KIE TAWO (als je komt): Als het Land vrucht draagt, moet je de eerstelingen naar het Heiligdom brengen en een verklaring afleggen dat je alles aan G’d te danken hebt, dat je de geboden hebt uitgevoerd en de opgedragen tienden aan de rechthebbenden hebt gegeven. Mosjé stelt nog eens dat G’d een wederzijdse afspraak met de Bné Jisraëel heeft gemaakt: Hij heeft Zich de Bné Jisraëel als volk genomen en het volk zal alle geboden nakomen. Als het volk de Jordaan overtrekt moeten grote stenen genomen worden die later op de berg Ewal geplaatst zullen worden. Op de stenen moet de hele Tora worden geschreven. Er moet op de Ewal een altaar gebouwd worden dat niet met ijzer mag worden bewerkt.
Na het overtrekken van de Jordaan moet de helft van de stammen op de berg Geriziem staan en de andere helft op de berg Ewal, terwijl de Levieten twaalf (zegeningen en) vloeken reciteren, waarop het volk Ameen moet antwoorden. Mosjé noemt dan de zegeningen die het volk deelachtig zal worden als ze de ge- en verboden in acht nemen, maar als ze dat niet doen dan komen de ergste vervloekingen over hen Koheen, 26:1-11. De mitswa van bikoeriem is dat de eerste vruchten van de zeven soorten in een mand naar het Bet haMikdasj gebracht moeten worden. De Koheen plaatst die voor het Altaar, waarna men de parsja van de bikoeriem uitspreekt.
In de Midrasj worden drie Mitswot vermeld die de eenheid van het joodse volk benadrukken: Challa (heffing van het deeg), Ma´aseer (de tiendeheffing) en Bikoeriem (eerstelingen). Al deze Mitswot wijzen op de eenheid van het joodse volk. Challa is de heffing van het deeg. Het deeg wordt pas verplicht tot deze heffing wanneer alle deeltjes meel tot één geheel verenigd zijn. Ma’aseer, het tiende geeft men aan de Levi, die geen deel heeft in het joodse land. Door het geven van tienden krijgt hij ook een deel in het geheel. De Bikoeriem zijn de eerste vruchten van de oogst. Wanneer wij die wijden aan G´d, verzekert dat de eensgezindheid van het joodse volk. Wanneer men Geleerden in huis ontvangt, die idealiter de eenheid van het joodse volk in hun persoon symboliseren, is het alsof men de eerstelingen in de Tempel heeft gebracht omdat de Bikoeriem duiden op diezelfde eerbied voor de Tora, die de eenheid van het joodse volk waarborgt. Juist door de verdiensten van de Bikoeriem gaat men het joodse land binnen want G´d vond geen beter klie (conservering) voor zegeningen dan sjalom, vrede. De beracha is Israël en door de vrede zal er zegen rusten op de vruchten, zodat wij de Bikoeriem daarvan kunnen brengen, hetgeen een soort vicieuze vredescirkel vormt.
Bikoeriem is geloven
Het land Israël en de Bikoeriem zijn beide verbonden met emoena (geloof). Het speciale van Israël is dat “de ogen van G´d daar van het begin van het jaar tot het einde van het jaar op gericht zijn”. Iemand die daar niet in gelooft, erkent geen principieel verschil tussen Israël en alle andere landen. Bikoeriem zijn verbonden met het geloof, dat G´d de oogst van het jaar zegent. Na al de inspanningen van de boer kan hij toch nog zeggen over zijn vruchten: “Die heeft u mij gegeven, o G´d!”.
Toen Mosje Rabbenoe zag dat in de toekomst de Tempel verwoest zou worden en de Bikoeriem zouden ophouden te bestaan, heeft hij meteen de drie tefillot (gebeden) voor het joodse volk ingesteld. Deze staan tegenover de drie dagelijkse maaltijden. Door te dawwenen (bidden), hechten wij ons aan het geloof in G´d, die ons van alles voorziet en ons uit al onze bedreigende omstandigheden en van alle onze awerot, overtredingen redt. Bikoeriem benadrukken, dat wij ons bij alles allereerst op G’d moeten richten. Daarvoor werd de wereld geschapen: om te leren ons egoïsme en egocentrisme te ontstijgen!
