Parsja 17 Jitro (Sjemot/Exodus 18:1-20:23 18 februari 2006 / 20 Sjewat 5766

JITRO. De schoonvader van Mosjé heeft gehoord van de wonderen, verheugt zich erover en brengt offers. Jitro ziet dat Mosjé als enige rechtspreekt en raadt aan meerdere rechters aan te stellen voor zaken van geringere omvang, zodat Mosjé de belangrijke zaken kan berechten. Mosjé zoekt 78.600 rechters. De Bné Jisra’eel arriveren bij de berg Sinaï waar G’d een Verbond aanbiedt dat zij aanvaarden. Ze moeten zich 3 dagen voorbereiden op de ontvangst van de Tora. G’d daalt neer op de berg Sinaï en Mosjé moet, als enige, de berg bestijgen. Het volk blijft op afstand. Onder hevig sjofar-geschal geeft G’d de Tien Geboden. Het volk is zo verschrikt dat ze Mosjé vragen met G’d te spreken en als bemiddelaar te functioneren. G’d drukt Mosjé op het hart dat het Joodse volk haar verantwoordelijkheid neemt en trouw aan G’d blijft Koheen, 18:1-12. Jitro komt met Tsipora, Gersjom en Eliezer naar Mosje.

► “Alles wat G’d gedaan had voor Jisra’eel, zijn volk” (18:1). De Chida legt uit dat toen Jitro hoorde dat het Joodse volk bevrijd was, hij aannam dat zij verlost waren in de verdiensten van Mosjé. Het volk was zo verzonken in de afgodische cultuur, dat het bijna onmogelijk was om die Toema (onreinheid) te verlaten. Daarom staat er in de Tora dat Jitro meende dat G’d voornamelijk alles had gedaan voor Mosjé. Maar Mosjé geeft als antwoord dat het allemaal “vanwege het Joodse volk is gebeurd”. “Het is niet mijn verdienste maar de verdienste van Am Jisra’eel”. Wat een bescheidenheid!

► “Mosjé ging naar buiten, zijn schoonvader tegemoet en hij kuste hem” (18:7). In het Hebreeuws heet ‘tegemoet’ – ‘Likrat’. Het betekent ook ‘om zijn schoonvader te lezen’. De bedoeling is dat Mosjé Rabbenoe het spirituele niveau van zijn schoonvader wilde weten en dat hij met name daarom hem tegemoet kwam. Het niveau van zijn vrouw Tsippora en zijn kinderen kende hij al. Daarom hoeft de Tora over hun ontmoeting niets te vermelden. Rabbi Chaïm Vital legt de nadruk op het karakter van Mosjé. Het wel en wee van de Klal (gemeente) stond voorop. Zijn schoonvader laat hem weten dat hij met zijn vrouw en kinderen eraan komt. Wie loopt Mosjé tegemoet? Zijn schoonvader! Kiroev-werk, iedereen bij de Tora betrekken staat voorop. Mosjé moest zijn schoonvader overtuigen van de waarheid van het Jodendom. Daarom besteedt de Tora daar de meeste aandacht aan.

Levi, 18:13-23. Jitro stelt Mosje een nieuw systeem van rechtspraak voor.

► “Wanneer zij een zaak hebben, komt men tot mij “ (18:16). Eigenlijk had er moeten staan: “Wanneer zij een zaak hebben, zullen zij tot mij komen”. Waarom staat er ‘komt men tot mij’? Bovendien had Mosjé al eerder gezegd: “Want het volk komt tot mij om G’d te raadplegen”. Waarom moet dat hier herhaald worden?
Jitro vroeg: “Waarom zit jij, Mosjé, alleen, terwijl het hele volk bij jou staat? Waarom staan zij?” Mosjé antwoordde: “Zij staan daar niet uit eerbied voor mij maar komen om G’d te raadplegen en Zijn oordeel te vragen”. In Psalmen 82:1 staat: “G’d staat in de raad van de rechters”. De Sjechina is bij de Dajaniem (rechters), omdat het recht een G’ddelijke aangelegenheid is (Devariem 1:17). Zij weten dat wanneer zij een geding hebben, Hij tot mij komt. G’d komt als het ware bij ons in ons Beet Dien:“te Zijner ere staat men op”. Zo zei ook koning Jehosjafat:”Want niet voor de mens berechten jullie maar voor G’d. G’d is bij de Dajaniem.

