MASA’EE (tochten): Een lange rij van plaatsen wordt opgenoemd waar de Bné Jisraeel hun kampen opslaan in de 40-jarige woestijntocht. Als ze het Land binnentrekken moeten ze alle bewoners verdrijven en de afgodsbeelden vernietigen. Zo niet, dan zullen ze ‘tot doorns in je vlees worden’. Aharon moet de berg Hor bestijgen, alwaar hij sterft. Nog eens wordt besproken hoe de verdeling van Het Land moet verlopen en ook worden de grenzen genoemd. De Levieten krijgen 48 eigen steden en grond eromheen; zes ervan zijn tegelijkertijd de asielsteden waarheen iemand die per ongeluk een moord gepleegd heeft, kan vluchten. Drie ervan aan de ene en drie aan de andere kant van de Jordaan. Enkele stammen zien in dat, als de dochters van Tselofchad trouwen buiten de eigen stam, ze hun grondbezit mee zullen nemen naar die andere stam. HaSjeem stelt vast, dat de dochters binnen de eigen stam moeten trouwen. Hiermee eindigt het vierde boek van de Tora Koheen, 33:1-10. Levi, 33:11-49. Opsomming van 22 plaatsen waar de Joden gelegerd waren gedurende hun tochten door de woestijn.
3e alija, 33:50-34:15. G’d geeft opdracht om het Land te veroveren en zich daar te vestigen. De grenzen van het Land worden precies beschreven.
De stammen Reoeween, Gad en half Menasjee hadden zich met een eed verbonden om vooruit te trekken bij de verovering van Israel. Geloften en eden worden in de Joodse wet zeer zwaar genomen. Maak er geen gewoonte van om geloften af te leggen, zweer zo min mogelijk. Daarom vertel ik alle gabbaiem dat zij bij het sjnoderen altijd `belie neder’ moeten toevoegen. Waarom is het niet goed om geloften af te leggen? Omdat men zich vastlegt op het huidige religieuze groei-niveau. Vandaag is het extra leren van nog een Talmoedpagina een geweldige zaak waarvoor ik een gelofte zou willen afleggen, Het Jodendom gaat er echter vanuit, dat een mens moet groeien in zijn Jodendom. Morgen is dit al weer te weinig. Geloften afleggen getuigt van een statisch mensbeeld. De Tora heet: Torat Chaijiem – de leer van het leven. Leven veronderstelt groei. Wij moeten `stijgen’ in onze Jiddisjkeit. De Talmoed vergelijkt iemand, die een gelofte doet met iemand die een offerheuvel maakt wanneer dat verboden is. En wie [de gelofte] houdt is als iemand die op zo’n offerheuvel een offer heeft gebracht. Daarvoor is hij schuldig omdat hij buiten de Azara, het voorhof van de Tempel geofferd heeft. Het
is zeker wel een offer maar voldoet niet aan alle criteria, die voor een goede Jood gelden.
Het is beter om helemaal geen geloften af te leggen. Heeft men dit wel gedaan dan is het niet onverdienstelijk om ontheffing te vragen van geloften. Dit geldt echter uitsluitend bij geloften in het algemeen maar geloften met een heilig doel moeten worden nagekomen: „Nedarai LaSjeem asjaleem – Mijn geloften aan Hasjeem zal ik vervullen.” Voor mitswa-nedariem (geloften) vraagt men slechts in geval van nood ontheffing.
Zo ook moet men proberen zweren en eden te vermijden. Als men toch gezworen heeft, moet men die niet proberen te ontduiken. Ook al heeft men er spijt van, toch moet men de eed nakomen. Zo staat er in de Psalmen over een deugdzaam mens: „Wie in zijn eigen nadeel zweert en het niet verandert.” En de pasoek (het volgende vers) vervolgt: „Wie zo handelt, zal nooit wankelen.” Alleen in geval van nood mag men bij een Beet Dien proberen van een eed ontheven te worden.
4e, 5e en 6e alija, 34:16-35:8. De nieuwe stamleiders worden genoemd die de verdeling van het Land zullen leiden. De Levieten krijgen 48 steden, omdat ze geen land in Israël krijgen. Hieronder vallen ook de 6 vluchtsteden en de 2.000 el rondom iedere stad.
