SJOFTIEM (rechters): Rechtvaardigheid moet steeds betracht worden. Afgodendienaren moeten worden onderworpen aan een grondig onderzoek met twee of drie getuigen.G’d kiest een koning voor je uit; hij moet bescheiden zijn in materiele zaken en hij moet een Tora-rol schrijven die hij altijd bij zich draagt. De priesters krijgen geen erfelijk bezit. Maar zij hebben recht op landbouwproducten. Luister niet naar waarzeggers van welke aard dan ook. G’d zal ware profeten zenden om het volk te leiden en geeft aan hoe valse profeten herkend kunnen worden. Er worden vluchtsteden ingesteld voor degenen, die per ongeluk een medemens gedood hebben. Dit om aan de bloedwreker te ontkomen. Een moordenaar moet bestraft worden. Als twee mensen een valse getuigenis afleggen, dan ondergaan zij het lot dat zij in petto hadden voor hun slachtoffer. Als er een oorlog ophanden is, dan moet een priester het volk moed inspreken: G’d is met jullie. Wie niet aan de strijd zullen deelnemen zijn zij die pas een huis gebouwd hebben, een wijngaard geplant, een huwelijksbelofte hebben gedaan, en zij die bang zijn. Als men de vijand nadert moet men eerst vrede aanbieden. Vruchtbomen mogen niet geveld worden in een oorlog. Als er dode wordt gevonden in het open veld, dan moeten de oudsten van de dichtstbijzijnde stad een kalf een dodelijke nekslag toedienen, hun handen erboven in onschuld wassen en verklaren dat zij niet schuldig waren aan de dood van deze mens. Koheen, 16:18-17:13. Er moeten rechters en politieagenten worden aangesteld om de wet af te dwingen. Het recht mag niet verbogen worden. Omkoopgeld is uit den boze. Partijen moeten gelijk behandeld worden. Rechtvaardigheid is noodzakelijk om in het land te blijven wonen. Er mag geen gewijde paal of geboomte worden geplant naast het altaar (dit is een afgodische praktijk). Gebrekkige dieren mogen niet worden geofferd. Afgoderij is een zware overtreding. Alles wat het Sanhedrin opdraagt moet men volgen, we mogen er links noch rechts van afwijken.
Levi, 17:14-20. Het is een mitswa om een koning aan te stellen. De koning mag niet te veel paarden hebben (meer dan zijn leger nodig heeft) en mag het volk niet terugbrengen naar Egypte (het is verboden om in Egypte te wonen, toeristische bezoeken zijn toegestaan). De koning mag niet te veel vrouwen hebben (niet meer dan 18) of te veel rijkdom verzamelen (alles dat nodig is voor het runnen van zijn rijk is toegestaan). Een koning moet een Torarol voor zichzelf schrijven.
De joden wilden een koning maar er gebeurde iets opmerkelijks. Toen de profeet en leider Samuel oud werd, kwamen de joden met het verzoek om een koning aan te stellen, “gelijk alle andere volkeren”. G’d en Samuel waren ontdaan. G’d vond het onjuist maar vertelt Samuel toch dat hij hun verzoek moest inwilligen: “Weet dat ze niet jouw verworpen hebben maar Mij”. Samuel waarschuwde het volk. De koning zou recht hebben op 10% belasting en kon verschillende herendiensten van het volk eisen. Toch bleef het volk persisteren. Zij wilden een koning. De eerste joodse koning werd aangesteld: Sja’oel.
De hele episode met de profeet Samuel is raadselachtig. De Tora stelt zelf dat men een joodse koning moest aanstellen. Waarom waren dan zowel Samuel als G’d teleurgesteld toen de joden dit ook daadwerkelijk vroegen? Sommige Geleerden stellen dat G’ds woede werd opgewekt omdat de joden wilden zijn als ‘alle andere volkeren’. De Filistijnse buren waren immers ook net overgegaan tot het aanstellen van koningen. Dit wilden de joden ook. Na-aperij van heidense gewoonten! Daarom werd de profeet woedend en was G’d teleurgesteld. Bovendien was hun verzoek enigszins prematuur. G’d deed duidelijke wonderen voor het volk tijdens het leven van Samuel en ze hadden eigenlijk geen koning nodig. G’d Zelf regeerde het volk.
Een koning mag niet teveel paarden houden, niet meer dan achttien vrouwen in zijn harem tellen en niet meer rijkdom vergaren dan nodig is om zijn leger in stand te houden. Bovendien moest hij een extra Torarol voor zichzelf schrijven en eens in de zeven jaar bij de grote volksbijeenkomst Hakheel grote stukken uit het boek ‘Dewariem’ voorlezen.
Koning Salomo hield er een uitgebreid harem op na. De reden dat dit niet mocht, luidt: “Opdat zijn hart niet van G’d afgewend zal worden”. Koning Salomo was de wijste van alle mensen en meende dat hij er 700 vrouwen en 300 bijvrouwen op na kon houden zonder G’d te vergeten. Salomo meende dat hij zo sterk was dat hij alle verboden tegen de koninklijke zelfingenomenheid zou kunnen weerstaan. Maar “het gebeurde, toen Salomo oud was, dat zijn vrouwen zijn hart deden afwijken naar andere goden en zijn hart was niet zo volledig meer met G’d”.
