DEWARIEM (Woorden): De Bné Jisraeel staan op het punt de Jordaan over te trekken. Mosjé drukt het volk op het hart toch vooral G’ds geboden te houden. Hij noemt de wonderen die G’d verricht heeft. De generatie van de verspieders sterft in de woestijn, behalve Kalev en Jehosjoea. Mosjé zelf mag het Land ook niet intrekken. De stammen Reoeween, Gad en de halve stam Menasjé krijgen grond aan de oostzijde van de Jordaan en dienen als stoottroepen bij de verovering. Voorts worden de oorlogen en veroveringen genoemd, ook de nederlagen en de volkeren tegen wie de Bné Jisraeel het zwaard niet mochten opheffen Het boek Dewariem wordt ook wel Misjné Tora (herhaling van de Tora) genoemd hoewel het meer dan 70 nieuwe Mitswot bevat.. Volgens de Gaon van Wilna kan het vijfde boek van de Tora in drieën worden verdeeld. Tot de tien geboden (5:6-5:19) deelt Mosjé alleen maar standjes uit. Daarna is er een gedeelte waar de Mitswot (geboden) worden uitgelegd. Vervolgens gaat Mosjé heel diep op de betekenis van de Tora in. Verder wordt de wereldwijde verspreiding van het Joodse volk voorspeld, maar ook de uiteindelijke verlossing (30:3).
Koheen, 1:1-11. Mosje geeft standjes over het verleden en memoreert de overwinningen op de Emori en Chesjbon om het volk vertrouwen te geven voor de verovering. Het doel is G’ds wetten nakomen in het land.
Vijf weken voor Mosjé’s petira (overlijden) gaf G’d opdracht om het hele volk te verzamelen, alle details van de Tora nogmaals door te nemen en alle twijfelpunten op te lossen. Iets meer dan een maand later zou Mosje overlijden. Mosjé meende dat het juist was om zijn halachische verhandeling vooraf te doen gaan door harde woorden. Zonder Jirat Sjamajiem (G’dsvrees) zullen de geboden niet goed nagekomen worden.
Levi, 1:12-21. Mosjé vertelt, dat hij niet meer in staat was om het volk alleen te leiden en dat hij de leiders van de
stammen als rechters over het volk heeft aangesteld op G’ds bevel. Rechters moeten zich onderscheiden door Torakennis en andere kwaliteiten. Het is verboden om een rechter aan te stellen om de verkeerde redenen (rijkdom, charisma of relaties). Rechters moeten eerlijk en onpartijdig zijn en mogen de partijen niet vrezen. Mosjé bleef de hoogste autoriteit voor moeilijke zaken. Het volk wordt aangespoord niet te vrezen voor de toekomst.
Waarom worden er een aantal ge- en verboden herhaald in Dewariem? De Maĝied van Dubno heeft deze vraag voorgelegd aan de Gaon van Wilna. Deze antwoordde hem: “De eerste vier boeken van de Tora zijn via de “keel van Mosjé” door G’d Zelf uitgesproken. Het boek Dewariem is echter te vergelijken met de boeken van de profeten. Toen die overgedragen werden aan het joodse volk was het woord van G’d al verdwenen. De meeste profeten, en zo ook Mosjé in het laatste boek van de Tora, spraken in opdracht van G’d maar waren geen instrument in de Hand van G’d, waardoor Hij Zijn opdrachten doorgaf. De Maharal van Praag (16e eeuw) illustreert dit met een befaamd gezegde (B.T. Meĝilla 31b): “De eerste kelalot (vloeken) in Wajikra werden door G’d zelf uitgesproken maar de vloeken in Dewariem zijn door Mosjé uitgesproken”. En ook hier geldt hetzelfde: in de hele Tora is G’d aan het woord (en Mosjé slechts het instrument waardoor de spraak hoorbaar wordt) maar in Dewariem is Mosjé slechts de gezant van G’d. Daarom staat er dat hij zelf sprak, want G’d legde Zijn woorden
niet meer in zijn mond. Mosjé was oorspronkelijk een man, die “zwaar van mond en zwaar van tong was”.
Daarom was het duidelijk dat G’d sprak vanuit zijn keel maar na de eerste vier boeken van de Tora was Mosjé genezen van zijn gebrek. Nu kon hij zelfstandig praten in opdracht van G’d.
