Parsja 13 Sjemot (Exodus 1:1 – 6:1) 21 januari 2006 / 21 Tewet 5766

SJEMOT (namen): De kinderen van Ja’akov hadden zich zeer sterk vermeerderd. Farao wordt bang en maakt hen tot slaven. Hij geeft de vroedvrouwen opdracht pasgeboren zoontjes te doden. Zij doen dit echter niet. Een Leviet, Amram, huwt een vrouw uit dezelfde stam en zij krijgen een zoontje, dat in een waterdicht mandje in de Nijl wordt gezet. Batja, een dochter van Farao vindt hem, redt hem en de grote zus van de baby, Mirjam, biedt aan een voedster voor hem te vinden. Later brengt ze hem naar Batja, die hem Mosjé noemt. Volwassen geworden ziet Mosjé hoe een Joodse man geslagen wordt door een Egyptenaar. Hij brengt hem ter dood en verbergt hem onder het zand. Hij begrijpt dat zijn leven in gevaar is en vlucht naar Midjan, waar hij gastvrijheid vindt bij de priester Jitro. Hij huwt zijn dochter Tsippora en zij krijgen twee zonen. Dan wordt Mosjé geconfronteerd met het brandende doornbos, waar G’d hem opdraagt het Joodse volk naar het Beloofde Land te leiden. Mosjé verzet zich tegen deze opdracht en denkt dat het volk hem niet zal geloven, maar G’d geeft hem drie wonderen, zodat het volk hem wel als gezonden zal geloven. Ook zegt Mosjé dat hij een slechte spreker is; G’d belooft dat Aharon zijn woordvoerder zal zijn. Mosjé, Tsippora en hun zonen gaan op reis, maar onderweg treedt G’d tegen Mosjé hard op; Tsippora begrijpt dat één van hun zonen nog niet besneden is en volvoert de operatie haastig. Aharon en Mosjé gaan samen naar Farao en bepleiten de vrijlating van het volk maar Farao treft nog hardere maatregelen. Het volk raakt ontmoedigd en maakt de broers verwijten, maar G’d belooft zijn kracht te tonen. Koheen, 1:1-17. De 70 zielen, die afdaalden naar Egypte, worden vermeld om de bevolkingsexplosie te benadrukken.

Levi, 1:18-2:10. Farao geeft opdracht alle mannelijke baby’s te verdrinken.

3e alija, 2:11-25. Mosjé vlucht naar Midjan, trouwt Tsippora en krijgt een zoon: Gersjom.

4e alija, 3:1-15. G’d verschijnt bij het doornbosje.

► Rabbi Jehuda Nachsjoni legt uit dat het brandende doornbosje staat symbool voor vele gedachten. Allereerst toont het dat ons volk altijd zal blijven bestaan. Het doornbosje brandde wel maar werd niet verteerd. Rabbenoe Bachja Ibn Pakoeda zegt dat het brandende doornbosje het Joodse volk symboliseert omdat het voortdurend in vuur en vlam staat, door tsarot (tsores) omringd wordt, eigelijk had moeten vergaan maar toch blijft bestaan. Dit is een wonder. In een tweede verklaring stelt hij, dat Mosje Rabbenoe in gedachte bezig was met allerlei Hemelse structuren totdat hij het hoogste niveau in het Jodendom bereikte. Volgens Rabbenoe Bachja symboliseert het bosje de materie, die ondanks de hogere, geestelijke oorsprong ervan en het brandende vuur, wat de ziel in het lichaam is, niet vergaat. Mosje was bezig met de achtergronden van de Schepping van de wereld; hij verbaasde zich over de vraag hoe vorm en materie, geestelijk en fysiek, tot één geheel kunnen worden. Aan de basis van alle materie staat een geestelijke oorsprong, die leven en vorm geeft.

► De brandende doornbos leert verder dat er geen enkele plaats `leeg is van het G’ddelijke’. Dit is de bron voor de Chassidische opvattingen over de vulling van de wereld door HaSjeem. Chassidoet gaat ervan uit dat G’d zich zelfs in de meest donkere uithoeken van de wereld en materie bevindt. Dit was het principiële twistpunt tussen de Chassidiem en de Ga’on van Wilna. De Ba’al Hatanja legt uit dat de Ga’on van Wilna meent dat de G’ddelijke voorzienigheid (Hasjgacha) overal aanwezig is, tot in de diepste diepten van de materie, maar dat niet overal de G’ddelijkheid aanwezig is. Alles wat G’dsverduistering is, verdrijft het G’ddelijke. De Sfat Emet legt uit dat de Galoet (ballingschap) ook in verband staat met het woord Hitgaloet – ‘openbaring’. Door de ballingschap van het Joodse volk over de hele wereld wordt de G’ddelijkheid in alle uithoeken van de aardbol geopenbaard.