In de Tenachtekst lijkt het erop dat Salomo G’d vergat en altaren bouwde voor afgoden. Als hij werkelijk een afgodendienaar was hoe kon hij dan drie van de vierentwintig Tenachboeken redigeren: Kohelet (Prediker) Misjlee (Spreuken) en Hooglied. Voor afgodendienst kent de Tora maar één straf: steniging. Hoe kan men boeken van afgodendienaren heilig verklaren als onderdeel van Tenach?
Salomo was veel beter dan wij uit oppervlakkige lezing van Tenach kunnen opmaken. Hij wilde de wereld om zich heen ten goede beïnvloeden. Hij bezat ongelofelijke talenten. Daarom trouwde hij met de dochter van Pharao. Egypte was één van de grootste rijken en op die manier kon hij zijn zegenrijke Tora-invloed zelfs daar laten gelden. Natuurlijk gingen zijn vrouwen over tot het jodendom. Ze moesten beloven nooit meer afgoden te dienen. Sommigen vielen echter terug tot hun oude heidense rituelen. Zijn vrouwen woonden niet in een harem. Ieder had haar eigen huis en woonde rond Jeruzalem. Overal hield koning Salomo toezicht op de kosjere huishouding van zijn vrouwen, maar toen hij oud werd, lukte dat niet meer. Sommige van zijn vrouwen vielen terug. Dit wordt koning Salomo verweten. Dat had hij moeten voorzien!
Salomo meende dat hij dit allemaal kon voorkomen maar zodra zijn krachten het begaven was hij daar niet meer toe in staat. Tenach verwijt dit koning Salomo persoonlijk want als echtgenoot was hij verantwoordelijk voor het gedrag van al zijn vrouwen. Tenach is eerlijk en laat zelfs de kleinste fout van onze grootste leiders niet onbelicht.
Toch zegt de Talmoed duidelijk, dat iedereen die meent, dat koning Salomo een zonde heeft begaan, zich vreselijk vergist ! Het waren de zonden van anderen, die hem aangerekend werden. Tenach is geen boek om oppervlakkig te lezen. We moeten de diepe achtergronden begrijpen. Maar ook koning Salomo ontkwam niet aan hetgeen de Tora voorspelde, dat hij – zij het subtiel – het niet allemaal volledig kon trekken.
3e alija, 18:1-5. Levieten krijgen geen deel in land (behalve de steden die zij ontvangen van de andere stammen). Bovendien delen zij niet in de oorlogsbuit. Hun deel is dienstdoen in het Beet haMikdasj (Tempel). De Koheen krijgt 24 gaven.
4e alija,18:6-13. Kohaniem moeten de offers gelijk verdelen. Verwerpelijke praktijken van de volkeren mogen wij niet overnemen. Laat uw zoon/dochter niet door het vuur gaan. Astrologie en zwarte magie zijn verboden.
5e alija, 18:14-19:13. Naar profeten moeten wij luisteren (omdat wij bij de berg Sinai niet G’ds stem zelf wilden horen maar Zijn woord ontvingen via Zijn profeet Mosjé). Als een profeet in G’ds naam spreekt wat G’d niet geboden heeft of indien hij in de naam van andere goden spreekt, zal hij sterven. Als zijn voorspelling niet uitkomt, is hij een valse profeet.
6e alija, 19:14-20:9. Men mag grenspalen niet verzetten (landroof). Men mag geen vonnis vellen op grond van één getuige. Wanneer twee mensen vals getuigen (en hun complot aan speciale voorwaarden voldoet) worden zij gestraft op dezelfde wijze als zij de valselijk beschuldigde wilden laten veroordelen. We moeten niet bang zijn voor de vijand (ondanks hun numerieke overwicht). Er wordt een speciale koheen gezalfd om de mensen spiritueel voor te bereiden op de oorlog. Hij spreekt de soldaten moed in. Opzichters laten diegenen die pas een huis hebben gebouwd, een wijngaard hebben geplant of zijn verloofd, teruggaan naar huis. Diegenen die bang is word ook teruggezonden.
7e alija, 20:10-21:19. Voor de aanval moet er vrede worden aangeboden (dit betekent dat men de 7 Noachidische wetten moet accepteren. Wanneer een stad wordt belegerd, moet men oppassen de vruchtenbomen niet te vernietigen (dit is het verbod van ‘bal tasjchiet’, hetgeen uitgebreid wordt naar alle moedwillige en nutteloze vernielingen). Wanneer men een lijk vindt in een open veld, wordt er gemeten naar de dichtstbijzijnde stad. De ouderen van die stad doden met een nekslag een kalf in een onbewerkte vallei. Het gebied waar de ceremonie plaatsvindt, mag nooit meer beplant of bewerkt worden. De ouderen stellen, dat zij niet verantwoordelijk zijn voor deze doodslag. De oudsten van de dichtstbijzijnde stand zullen hun handen wassen boven de jonge koe en zullen betuigen: “onze handen hebben dit bloed niet vergoten en onze ogen hebben dit niet gezien. Doe verzoening voor uw volk Israël.”