Hogere heiligheid
De Lubavitscher Rebbe legt het verschil tussen de eerste boeken van de Tora en het vijfde boek totaal anders uit. Het vijfde boek is van een nog hogere heiligheid dan de eerste vier boeken. Hier spreekt Mosjé in de eerste persoon alsof hij zich totaal vereenzelvigt met het Opperwezen. Volgens andere meningen zijn de eerste vier boeken van de Tora een letterlijke weergave van G’ds woorden. In Dewariem legt Mosjé alle ge- en verboden nogmaals uit, maar nu naar eigen inzicht. G’d is boven de tijd verheven. Daarom geldt voor de eerste vier boeken van de Tora dat er geen chronologische volgorde van de gebeurtenissen is maar in Dewariem is Mosjé aan het woord die wel aan tijd gebonden is. Daarom kan men goed begrijpen waarom Rav Jehoeda in het vijfde boek van de Tora wèl een chronologische volgorde erkent en daar ook halachische gevolgen aan verbindt.
3e alija, 1:22-38. De nieuwe generatie hoort de episode van de verspieders.
“Toen naderden jullie allen tot mij en zeiden jullie:`Laat ons mannen voor ons uitzenden, opdat zij voor ons het land verspieden” (1:22). De stukjes van de puzzel vallen op hun plaats. Langzamerhand krijgen we een totaalbeeld van het drama van de verspieders. Reeds in de manier waarop het verzoek om verspieders te sturen tot stand kwam, lag de kiem voor de uiteindelijke mislukking. Rasji legt uit, dat ‘jullie allen’ er op duidt, dat iedereen door elkaar Mosje benaderde. Er was geen respect voor elkaar – een euvel dat ons tot op de dag van vandaag (we leven nu in de negen dagen) nog steeds in de houdgreep heeft: kinderen duwden de ouderen weg en de ouderen drongen de hoofden van de stammen opzij. Zonder eerbied voor elkaar, geduld en beleefdheid kunnen de beste bedoelingen omslaan in hun tegendeel (vgl. Siftee Chagamiem).
Maar waarom stemde Mosje dan in met het spionageverzoek? “De zaak was goed in mijn ogen”(1:23). In mijn ogen leek het goed maar G’d was niet akkoord omdat het in feite een motie van wantrouwen was tegen G’ds beleid om het volk naar `een land vloeiende van melk en honing’ te voeren. Maar waarom bespreekt Mosje dit spionageverzoek in een strafrede tegen het volk als hij het zelf ook een goed plan vond? Mosje vond het eigenlijk helemaal geen goed plan. Maar waarom `was de zaak dan goed in mijn ogen’? Ook hier speelde de opdringerigheid, het ongeloof en het ongeduld van de Joden hun parten. Stel, dat Mosje het verzoek geweigerd had. Dan had iedereen geroepen, dat Mosje geen verspieders wil zenden omdat hij bang was dat de `Goldene Mediene’ niet werkelijk zo’n hemel op aarde was als hij hen had voorgespiegeld. Daarom moest hij noodgedwongen wel instemmen met hun onderzoeksvraag. Maar happy was hij er zeker niet mee omdat hij wel blind vertrouwde op G’ds wereldleiding.
4e alija, 1:39-2:1. Mosjé waarschuwt de blunders van de vorige generatie niet te herhalen. Zij huilden dat hun kinderen wezen zouden worden maar deze kinderen staan nu op het punt het Land binnen te gaan. Mosjé vertelde ook van de tragische gevolgen van de pogingen om het land tegen G’ds wil binnen te trekken. Het werkt niet zonder G’ds hulp en het kan niet mis gaan met G’ds hulp.
5e alija, 2:2-30. Het volk ging naar het noorden en krijgt de opdracht om niet te vechten met het volk van Esau. Ze mochten alleen water en voedsel kopen voor op reis. Ook het land Moaw was een erfdeel voor de afstammelingen van Lot. Verder worden er verschillende volkeren genoemd in verschillende landen in de regio. Achtendertig jaar had men door de woestijn getrokken totdat G’d het gebod vertelde om het land van Ammon en Moaw door te trekken zonder strijd. Maar Edom en Ammon/ Moaw zouden de strijd aanbinden. Sichon werd vrede aangeboden maar hij verwierp het. Zijn land werd veroverd.