►Een andere verklaring luidt dat het brandende doornbosje het enthousiasme voor Kedoesja – heilige onderwerpen – weergeeft. Hoewel de omgeving stekelig kan zijn als een doornbosje en slecht lijkt, moeten wij toch de kracht opbrengen om het Jodendom door te zetten ondanks de G’dsverduistering, die ons omringt. Het is het idee van: Zoals de Egyptenaren het Joodse volk verdrukten, zo werden ze meer en breidden zij zich uit’’. Het brandende doornbosje bestond volgens onze Chagamiem zowel uit brandnetels als uit rozen. Het symboliseert het Joodse volk dat grote Tsaddikiem en grote slechterikken heeft voortgebracht. De Maharal legt dit uit. Het brandende doornbosje is een verwijzing naar de Jiddisje hardnekkigheid. Hardnekkigheid creëert grote Tsaddikiem maar ook grote Resja’iem (slechtaards). Hardnekkigheid ligt ten grondslag aan onze continuïteit. Net zoals het doornbosje niet verteert zal ook het Joodse volk nooit ophouden zijn licht te verspreiden.

► Het brandende doornbosje zou voor Mosje Rabbenoe een teken zijn dat G’d hem gestuurd had, zo wordt het verwoord in de Tora. Wat betekent dit? De Ibn Ezra legt het uit: het doornbosje stond aan de voet van de berg Sinaï. De uittocht uit Egypte was bedoeld om G’d op de berg Sinaï te dienen en de Tora te ontvangen. Mosje vroeg zich af in welke verdienste het Joodse volk bevrijd zou worden:”En dit zij u tot teken, dat Ik u gezonden heb: wanneer u het volk uit Egypte gevoerd zult hebben, zullen jullie G’d dienen op deze berg” (3:12). Volgens Nachmanides vroeg Mosje zich verder af: ’’Zullen zij bereid zijn mij te volgen naar de woestijn om naar een ander land te gaan? Als de bevrijding in Egypte had plaats gevonden, hadden de Joden er niet zo veel moeite mee gehad maar nu het doel was om de Joden uit te voeren uit Egypte, ben ik er niet zo zeker van, dat zij mij willen volgen?!”
De Klie Jakar zegt dat Mosje zich afvroeg of zij de onreinheid van Egypte wel wilden ontstijgen. Daarzonder was de bevrijding onmogelijk. Hoe kan men zich afscheiden van Egypte? G’d belooft hen dat er op de berg Sinaï – na het accepteren van de Tora – een onzichtbare muur zal ontstaan tussen het Joodse volk en Egypte. Hun spirituele bezoedeling zou hen verlaten bij hun vertrek. Alleen daardoor al zouden ze op een totaal ander niveau belanden. Juist door het verlangen om dichter bij Hasjeem te komen, zal de totale afscheiding van Egypte plaatsvinden. De bedoeling van de bevrijding was, dat ze voor eeuwig G’ds dienaren zouden worden.

► De Chatam Sofeer benadrukt dat we nergens, ondanks alle wonderen bij de uittocht uit Egypte, vinden dat de acceptatie van de Tora een voorwaarde was voor de bevrijding. De Joden hebben de Tora vrijwillig, zonder voorwaarden vooraf – noch van G’ds kant noch van de kant van het Joodse volk – aanvaard. Maimonides werkt dit punt uit en stelt, dat de acceptatie van de Tora de basis vormt van ons geloof. We geloven niet in het Jodendom vanwege de wonderen maar omdat we de Tora hebben aanvaard als de basis van ons geloof. Waarom dan alle wonderen? Om de Joden uit Egypte mee te krijgen, was het nodig om ze tijdelijk te overtuigen met wonderen maar dat kan nooit de basis zijn voor een eeuwigdurend Emoena. De Tora is ons geloof, niet de wonderen.

5e alija, 3:16-4:17. G’d voorspelt dat Egypte geslagen zal worden.

► Wat is de symboliek van de wonderen die Mosje meekreeg?
De drie tekens waren:
a. de stok die in een slang veranderde en weer een stok werd;
b. de hand, die melaats werd en weer gezond werd en
c. het water dat veranderde in bloed.

