Parsja Wajikra (Leviticus 1:1-5:26) 1 april 2006 / 3 Niesan 5766

WAJIKRA: Derde boek van de Tora. Wajikra heet ook Torat Kohaniem – Leer van de Priesters. Een groot deel is gewijd aan de taak van de kohaniem in het (draagbare) Heiligdom. Daar moesten brand-, vredes- eerstelingen-, zonde- en schuldoffers en meeloffers gebracht worden. Bij alle offers komt zout te pas. Wie een offer brengt, legt de handen op de kop van het dier. De offers worden soms geheel, soms gedeeltelijk verbrand. In het laatste geval is wat overblijft deels voor de koheen, en soms ook voor de aanbieder van het offer.

Koheen 1:1-13. G’d roept Mosje naar de Ohel Mo’eed. Offervoorschriften volgen.
► Mosjé wordt nogal eens afgebeeld met kleine horens. Dit is een gevolg van een verkeerde vertaling van het Hebreeuwse woord “keren”. Keren betekent hoorn maar ook een straal licht.
Hoe kreeg Mosjé deze “horens”? De Midrasj vertelt, dat toen hij klaar was met het schrijven van de Tora, er wat inkt over was in zijn pen. Hij haalde de pen over zijn voorhoofd en de druppeltjes inkt werden lichtstralen. Deze Midrasj bevat een enorme diepgang.
Het woord Wajikra staat vreemd geschreven. De laatste letter is een kleine Alef, die veel kleiner is dan de rest van de letters. Waarom een kleine Alef? Toen G’d Mosjé na de oprichting van de Tabernakel vertelde dat hij het woord Wajikra – ‘en Hij riep Mosje naderbij’ – moest opschrijven, wilde Mosjé de laatste Alef niet schrijven uit bescheidenheid. Hij vond het niet gepast om over zichzelf te schrijven, dat speciaal hij tot G’d werd geroepen. Liever schreef hij Wajikar – ‘G’d kwam toevallig voorbij’ – alsof G’d niet speciaal Mosjé opzocht. Hoewel Mosjé protesteerde, heeft G’d hem toch opgedragen Wajikra te schrijven. Mosjé gehoorzaamde maar maakte de Alef klein.

Elders in Tenach (I Kronieken 1:1) wordt de genealogie (afstamming) van de mensheid vermeld. Daar staat Adam, Sjet, Enosj etc. waar de Alef van Adam groter is dan normaal (bekend als Alef Rabbati). Aan het begin van de menselijke geschiedenis overheerste het egoïsme. Men was erg egocentrisch. Al in de tweede generatie wordt de wereld te klein voor Kain en Hewel (Abel) om in harmonie samen te leven. Kain doodde Hewel uiteindelijk. Binnen tien generaties was de aarde zó corrupt dat de wereld gevuld was met geweld (Bereesjiet 6:11). De Alef van de mens werd Rabbati (groot), zijn ego werd zo opgeblazen dat hij alleen aan zichzelf dacht en zich verder niet druk maakte over het wel en wee van anderen. Daarom kon hij vervallen tot geweld, roof en moord. Op een dergelijke corrupte maatschappij was het enige effectieve antwoord de zondvloed. We zien dit ook nog tegenwoordig: wanneer een volksleider hoogmoedig wordt, volgen geweld en moord onvermijdelijk. Het leiderschap van Mosjé was totaal anders. Na de zonde van het gouden kalf wilde G’d het hele volk vernietigen. Mosjé zou de stamvader worden van een nieuw Joods volk. Mosjé sloeg het aanbod af. Integendeel, hij redde het volk met zijn smeekbeden. Het volksbelang ging voor zijn eigen belang.