”En water zult u mij voor geld geven dan zal ik dat drinken; alleen te voet wil ik door uw land trekken” (2: 28). Deze pasoek (vers) dient in de Talmoed (B.T. Awoda Zara 35b) als bron voor een bekende regel in de Joodse keuken: “Hoe zit het met water? Dat verandert niet van kwaliteit door koken. Zo ook geldt dit voor alle etenswaren die niet door koken van kwaliteit veranderen. Al deze gerechten zijn toegestaan, ook al werden ze gekookt door anders-gelovigen. Maar voedsel dat intrinsiek verandert door het kookproces, mag men niet door mensen van een andere religie laten koken”. Wij mogen alleen voor onszelf koken. Wanneer mensen voor ons zouden koken die niet op de hoogte zijn van de kasjroet-regels, zouden ze wellicht melk en vlees door elkaar halen of treife voedsel binnenbrengen. Bovendien zou men gemakkelijk tot een huwelijk kunnen komen wanneer men samen met de omgeving zou eten. Eten en drinken verboedert. Door dit verbod wordt een dam opgeworpen tegen te innige contacten met andere geloven. Bisjoel Akoem, gerechten gekookt door anders-gelovigen, is overigens niet de enige Rabbinale ingreep in sociale contacten.
Ook brood werd verboden, hoewel minder stringent dan overige gerechten. In plaatsen waar geen kosjere bakker is, mag men echter gewoon brood bij de bakker kopen, als men er zeker van is dat er geen verboden ingrediënten in zitten. Tosafot (ong. 1250) is nog van mening, dat er verschil gemaakt kan worden tussen gerechten die buitenshuis en die binnenshuis geprepareerd werden. Volgens Tosafot geldt het verbod alleen maar voor voedsel dat buiten de deur werd klaargemaakt zonder toezicht. Maar wanneer ons eigen personeel eten in onze eigen keuken klaarmaakt, hoeven we niet bang te zijn voor assimilatie. Rabbenoe Tam (12de eeuw, Provence) is het met deze opvatting totaal oneens en zo is het ook voor de halacha lema’ase (praktijkvoorschrift). Rabbi Mosjé Isserles (1520-1577) wil met de verlichtende opinie meegaan omdat het bij ons thuis gebeurt, het personeel bij ons in dienst is, keukenwerk geen ‘liefdewerk oud papier’ is en het bijna ondenkbaar is, dat geen van de huisgenoten het vuur op één of andere manier aansteekt of oppookt en zo het koken dus bevorderd wordt door één van onze huisgenoten. Toch is de Aroch haSjoelchan, het hier niet mee eens. Alleen in uiterste noodgevallen kan men zich op deze mening van Rabbi Mosjé Isserles verlaten maar niet voor de dagelijkse praktijk.
Uiteindelijk beslist de Talmoed, dat onder het verbod van Bisjoel Akoem alleen maar dingen vallen, die door verwarming in kwaliteit verbeteren en alleen voor waren die ook bij ‘chique’ gelegenheden (letterlijk “aan koningstafels”) geserveerd worden.
Bij de bepaling van de vraag of iets ongekookt, rauw gegeten kan worden, volgen we de meeste mensen in een bepaalde streek. Wanneer iedereen bijvoorbeeld peren rauw eet terwijl ik ze alleen maar gestoofd lust, vallen gestoofde peren niet onder het verbod van Bisjoel Akoem (uiteraard moet men dan nog steeds controleren of er geen treife ingrediënten gebruikt zijn en of de pannen waarin deze peren gestoofd zijn, kosjer waren). Iets wat ingemaakt is, gezouten of gerookt is, valt niet onder het verbod van Bisjoel Akoem. Bisjoel Akoem heeft er mede toe bijgedragen, dat wij – ondanks 2000 jaar galoet – nog steeds onze identiteit hebben bewaard.
6e alija, 2:31-3:14. Mosjé vertelt over de overwinning over Sichon en zijn land. Og, koning van Basjan, werd ook veroverd. Mosjé gaf deze landen aan Re’oeween, Gad en half Menasje. De overwinningen ten oosten van de Jordaan gaf weer moed.
7e alija, 3:15-22. Mosjé herhaalt instructies voor de twee en een halve stam: pas na verovering van Israël zullen ze terug mogen keren naar hun families en steden. Mosjé gaf opdracht aan Jehosjoe’a om niet bang te zijn aan de westkant van de Jordaan.