► “Ik zal je raadgeven en G’d moge met je zijn” (18:19). In de Talmoed (Nida 70a) wordt de volgende vraag gesteld: “Wat moet de mens doen om wijs te worden? Laat hij veel leren en barmhartigheid afsmeken van G’d van Wie de wijsheid is. Wat moet men doen om rijk te worden? Laat men veel handel drijven en barmhartigheid smeken van G’d van Wie de rijkdom is”. Zo ook hier gaf Jitro aan Mosjé wijze raad. Maar dat is onvoldoende, daarnaast heeft men ook nog hulp van Boven nodig:“Moge G’d met je zijn”, daar zonder is het allemaal niets waard. Zoals er geschreven staat: “Er is geen geen wijsheid en geen raad en geen inzicht tegenover Hasjeem” (Spreuken 21:30). Daarom moet men bij alles wat men doet davvenen dat G’d ons zal helpen.

► “Elke grote zaak zal men tot U brengen” (18:22)
De Alsjiech legt uit dat Jitro dacht, dat de overige Dajaniem de kleine financiële aangelegenheden zou behandelen maar de grote zaken naar Mosjé zouden gaan. Mosjé antwoordde aan zijn schoonvader dat een rechtszaak over één eurocent even belangrijk is als een rechtszaak over duizenden euro’s (B.T. Sanhedrien 8a). Daarom staat er: “De moeilijke zaken zal men tot Mosjé brengen”. Soms is een oordeel over een groot bedrag eenvoudig maar een vonnis over een klein bedrag in een ingewikkelde zaak moeilijk. Alleen de moeilijk te begrijpen zaken werden voor Mosjé gebracht, niet specifiek de grootste zaken.

3e Alija, 18:24-27. Mosje zoekt rechters en doet Jitro uitgeleide.

4e Alija, 19:1-6. G’d belooft Israël als uitverkoren volk te aanvaarden.

► “Jullie zullen mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk.” (19:6).Rabbi Avraham, de zoon van de Rambam, schrijft in naam van zijn vader, dat met Kohaniem hier de geestelijke leiders van het volk worden bedoeld. Als het volk tot een rijk van Kohaniem wordt en zij inderdaad luisteren naar hun spirituele voormannen, zullen zij zeker tot een heilig volk worden, een waar volk van Hasjeem.

► Wat is de combinatie van termen in de pasoek (vers) `een rijk van Kohaniem en een heilig volk’? De grote kracht van het Joodse volk ligt in het feit dat zij mensen van vlees en bloed zijn maar desondanks een heilig volk kunnen zijn dat zelfs boven het niveau van de Engelen uit kan komen.

►Rabbenoe Bachja legt uit dat er drie kronen bestaan:
1. De kroon van de Tora
2. De kroon van Kehoena (Koheenschap)
3. De kroon van koningschap.
Welke is de mooiste? De geciteerde pasoek geeft hier antwoord op: “Als jullie de Tora zullen aanvaarden en jullie je met de kroon van de Leer zullen tooien, dan zullen jullie een koningrijk van Kohaniem zijn: Jullie zullen belangrijker zijn dan koningen en zelfs meer dan de Kohaniem (priesters), zoals er staat (Spreuken 3:15):“De Tora is kostbaarder dan paarlen”. Zelfs meer dan de Hogepriester die in het Allerheiligste naar binnen ging” (B.T. Horajot 13a).