Levi, 26:12-15. Nadat men de teroema (heffing voor de Kohaniem), ma’aseer (een tiende voor de Levi) en ma’aseer anie (tiende voor de armen) heeft afgedragen (in het derde en zesde jaar van de zevenjarige sjemitacyclus), moet men formeel verklaren dat niets van de geheiligde producten nog in het bezit is en dat het op de juiste wijze weggegeven is (deze verklaring wordt op de laatste dag Pesach in het vierde en zevende jaar uitgesproken en heet widoej ma’aseer).
3e alija, 26:16-19. Hier wordt onze relatie met G’d samengevat. We hebben G’d beloofd naar hem te luisteren en Hij heeft ons Zijn uitverkoren volk gemaakt, indien wij ons aan de mitswot houden.
4e alija, 27:1-10. Zodra de Jordaan overgetrokken was, moesten wij grote stenen op de berg Ewal oprichten, met kalk bestrijken en daarop alle woorden van de Tora schrijven.
De Tora moet op grote stenen worden opgeschreven in de buurt van de plaats Sjechem:“Op de dag, waarop u de Jordaan overtrekt…zult u grote stenen oprichten en daarop alle woorden van deze wet schrijven. Als u dan de Jordaan overgetrokken bent, zult u deze stenen op de berg Ebal oprichten. Ook moet u daar een altaar bouwen voor G’d, een altaar van stenen, die U niet met ijzer zult bewerken. Vervolgens zult u op die stenen al de woorden van deze wet helder en duidelijk opschrijven”.
Eerst een praktische vraag: is het mogelijk de hele Tora op 12 stenen te schrijven in 70 talen? Sommigen schrijven, dat niet de hele Tora, maar alleen de 613 geboden werden opgeschreven. Een tweede mening stelt, dat inderdaad de hele Tora van Bereesjiet tot het einde opgeschreven werd, zodat er of sprake was van een wonder of dat de stenen enorm groot waren. Anderen stellen dat alleen Sjema aan het steen werd toevertrouwd, terwijl de Tora Temima (20e eeuw) meent, dat alleen de Tien Geboden opgeschreven werden. Beide laatste meningen zijn opmerkelijk. In Sjema staat dat “de G’d die nu nog onze G’d is, eens G’d zal zijn voor de hele wereld en alle volkeren”. De Tien Geboden vertegenwoordigen de zeven Noachidische opdrachten die voor alle mensen gelden. Wat was het doel hiervan?
Deze gigantische Tora-stenen waren allereerst bedoeld voor de heidenen: zij moesten minimaal de Noachidische wetten aannemen en begrijpen, dat G’d kwaad was vanwege hun afgoderij. Verder dienden deze stenen om de Joden en anderen er aan te herinneren, dat men nu het Tora-land betrad. Daarom fungeerden de stenen als een soort Mezoeza aan de toegangspoort van het Joodse land. Toch blijft moeilijk te begrijpen waarom de Joden helemaal naar de berg Ebal in de buurt van de plaats Sjechem moesten trekken, een tocht van zestig kilometer door vijandelijk gebied.
In de geschiedenis van onze Aartsvaders neemt Sjechem een belangrijke plaats in. Toen Avraham aankwam in Kana’an trok hij door het land tot Sjechem. Daar bouwde hij een altaar voor G’d (I:12:5-7). Met hun tocht naar Sjechem maakten de Joden duidelijk dat zij geen nieuwkomers waren in het land. Zij deden een beroep op Avrahams verdiensten. In feite kwamen zij slechts thuis. Bovendien werd voor Sjechem duidelijk betaald door Aartsvader Ja’akov, die na 22 jaar terugkeerde en voor 100 kesjita een veld in Sjechem kocht (I:33:19).