Meteen na de afdaling van de berg Sinai zien we, dat Mosjé Rabbenoe niet direct naar zijn familie ging – hoewel hij veertig dagen was weggeweest – maar zich direct naar het volk begaf: “En Mosjé ging van de berg direct naar het volk” (Sjemot 19:15). Mosjé was volledige toegewijd aan zijn volk. Daarom werd hij als enige direct bij de inwijding van de Ohel Moëed – de Tabernakel – door G’d naderbij geroepen. De grote kracht van Mosjé lag in zijn combinatie van leiderschap en bescheidenheid. Vele mensen wensen geen openbare, leidende functies te aanvaarden omdat ze daarvoor te bescheiden zijn. Mosjé was de meest bescheiden mens, die ooit geleefd heeft. Niettemin weigerde hij nooit om verantwoordelijkheden te aanvaarden. Het lukte hem om de perfecte synthese te vinden tussen persoonlijke bescheidenheid en verantwoordelijk leiderschap. Nederigheid is geen excuus voor het weigeren van verantwoordelijkheid.

De Alef is de eerste letter van het woord ‘ani’, het Hebreeuwse woord voor ik, ego. Een grote Alef duidt op een groot zelfbewustzijn. Wanneer we maar ingebeeld genoeg zijn is er geen plaats voor G’d. Alleen wanneer wij ons ego verkleinen, is er ruimte voor de Sjechiena. Mosjé was de nederigste van alle mensen. In zijn eigen ogen bestond hij nauwelijks, hij wilde zelfs geen kleine Alef. Mosjé maakte zijn eigen Alef zo klein, dat hij het verdiende dat de Tora door hem gegeven zou worden. Hoe kreeg Mosjé zijn horens? De extra inkt die in zijn pen achterbleef was de inkt die overbleef na het schrijven van die kleine Alef. Er was voldoende voor een grote Alef. De rest werd dat schitte¬rende licht op het gezicht van de bescheidenste van alle mensen. Wanneer de mens werkelijk een offer wil brengen, brengt hij iets van zichzelf – Adam kie jakriev – mikem (1:2)!


Levi, 1:14-2:6.
Een ola, brandoffer kan van tortelduiven of van jonge duiven gebracht worden. De offerprocedure van vogels en meeloffers volgt.
► Offers uit de runderfamilie worden gezien als verzoening van het aanbidden van het gouden kalf, hetgeen overigens niet alleen in de woestijn plaatsvond maar in overdrachtelijke zin ook later gebeurde, tot op de dag van vandaag. Het ouderrund ruimt a.h.w. de psychische ontregeling van het kalf op. Iets wat eerst een awera was wordt nu aangewend als tikkoen (verbetering). Ola – brand – offers worden gezien als verzoening voor ondeugdelijke gedachten, terwijl chatat – zonde – offers verzoening doen voor foute daden. Daarom wordt eerst het ola behandeld.

3e alija, 2:7-3:1. Meeloffers en eerstelingen. Zuurdeeg noch honing mogen als vuuroffer gebracht worden.
► Bij de offers mocht absoluut geen honing of gist gebruikt worden. Zout was echter wel verplicht. Gist wordt altijd gezien als een symbool voor de kwade neiging. Gist blaast het deeg op. Onze minder fraaie eigenschappen blazen ons ego op tot zulke proporties, dat wij menen dat de wereld alleen voor ons geschapen is. Gist mag zeker niet gebruikt worden bij offers, omdat het eerste vereiste in de religie bescheidenheid is. Hoogmoed verwijdert de mens van G’d. Daarom zijn ook Pesach-offer en Chameets niet met elkaar te verenigen. Het Pesach-offer werd gebracht om de afgod van Egypte te slachten. Wanneer wij dat samen eten met `onze zelfingenomenheid’ is dat niet compatibel.

‘Jaloezie, lust en eerzucht richten de mens ten gronde’ (Pirke Awot). Volgens Chatam Sofeer (18de eeuw) symboliseren gist, honing en zout, eerzucht, passie en jaloezie. Eerzucht komt voort uit hoogmoed en wordt gesymboliseerd door gist. Honing, als symbool van het zoete, geeft de lusten en passies weer. Zout symboliseert jaloezie. Jaloezie is meestal een verkeerde eigenschap maar kan soms ten goede worden aangewend. Jaloezie kan positief werken wanneer het in dienst staat van persoonlijke groei: “Jaloezie van Geleerden vermeerdert de wijsheid”. Daarom wordt zout wel toegestaan op het altaar. Het devies luidt: “Niet te zuur (zuurdesem) en niet te zoet”.