Rabbi Jischak Abarbanel vond in deze pasoek een antwoord op een bekennde vraag:‘We hebben zoveel Mitsvot, omheiningen en waarschuwingen dat het lijkt alsof wij gevangenen zijn van de Torawet??”. Toch is het omgekeerde de realiteit. Doordat wij gebonden zijn aan deze spirituele opdrachten, worden wij bevrijd van onze lagere driften, lusten en passies. In feite beheersen wij daardoor onze verlangen en neigingen. Dit heeft G’d ons laten weten vlak voor de Torawetgeving:“Weet dat jullie door de Tora een koninkrijk van priesters zullen worden”. Inderdaad, priesters, dienaren van de Allerhoogste maar ook koningen en vrije mensen. Wie zijn de koningen? Dat zijn mensen die goed thuis zijn in de Tora! (BT Gittien 62a).

5e Alija, 19:7-19. Mosje legt G’ds woorden voor aan de Ouderen. Het volk bereidt zich drie dagen voor op het ontvangen van de Tora.

6e Alija, 19: 20:1-20:14. De Tien Geboden.

► Jitro was een markante persoonlijkheid. Jitro was een man, die “alles had uitgeprobeerd”. Alle afgoden had hij gediend. Jitro zocht overal de waarheid:“the truth and nothing but the truth”. Uiteindelijk had hij de ware G’dsdienst omhelsd, het Jodendom. Maar hij deed alles uit vrije wil. Dat was ook zijn levensfilosofie. Hij geloofde niet in religieuze dwang.
► Het Jodendom denkt hier echter anders over. Wij stellen, dat degene die de geboden verplicht uitvoert hoger staat dan degene, die ze vrijwillig doet. Omdat de mitswot ons geboden zijn, ontstaat alleen al door de opdracht een band tussen Gebieder en onderdaan. Het woord mitswa komt van een Hebreeuwse stam, die verbondenheid betekent. Bovendien moet iemand, die de geboden verplicht vervult, telkens weer opboksen tegen anti-krachten – de jetser hara – die geen Autoriteit veelt. Naar gelang de moeite is ook de beloning groter! Religie als bevel zag Jitro totaal niet zitten. Maar dit was een foute benadering, hoewel een hele sidra in de Tora naar Jitro genoemd is. Wij doen de mitswot (geboden) niet omdat wij dat leuk vinden, omdat ze logisch zijn of onze emoties aanspreken, maar gewoon omdat ze geboden zijn. Wij aanvaarden ze als G’ddelijke besluiten. Wij gehoorzamen niet aan “Gij zult niet moorden” omdat dit een asociale of antimaatschappelijke daad is maar omdat G’d dit geboden heeft. Het verschil in benadering kan zeer groot zijn. In het geval van een G’ddelijk verbod op moord zijn euthanasie en abortus ondenkbaar. Maar wanneer de `doodsverachting’ gebaseerd is op consensus en conventie – menselijke afspraken – dan blijkt het verbod op doden in de loop der tijden steeds rekbaarder en elastischer.
7e Alija, 20:15-23. Het volk blijft op afstand. Mosje moest de geboden aan het volk overbrengen.

► “En het hele volk zag de geluiden” (20:15). Rasjie legt uit dat de Bené Jisraëel dat wat gehoord werd, konden zien hoewel dat normaliter onmogelijk is. Waarom was het noodzakelijk om ook de geluidsgolven te kunnen zien? Omdat er bij de verboden nogal eens het woord ‘lo’ (hetgeen ‘niet’ betekent) verschijnt, moest men deze geluidsgolven ook kunnen zien. Want ‘lo’ kan zowel ‘niet’ als iets positiefs (voor hem) kan betekenen. Als men ‘Gij zult niet stelen’ leest als ‘voor hem zul je stelen’ staat er ongeveer het omgekeerde. Daarom moesten de Joden het ook zien.
Een ander idee: Religie is iets dat normaliter gehoord wordt. De fysieke realiteit is veel duidelijker en zichtbaar. Bij de Sinai werd de religie een onomstotelijke waarheid terwijl de zekerheid van de materiele werkelijkheid veel minder `hard’ werd. Een doordenkertje!

Sjabbat Sjalom. U wordt vriendelijk verzocht dit blad in Sjoel te laten liggen op Sjabbat.

Reacties zijn gesloten.