Wanneer ergens op het veld een dode wordt aangetroffen en de doodsoorzaak onbekend is, wordt direct het Hooggerechtshof te Jeruzalem ingelicht. Vijf leden van dit college komen dan naar de plaats des onheils en meten de afstand van het lijk naar de dichtstbijzijnde gemeente. Deze wordt symbolisch de schuld aan deze tragedie in de schoenen geschoven. Was er een grotere stad in de buurt dan werd deze aangewezen en niet de meest nabijgelegen kleinere stad omdat de kans, dat de `trouble’ uit de grotere stad voort was gekomen groter was. Het hoogste gerecht van de aangewezen stad moest de dode begraven en een kalf brengen naar een onbewerkte vallei. Het dier kreeg dan een nekslag en de ouderen wasten hun handen in onschuld onder het uitspreken van de zin:”Onze handen hebben dit bloed niet vergoten en onze ogen hebben niet gezien” (Dewariem 21:7). De vallei mocht na deze procedure nooit meer bewerkt of bezaaid worden:”Laat een kalf gedood worden, dat nog geen vruchten heeft voortgebracht op een plaats, die nog nooit vruchten heeft voortgebracht om verzoening te doen voor de dood van deze man, die niet de gelegenheid heeft gekregen zich voort te planten” (Talmoed).
Niemand verkeerde in de veronderstelling, dat de dood de schuld van de leden van het Sanhedrien was geweest zodat zij `hun handen in onschuld zouden moeten wassen’. Het Sanhedrien bedoelde alleen, dat zij al het mogelijk hadden gedaan om dergelijke tragedies te voorkomen.”Wij hebben deze vreemdeling niet verwaarloosd door hem zonder voedsel of onbeschermd te laten vertrekken” (Rasji). Een opsteker in onze tijd van normen en waarden. Een stadsbestuur is verplicht om ook zorg te dragen voor het welzijn van vreemdelingen tijdens het vervolg van hun reis!
Met een betere begeleiding had de moord of dood voorkomen kunnen worden. Maar hoe had het meegeven van proviand voor onderweg de dood kunnen voorkomen? Wanneer wij mensen zonder middelen van bestaan maar laten voortmodderen, is de kans groot, dat zij gaan stelen en anderen aanvallen om aan hun dagelijks brood te komen waardoor zij in gevaar komen. Daarom verklaarden de leden van het Sanhedrien, dat zij het slachtoffer niet hadden laten vertrekken zonder eten en drinken. Toch loopt er nog ergens een onbestrafte dader rond waarvoor men verzoening moet vragen:”Schenk verzoening aan Uw volk Israël” (21:8). En dit ging in feite het hele volk aan omdat een perfecte maatschappij geen moordenaar had voortgebracht. Daarom, stelt Rabbi Awraham ibn Ezra (1092-1167), is dit een zaak, die iedereen aangaat:”Schenk verzoening aan Uw volk Israël”. De Awi Ezer (19e eeuw, Posen) gaat hierop in. Het is de taak van de leiders van een gemeenschap er op toe te zien, dat de morele standaarden gehandhaafd blijven. Niet alleen de financiële welvaart maar juist het spirituele niveau moet bovenaan ons prioriteitenlijstje staan. Volgens Rabbi Mosje Alsjiech (16e eeuw, Tsefat) ligt hierin ook de betekenis van de meetprocedure naar de dichtstbijzijnde stad. Deze gaf aan waar de verantwoordelijken naar alle waarschijnlijkheid gefaald hadden.
Maimonides (12e eeuw) ziet het opnemen van de afstand, de verklaring van onschuld en het breken van de nek van het kalf als procedures om een crisissfeer in de stad te creëren, zodat opsporing van de dader bespoedigd wordt. Omdat het land waar het lijk gevonden werd, niet beploegd mag worden zolang de dader niet gevonden is, zal dit een stimulans vormen voor de landeigenaar om de intensiteit van de zoektocht stevig op te voeren. Dit vormt een zeer rationele uitleg van de bepalingen van de egla aroefa (het te nekken kalf), die echter door Nachmanides (13e eeuw) verworpen wordt:”G’ds geboden zijn ondoorgrondelijk”.
Rabbi Jitschak Abarbanel (15e eeuw) ziet in de gebroken nek van het kalf gebrek aan moed en oprechtheid. Alles gebeurde achter de rug van het slachtoffer om. Degene, die het kalf nekt, gaat geen directe confrontatie aan met het dier. Zo was ook het misdrijf. Het slachtoffer werd op slinkse wijze gedood – van achteren als het ware. De procedure was bedoeld om het publieke geweten wakker te schudden en de algemene verontwaardiging te mobiliseren.