Volgens Rabbi Joseef Sja’oel Nathansohn geeft de Tora aan dat wij altijd de middenweg moeten zoeken. Maar wat heeft dat zout te betekenen?
De Tora stelt: “Gij zult van uw offers niet weghouden het zout, het verbond met uw G’d” (2:13). Wat voor verbond wordt hier bedoeld? Wanneer wij voedsel willen conserveren, gebruiken wij zout. Zout symboliseert eeuwigheid. Rabbiner Hirsch (1808-1888) ziet hierin een opdracht om de Tora te “conserveren” en nooit te veranderen, gelijk zout nooit verandert. Zout herinnert tevens aan de val van Sedom, dat bestookt werd met zwavel en zout. Sedom ging ten onder aan ongastvrijheid. Bij ons eten herinneren we dat: zout mag op tafel nooit ontbreken. Gastvrijheid is één van de hoekstenen van het Joodse huis. Zout duidt ook op vereniging van tegenstrijdige krachten. Veel afgoderij is voortgekomen uit de emotie, dat goed en kwaad onverenigbaar zijn in deze wereld. Wij stellen dat zowel het goede als het kwade van G’d komt. Zout wordt gewonnen uit water maar door verdamping ontstaat een bijtende en “brandende” substantie.
Water wordt in Kabbalistische werken gezien als uiting van chessed (liefde) en vuur als eigenschap van gestrengheid. Water vloeit van boven naar beneden en doet groeien, vuur vernietigt. Het offeren van zout duidt erop dat wij G’ds heerschappij erkennen over zowel goed als kwaad in de Schepping.
Bij alle offers moest zout gebracht worden. Maar alleen bij het meeloffer staat dat het zout een teken is van een G’ddelijk verbond. Moeilijk te begrijpen! Chatam Sofeer legt uit, dat dit verschil wel degelijk een diepere achtergrond heeft. Bij het zouten van het offervlees had men nog kunnen denken, dat dit gedaan werd om de kohaniem (priesters) te plezieren. Zo hoefden ze geen ongezouten vlees te eten. Maar bij het meeloffer heeft zouten geen zin. Het is duidelijk alleen bedoeld als uitvoering van een opdracht van Boven. Dat is het ware verbond met G’d. Want wanneer wij G’d dienen omdat wij het leuk vinden of goed menen door te hebben waarom G’d bepaalde opdrachten geeft, dienen wij eigenlijk meer onze eigen emoties en ons verstand dan G’d. Wanneer iets onbegrijpelijk wordt, en we het desondanks doen, is het pas ware religie!

4e alija, 3:1-17
. De procedure van vredeoffers – sjelamiem – wordt beschreven.

► Het woord sjelamiem heeft als stam sjalom (= vrede) en sjaleem (= volledig). Een deel van de sjelamiem werd op het altaar verbrand, een deel ervan werd aan de kohaniem gegeven en een deel ervan werd door de eigenaar geconsumeerd. Vredeoffers maakten iedereen tevreden. Het is daarom zowel een `compleet’ als vredebrengend korban.

5e alija, 4:1-26.
Als een Hogepriester zondigde of wanneer het Sanhedrin verkeerd paskende (besliste) werd een chatat = zondoffer gebracht.