Een goede milieu-infrastructuur voorkomt veel ellende. Ook de Tora doet aan stadsplanning. In Masa’ee wordt voorgeschreven, dat rond de achtenveertig Levietensteden een ruimte van duizend el moest worden opengelaten als noi la’ier – stadsschoon, waar niet gebouwd mocht worden en waaromheen nog eens een gordel van tweeduizend el landbouwgrond gepland moest worden. Volgens Maimonides (1135-1204, Egypte) gold deze bepaling voor alle steden in het Israel. Misschien wilde de Tora ook het ontstaan van gigantische stadsagglomeraties voorkomen. Milieuvervuiling wordt in moderne publikaties overigens veel te technisch behandeld. Milieuproblematiek is veel meer een moreel dilemma. Aan de basis van iedere vorm van water-, grond- of luchtverontreiniging staat een onverantwoordelijk individu, dat zijn afval ten laste van de gemeenschap uitstoot en het niets kan schelen welk effect zijn milieumisdrijf heeft, zolang het hem maar uitkomt. De bekende schrijver Aryeh Carmell wijst op een interessante coïncidentie van materiële en spirituele vervuiling, juist in onze dagen. Het is ironisch, betoogt hij, dat de wereldopinie volledig gepreoccupeerd wordt door milieuvervuiling maar er nauwelijks aandacht lijkt te bestaan voor de constante vervuiling van ons morele besef. Dag in, dag uit worden wij gebombardeerd met indrukken van geweld, zedeloosheid en misdaad. Dr. Paul Ehrlich, een van de grootste ecologen uit onze tijd, sprak hierover reeds zijn bezorgdheid uit. Met de Tora in de rechterhand zijn wij in staat onszelf en onze kinderen te beschermen tegen de gevaren van de spirituele vervuiling, die sommige culturen ons opdringen.
7e alija, 35:9-36:13. De vluchtsteden moeten iemand, die per ongeluk een ander gedood heeft, beschermen. Ook een opzettelijke moordenaar kan daar zijn proces afwachten. Men mag een moordenaar niet doden totdat hij veroordeeld is. Iemand die een ander per ongeluk gedood heeft moet naar een vluchtstad toe. Getuigen kunnen niet ook als rechters functioneren. Een moordenaar moet zijn straf ondergaan. Voormannen van de stam Menasjee, waartoe de dochters van Tselofchad behoorden, benaderen Mosjé en stellen dat de dochters van Tselofchad door een huwelijk buiten de stam hun land zouden meenemen naar een andere stam. Dat was alleen in die generatie verboden.
“Maar een getuige kan niet tegen een persoon getuigen” (35:30). Omdat het Jodendom hecht aan een eerlijk, fair proces zijn de formele eisen om tot een veroordeling te komen zeer streng. Zo waren voor een veroordeling minimaal twee getuigen nodig. Als in halszaken eenmaal a decharge was getuigd kon een getuige zijn getuigenis niet later intrekken en een beschuldigende verklaring afleggen. In civiele zaken kon een getuige ook nooit lid van het Beet Dien worden. Volgens de Rabbijnse wet was dit overigens wel mogelijk. Wanneer een boodschapper een get (echtscheidingsbrief) van een ver land brengt en daarbij getuigt, dat hij gezien heeft hoe de get geschreven en getekend werd, kan hij in principe met twee andere dajaniem (rechters) een Beet Dien vormen en de get aan de vrouw overhandigen.
Toch werd de getuigenis van een getuige onder omstandigheden aanvaard. In agoena-problemen, waarbij de onbestorven weduwe wacht op een duidelijk overlijdensbericht van haar man, kan onder omstandigheden een getuige volstaan met de verklaring, dat hij haar man bijv. heeft zien sneuvelen op het slagveld. Met deze getuigenis zou een vrouw kunnen hertrouwen. In het geval iemand dood wordt gevonden tussen twee steden vindt de procedure van de egla aroefa – het te nekken kalf – plaats, een soort verzoeningsprocedure. Wanneer er van de moord een getuige aanwezig is, vindt de gehele procedure niet plaats. In sommige gevallen van ontrouw moest een vrouw – de Sota – een bepaald mengsel drinken in het Beet HaMikdasj die aantoonde of er werkelijk sprake was van overspel of niet. Wanneer er een getuige was van overspel werd de gehele procedure gecancelled.