► De zestiende-eeuwse Italiaanse verklaarder Sforno zegt, dat de drie wonderen als boodschap overbrachten, dat G’d de Enige is, die kan doen leven en kan doen sterven. Een stok heeft geen levensgeest. Maar op de uitspraak van G’d veranderde het tot een levend dier. Een hand is levend maar door de wil van G’d wordt het melaats, iets dat als dood beschouwd wordt. Mosje vluchtte voor de slang want die leek levend te zijn en kon schade aanrichten. Maar de slangen van de sterrenwichelaars van Pharao bezaten geen leven. De slang van de Chartoemiem heet ook ‘Tanien’ (monster). Maar die van Mosje was echt een slang. De zgn. slang van de Egyptische tovenaars was alleen maar zinsbegoocheling. Zou men dat eerste wonder niet geloven dan volgde er nog een tweede wonder. Genezing van melaatsheid is bijna onmogelijk. Toch gebeurde het.

► Volgens een andere verklaring wilde G’d met de drie tekenen duidelijk maken dat Hij het Joodse volk Zelf ging bevrijden en dat niet over zou laten aan een Engel. Een Engel kan geen twee opdrachten tegelijkertijd vervullen terwijl G’d tegenstrijdigheden kan verenigen:’’Ik sla en Ik genees tegelijkertijd ook’’. Alle drie wonderen maakten duidelijk dat G’d alleen dit allemaal zou doen. De gedachte “Ik dood en Ik laat leven’’ kwam tot uitdrukking in het eerste wonder. Dode materie werd tot leven gebracht en veranderde weer in dode materie. De idee van ’’Ik sla en Ik genees’’ volgde uit het tweede wonder. De gezonde hand veranderde in een melaatse hand en keerde weer terug tot gezond vlees. De derde gedachte “Niemand kan uit Mijn hand redden” kwam naar voren in het derde teken: het water veranderde in bloed en bleef zo, zonder dat dat ooit nog veranderd werd.

Drie vragen
Abarbanel (15e eeuw, Spanje) stelt, dat de drie wonderen antwoorden vormden op drie vragen van Mosje Rabbenoe. De eerste vraag luidde:’’Hoe kunnen we gered worden uit de handen van zo’n machtige Pharao die de wereld beheerst en wiens land een ijzeren smeltkroes is voor alle mensen?’’. Verder stelde hij de vraag:’’ Hoe kunnen de Joden zich bevrijden uit de onreinheid van Egypte om de daadwerkelijke bevrijding deelachtig te worden?’’. Als laatste vroeg hij:’’Hoe kunnen de Bnee Jisraeel, die worden vervolgd en verdrukt, aan de Egyptenaren ontkomen?’’. Deze drie vragen worden beantwoord door de drie wonderen.

Drie antwoorden
Het wonder van de slang en staf symboliseert het einde van Pharao. Pharao stamde niet uit een adellijke familie maar had zichzelf het koningschap toegeëigend, gelijk de staf die een kronkelende slang werd waar Mosje Rabbenoe voor vluchtte. Maar uiteindelijk werd hij weer gewoon een stok, zonder enige toekomst. Het wonder van de melaatse hand symboliseert het lot van het Joodse volk in galoet (ballingschap). In hun vaderland waren zij rein gebleven maar toen ze naar een ander land verhuisden, assimileerden zij en verloren zij hun spirituele verhevenheid. Pas wanneer zij terugkeren naar hun vaderland zullen zij zich weer spiritueel kunnen reinigen. Het wonder van het water dat in bloed veranderde symboliseert het einde van Egypte dat bloedig verdronk in de Jam Soef, de Rietzee.
Ook de Chatam Sofeer ziet in het eerste wonder een symbool voor het Joodse lot in galoet. Oorspronkelijk was het Joodse volk de scepter, een staf in de hand van HaKadosj Baroech Hoe. Nu werden ze op de grond gegooid en waren ze kronkelend als een slang onderworpen aan Egypte. Ze droegen hun lot geduldig en uiteindelijk werden ze weer de scepter in de hand van Hakadosj Baroech Hoe.’’Pak de staart van slang’’ Dat benadrukt de nederigheid van Mosje Rabbenoe en het Joodse volk. Wanneer zij daartoe in staat zijn zullen zij weer tot G’ds scepter veranderen. Het duidt ook op moed en dapperheid. Niet iedereen durft een slang bij zijn staart te pakken. Een belangrijke eigenschap: tegen de stroom in durven zwemmen.
(Bron: Hagot Beparsjiot Hatora).

6e alija, 4:18-31. Mosjé neemt afscheid van Jitro.

7e alija, 5:1-6:1. Mosjé en Aron zeiden Farao: “Let my people go!”

U wordt vriendelijk verzocht dit blad in Sjoel te laten liggen op Sjabbat.

Reacties zijn gesloten.