Toen keerde het Joodse volk na 210 jaar slavernij terug naar het Beloofde Land. G’d maakte hen duidelijk dat zij daar niet zouden kunnen leven zonder zich te houden aan de ethische, morele en rituele opdrachten van de Tora. Alleen door naleving van de Tora kon het Joodse volk zeker zijn dat zij in Israël zouden blijven wonen. Volgens Rasjie moest de Tora op de twaalf stenen in 70 talen neergeschreven worden als morele opdracht voor alle wereldburgers. Het Joodse volk is daarnaast ook verplicht de Tora aan de wereld kenbaar te maken. De Tora bevat belangrijke ethische richtlijnen, ook voor andere volkeren. Avrahams levensmissie moest gedeeld worden met de hele mensheid.
Sjechem speelde een belangrijke rol in het leven van Ja’akov. De prins van Sjechem randde Dina aan. Sjimon en Levi doodden toen alle mannen. Ja’akov, de `Torapilaar’ kon het niet verdragen dat zijn naam in een kwade reuk kwam bij zijn medeburgers. Het Joodse volk als “heilig volk en koninkrijk van priesters” is er om G’ds Naam te heiligen en geliefd te maken. De “kwade reuk”, die in Sjechem ontstaan was, werd ongedaan gemaakt door precies daar de Tora in heldere taal kenbaar te maken. Op de plaats waar mensenbloed eens rijkelijk vloeide, werd nu Tora onderwezen bij een nieuw altaar bestaande uit stenen, die onaangeroerd waren door ijzer en moordtuig.
Het land Israël bevindt zich op het kruispunt van vele beschavingen. Iedereen moest zich komen laven aan het G’ddelijk woord en dat meenemen naar huis. Dat is onze opdracht. Ook voor anderen moeten wij een lichtbaken zijn en het ethische en morele voorbeeld blijven geven.
5e alija, 27:11-28:6. Na de intocht moeten zes stammen bij de berg Geriziem en zes bij de berg Ewal staan. Daar zullen zij de (zegeningen en) vloeken horen, die het gevolg zullen zijn van het al dan niet houden van de Tora en de mitswot. De twaalf vloeken bestrijken verschillende gebieden in het Joodse leven, zowel op intermenselijk als mens-G’d vlak. Als we aandachtig luisteren naar de stem van Hasjeem, dan zal alles goed gaan.
6e alija, 28:7-69. De zegeningen gaan door met een belofte van overwinning. Maar wanneer wij niet luisteren, zal alles mislopen. Dit vloekgedeelte heet de Tochaga, letterlijk ‘de waarschuwing’.
“En U zult gaan in Zijn wegen” (28:9). Door sommigen wordt deze mitswa vertaald als Imitatio Dei oftewel het imiteren van Hasjeem. Het is maar de vraag of deze vertaling juist is. Bovendien kan men zich afvragen hoe de mens met al zijn gebreken in G’ds wegen kan gaan?
Volgens de Gemara (B.T. Sota 14a) betekent dit gebod, dat de mens even genereus en genadig kan zijn als het Opperwezen. Volgens Maimonides betekent dit gebod dat wij extremen moeten vermijden en altijd de gulden middenweg moeten volgen. We moeten niet te gierig zijn en ook niet te vrijgevig, ons niet te gauw kwaad maken maar ook niet apathisch toekijken bij alles wat er gebeurt. De reden, dat de grote Profeten G’ds eigenschappen beschrijven is omdat het wenselijk is dat de mens deze navolgt.
Gaan in Zijn wegen betekent volgens Rabbi Awraham ibn Ezra (1092-1167), dat wij de G’ddelijke eigenschappen omzetten in actie. G’d imiteren betekent niet al het aardse afwijzen maar er juist voor zorgen, dat wij niet geleid worden door lage instincten. Wij moewten inklikken op de hoogste G’ddelijke eigenschappen bij het uitvoeren van de mitswot.
7e alija, 29:1-8. Nadat het volk alle wonderen heeft gezien, roept Mosjé hen op om de afspraken met G’d na te komen.
