zijn verschijningsvormen. Waar het leven van de mens eindigt begint de soevereiniteit van G’d. Voor velen was en is de dood de enige werkelijke manifestatie van G’ddelijke voorzienigheid. Voor hen is G’d een G’d van de dood en religie is bij uitstek voor deze levensfase bestemd. De belangrijkste taak van de heidense priester was daarom het begeleiden van de laatste levensfase. De Joodse priester is anders omdat de Joodse opvatting van religie anders is. De Tora heet Torat Chajiem, de leer van het leven. En de G’d van Israël is G’d van het leven.
Het levende, bevrijdende, verheffende en positieve staan in het Jodendom centraal. De Joodse leer geeft voornamelijk aan hoe men moet leven, hoe de mens d.m.v. de vrije wil tot steeds verhevener hoogten kan reiken, hoe men gedurende het leven het “dode” in het leven kan overwinnen, hoe men verslaving aan allerlei vormen van lichamelijke driften en morele zwakten te boven kan komen. De levensleer van het Jodendom geeft aan hoe men zelfs in de alledaagse levensgeneugten G’d kan dienen. Dit is de leer, waaraan G’d Zijn Heiligdom wijdde en dit is de sfeer, waarin Zijn kohaniem functioneren.
Wanneer de dood heeft toegeslagen en de omstanders geroepen worden de laatste eerbewijzen te betonen aan het stoffelijk overschot moeten de kohaniem zich afzijdig houden om als symbool van het “levensideaal” de idee van de verheffende kracht van het leven hoog te houden en om te voorkomen, dat doemdenken de eeuwige waarheid van het Jodendom – dat de mens vrij is in moreel opzicht en niet onderworpen is aan de wetten van de natuur, aan puur determinisme of biologische causaliteit – niet naar de achtergrond verschuift en verdringt.
Ere wie ere toekomt:”U zult hem (de priester) daarom heiligen want hij offert het brood van uw G’d; het zal voor u heilig zijn, want Ik, G’d, ben heilig, die u heiligt” (21: 8). Hoewel de koheen voor zijn levensonderhoud afhankelijk is van uw gaven, heeft u niet het recht hem oneerbiedig te behandelen. In plaats daarvan moet u hem heiligen omdat hij “het broodoffer van G’d brengt”. De maaltijd van een Torageleerde heeft hetzelfde heilige karakter als een offer. Daarom zijn de gaven die u aan de koheen geeft gelijk als offers, die dienen als verzoening voor overtredingen en zonden. Bovendien heiligt de koheen op
zijn beurt het Joodse volk met zijn lernen en Awodat HaSjeem (G’dsdienst). Daarom, moet de koheen “heilig voor u zijn want ik, HaSjeem, ben heilig die u heiligt”. Ik, G’d, heb u geheiligd door de koheen die u heiligt met zijn Torastudie en zijn dienst in het Beet HaMikdasj. Daarom moet u hem heiligen hoewel hij afhankelijk is van uw gaven als inkomen. Hasjeems heiligheid bereikt ons Jisraëliem dus door middel van de kedoesja van de kohaniem (Ketav Sofeer).

2e alija, 21:16-22:15. Een gediskwalificeerde koheen mag de Tempel niet in maar wel de meeste heilige voedselsoorten eten. Een onreine koheen mag geen teroema (heffing) of kodasjiem (offers) eten.

Kohaniem mogen zich – hoewel tegenwoordig gediskwalificeerd – niet onder een kap of dakbedekking (ohel) ophouden met overledenen. Vroeger werden doden nogal eens per trein vervoerd. Mocht een koheen zich nu ophouden in een ander wagonstel? Dat werd toegestaan omdat de wagon van de dode de onreinheid afschermde, zelfs in een tunnel, waar er wel sprake was van een gemeenschappelijk dak. Een wagon geldt als een valide afscherming omdat de wagon zich onder het rijden niet van de grond losmaakt. Naar aanleiding van dit laatste argument, rees de vraag of een koheen wel in een vliegtuig mag stappen omdat men over een begraafplaats zou kunnen vliegen en de onderkant van een vliegtuig niet door alle poskiem (halachische beslissers) beschouwd wordt als een valide afscherming. Daar de onreinheid zich vanuit het graf loodrecht naar boven beweegt, is het alsof de koheen-reiziger over een begraafplaats heenloopt. De poskiem staan vliegreizen toch toe omdat het op ieder willekeurig moment slechts een twijfel is of men over een begraafplaats heen vliegt. Bovendien was het de koheen geoorloofd in het vliegtuig te stappen, omdat er gedurende het taxiën en opstijgen zeker niet over begraafplaatsen wordt gevlogen. Gedurende de vlucht is er dan sprake van overmacht.