Met Nachmanides (Ramban, 13e eeuw) kan men de eis van twee getuigen zien als een gezerat hakkatoev, een besluit van de Tora, waarvoor geen werkelijk logische grond te geven is. Aan de andere kant kan men zich toch voorstellen dat er wat voor te zeggen valt. Als er slechts een getuige tegenover de verdachte staat, is het zijn woord tegen het woord van de ander. Dat zou dan een tegen een zijn, hetgeen geen vertrouwen inboezemt. Bovendien is het niet ondenkbaar dat een bepaald iemand zijn naaste dusdanig hartgrondig haat, dat hij bereid is een valse getuigenis af te leggen of een verwrongen realiteitsbesef heeft waardoor hij de daden van de gedaagde – uiterst subjectief – als kwaadaardig bestempelt terwijl een gunstig oog zijn gedrag in een positief licht had bezien. Het is echter veel minder waarschijnlijk, dat twee getuigen een valse verklaring zullen afleggen. Vandaar dat dit door de Tora geëist wordt.
Deze rechtsregel toont hoeveel belang de Tora hecht aan een hoge kwaliteit van rechtspleging. De Tora gaat er van uit dat een maatschappij zonder rechtssysteem geen lang leven beschoren is. Het voorschrift om een systeem van recht en rechtvaardigheid in te voeren geldt overigens voor iedere samenleving ongeacht de gezindte. De vestiging van een rechtsorde vormt één van de Noachietische geboden, die tot de gehele mensheid gericht zijn.
De Tora werd aan een geheel volk gegeven en niet aan individuen. Het hoofddoel van de Tora is in eerste instantie niet het individuele zieleheil maar is veeleer gericht op het inrichten van een rechtvaardige samenleving. Alle aspecten en instanties van een Tora-samenleving moeten doordrongen zijn van een geest van liefdevolle rechtvaardigheid. De Joodse wet schrijft eigenlijk voor, dat, indien men in een onrechtvaardige en corrupte maatschappij leeft en er geen uitzicht op is, dat deze samenleving in de goede richting beïnvloed kan worden, men zo spoedig mogelijk de geboortegrond moet verlaten om een gemeenschap te vinden, die de idealen van de Tora dichter benadert. De continuïteit van de wereld is gebaseerd op rechtvaardigheid. De Chagamiem (Wijzen) zeiden eens: “Hij, die rechtvaardig rechtspreekt, heet G’ds partner in de Schepping”.
Maar de Tora van liefde is tevens de Tora van gerechtigheid. Zo moet het ook zijn. In een maatschappij, waar onrecht getolereerd wordt, kan liefde niet bloeien. In deze geest benadert de Tora het liberale dilemma. Het resultaat is vaak dat meer consideratie wordt getoond voor de misdadiger dan voor het slachtoffer. De Tora leert, dat een zachte aanpak, die misdaad bevordert, slecht is en dat een harde aanpak van misdaad niet a a-priori slecht is. De Chagamiem stelden, dat “Hij die goed is voor wreedaardige mensen uiteindelijk wreed is voor de zachtmoedigen”. Dwang is soms noodzakelijk om crimineel gedrag een halt toe te roepen. In onze ‘permissive society’ blijft dit overigens een groot probleem.
Het Tora-recht kent overigens een geheel eigen structuur. Alle geboden zijn gericht op het individu. In een theocratie is iedere heerschappij voorbehouden aan het Opperwezen. G’d kent echter geen verplichtingen. De plichten richten zich op het individu. Mensen zijn tegelijkertijd subject en object van Tora-opdrachten. Door het navolgen van een G´ddelijk gebod volvoert men G’ds wil, wat ervaren wordt als een geloofsdaad. Daarnaast kent ieder gebod ook een positieve bijwerking als neveneffect. Vertaald in juridische termen betekent dit, dat het niet de Staat is die de mensenrechten garandeert en handhaaft, maar dat dit overgelaten wordt aan iedereen individueel. Plichten worden vaak uitgedrukt in zeer algemene termen, waaraan door derden geen tastbare voordelen en rechten kunnen worden ontleend. Degene, die door een bepaald ge- of verbod beschermd of bevoordeeld zou moeten worden, heeft doorgaans geen juridische middelen om zijn (mensen)rechten af te dwingen.