► Wat betekenen verzoening en vergeving? Het jodendom concentreert zich vooral op het concrete doen. Natuurlijk zijn emoties, intenties en gedachten belangrijk; niettemin ligt de nadruk op het doen. De materiële wereld werd geschapen om daarin het G’ddelijke te openbaren. Daarmee werd het doel van de mens aangegeven: het verheffen van het materiële deel van de wereld. Daarom werd deze wereld zo fysiek geschapen. De wereld is opgebouwd uit vijf opklimmende lagen: de minerale wereld, de plantenwereld, de dierenwereld, de mensenwereld en G’d. Wanneer een lagere wereld opgaat in een hogere wereld, verheft men die wereld. Oorspronkelijk was de mens vegetarisch maar sinds Noach eet hij vlees.
Ons devies luidt: “een koe die in de wei sterft, is een koe gebleven. Een koe die deel uitmaakt van een religieuze gebeurtenis is gestegen naar een hogere laag van gewijde dienstbaarheid”. Het verdwijnen van de offerdienst met de verwoesting van de Tempel in het jaar zeventig na de gewone jaartelling, betekende dat de mens de lagere werelden – mineralen, flora en fauna – niet meer kon ‘upgraden’ en opwaarderen tot een hoger religieus niveau. Hoewel in de seculiere wereld het verdwijnen van de offerdienst als een progressief moment wordt gezien, ervaren wij het als een terugval. Hoe verder wij verwijderd raken van de Openbaring op de berg Sinaï, des te zwakker is onze geest.

6e alija, 4:27-5:10. Offerprocedure van het individuele chatat = zondoffer en het ‘korban ole wejoreed’ – brandoffer naar draagkracht.

7e alija, 5:11-26.
Meeloffer van de onvermogende en schuldoffers.

► Het Mikdasj moest een plaats worden waar G’ds Naam geheiligd zou worden. Hiervandaan kwamen de G’ddelijke Openbaringen. Tegenwoordig heeft Israël de taak van het Heiligdom enigszins overgenomen. Dat is onze volksmissie: kiddoesj HaSjeem. Heiliging van G’ds naam is een groepsmissie. Wat zijn de essentiële ingrediënten? Derech Erets! Dit wordt vaak vertaald als een aards beroep. Maar deze notie van Derech Erets is veel te eng.
Rabbi Ja’akow Emden (18e eeuw, Duitsland) wijst erop, dat ook brede maatschappelijke betrokkenheid onmisbaar is. Derech Erets richt de maatschappij in naar de ethische richtlijnen van de Tora. De Ge’oela Sjelema – de uiteindelijke verlossing – kan wereldwijd alleen uitgaan van een Tora-staat. Daarom is Derech Erets aldaar van nog veel groter belang dan in de gola, de ballingschap. Israël moet de Tempel van de wereld worden.

Deze uitdaging wordt ons niet op een zilveren presenteerblad aangereikt. Op dit moment is de Israëlische maatschappij in de verste verte nog niet zo ver. Maar het is niettemin de kiem van een Tora-maatschappij. De taak om dit zaadje te planten en tot bloei te brengen is ontzagwekkend en overweldigend. Het is de uitdaging van het Tora-jodendom vandaag de dag, zoals Rav Dessler (20e eeuw, Gateshead) het verwoordde: “Wee hem, die op de dag van het oordeel verschijnt en nog steeds blind is voor dit concrete feit” (Michtav Me’elijahoe III: 352). Of zoals Rabbi Elijahoe Bloch, de Rosj Jesjiewa van Telz, het stelde: “De gezonde elementen van het volk dragen een grote verantwoordelijkheid voor de instandhouding van het Joodse land” (Bulletin Union of Students of Yeshivat Telz – Cleveland, Tewet 5747). Onder deze omstandigheden zijn alle vormen van betrokkenheid van de Tora-gemeenschap – sociaal, politiek, economisch en intellectueel – acuut noodzakelijk, wil deze “G’ddelijke proefballon”, Israël, slagen als een Tora-staat (slotrede van de vierde Kenessia Gedola van de Agoedat Jisraël in 1954 van Rabbi Joseef Kahaneman, Rosj Jesjiewa van Ponowecz).

Sjabbat Sjalom.

Reacties zijn gesloten.