3e alija, 22:17-33. Offerdieren mogen geen gebreken hebben. Dieren mogen niet gecastreerd worden (ook huisdieren niet). Het is verboden om een moederdier en een kind op dezelfde dag te slachten.
Maimonides stelt, dat men jongen niet moet doden voor de ogen van het moederdier. Hij vergelijkt dierenleed met mensenleed en ziet geen wezenlijk verschil tussen de zorgen van de mens om zijn kinderen en de gevoelens van dieren: “Moederliefde heeft niets te maken met intellectuele capaciteiten.” Het verbod ‘ouder en kind niet op één dag te slachten’ is bedoeld om wrede mensentrekjes te onderdrukken of te sublimeren. Grote Joodse leiders werden van achter het kleinvee geselecteerd. Koning David maar ook Mosje werden door G’d op hun menslievendheid getest in hun relatie met dieren.

4e alija, 23:1-22. Sjabbat en feestdagen, Pesach, Sjawoe’ot en Soekot.

Wanneer wij een etrog en citroen enten kan er een veel sterkere vrucht ontstaan, die er gewoon als een etrog uitziet. Hij smaakt en ruikt hetzelfde, het enige verschil is dat het niet kosjer is. Wanneer wij deze geënte etrog schudden op Soekot is het alsof we met een plastic citroen, die we zo op de hoek bij Albert Heyn kunnen kopen, staan te schudden. De les die we eruit kunnen leren is, dat het erg verleidelijk is om Joodse gebeurtenissen te organiseren die authentiek lijken, maar het bij lange na niet zijn. Kosjer style is treife. Met Pesach hebben vele Joodse pressiegroepen de neiging hun eigen boodschap uit te dragen. Bij feministische Seiders wordt wijn geplengd om het lijden van de vrouw te benadrukken. Bij vrede nu Seiders wordt de matza gebroken om de mitswa te symboliseren, om het land Erets Jisraëel (het Joodse Land) te verdelen in een Joodse en Palestijnse staat. Er zijn zelfs Seiders waar de vier bekers wijn het bloed van een dode Jood symboliseren. Een verafstaande Jood krijgt het idee, dat hij met iets Joods te maken heeft, terwijl hij in feite met een antithese van Joods zijn bezig is. Zelfs het argument, dat dit alleen maar als opstap dient tot het ware Jodendom snijdt geen hout, omdat de mensen nooit de echte essentie zullen bereiken, omdat ze het gevoel hebben dat ze het al gehad hebben. Daarom komt de dure etrog ons er aan herinneren, dat het misschien makkelijker en goedkoper zou zijn om die etrog te mengen met citroen. Het zou nog hetzelfde uiterlijk hebben! Maar als je een echte mitswa wilt hebben, die invloed zou hebben, die je ziel ‘toucht’ en de toekomst van je (klein)kinderen leidt, dan kun je alleen maar kiezen voor het echte, de ware.
De etrog moet ook ons bezit zijn. Er zijn in de halacha methoden om een etrog en loelav als geschenk te aanvaarden en weer terug te schenken, maar de Tora eist eigenlijk dat iedereen zijn eigen arba’a miniem heeft. Niet lenen! Als wij al die belangrijke instructies uit de etrog willen meenemen, is het niet genoeg om ze te lenen. We moeten ze eigen maken. Tot volledig privé-bezit verheffen. Rabbi Jisraeel Salanter placht te zeggen: “Was het maar zo, dat grote leiders zelfs maar de idealen van de kleine man zouden halen!”. Er is een vreselijke kloof tussen ons ideaalbeeld en de wijze waarop wij in de praktijk daadwerkelijk ons leven leiden. Zelfs vooraanstaande mensen kunnen de idealen van de eenvoudigen niet halen. In theorie weten wij allemaal wat er gedaan moet worden – eerlijk zijn, vriendelijk, liefhebbend, nederig, loyaal, ons leven wijden aan Tora en serieus dawwenen, veel tsedaka geven, maar niettemin zijn dit niet onze werkelijke idealen. Soekot heeft nog een andere naam in de Tora Chag Ha’asief (het Feest van de inzameling). Dit betekent, dat Soekot de tijd bij uitstek is om onze beste voornemens te verzamelen. Hoe kunnen wij onze idealen omzetten in iets reëels? De Tora eist, dat we de etrog bezitten, in ieder geval een paar onderdelen van de Tora ons werkelijk eigen maken, dat die onze dagelijkse gedachten en leidraad worden na Soekot. Want net zo als na Pesach zijn de ideeën van Simchat Tora bedoeld voor het hele jaar.

5e alija, 23:23-32. De eerste van de zevende maand is Rosj haSjana, een zichron teroe’a, een herinnering aan het Sjofarblazen. Op 10 tisjri is het Jom Kippoer.

6e alija, 23:33-44. De vijftiende tisjri is Soekot, 7 dagen lang. Alle moesaf-offers van Soekot zijn één mitswa (niet 7 zoals bij Pesach). Op Sjemini Atseret (Slotfeest) wordt een extra moesaf-offer gebracht. Gedurende Soekot moeten wij de vier plantensoorten nemen en in de Soeka zitten.

7e alija, 24:1-23. Mosjé krijgt opdracht om pure olijfolie voor het aansteken van de menora te prepareren. De lampen van de menora moeten elke nacht branden in het Heilige. Twaalf broden liggen op de Sjoelchan (tafel). De G’dsvloeker werd gestenigd.

Reacties zijn gesloten.