Parsja 46 Matot (Bemidbar/Numeri 30:2–32:42) 30 juli ’05/ 23 Tammoez ’65

MATOT (staven): Numeri 30:2 – 32:42. Als iemand een eed of een gelofte aflegt dan moet die precies uitgevoerd worden, maar een vader of een echtgenoot kan eventueel de eed of de gelofte van dochter of echtgenote teniet doen. De oorlog met de Midjanieten begint. De vrouwen worden gespaard. Daarover is Mosjé kwaad, want juist de vrouwen vormden de valstrik. Alleen de kleine meisjes mogen blijven leven. De buit wordt geteld. Daarna moeten de mannen zichzelf en objecten van onreinheid bevrijden, buiten de legerplaats. De buit is voor de helft voor hen die ten strijde waren getrokken, de andere helft is bestemd als gewijde gave. Omdat alle soldaten uit de oorlog weerkeerden, gaf men uit dankbaarheid goud als gewijde gave. De stammen Gad en Re’oeween hebben veel vee en willen ten oosten van de Jordaan blijven, omdat daar veel weidegrond is. Mosjé vreest dat de andere stammen bang zullen worden en dat HaSjeem boos zal zijn, maar de beide stammen beloven plechtig dat ze eerst Het Land zullen helpen veroveren en pas daarna terugkeren naar hun kudden. Als Mosjé dat hoort is hij tevreden. Later voegt de halve stam Menasjee zich bij hen. Koheen, 30:2-17. Men mag zijn belofte niet ontwijden. De gelofte van een meisje tussen de 12 en 12,5 jaar kan worden opgeheven door haar vader (maar alleen op de dag dat hij daarvan hoort). De man kan de gelofte van de vrouw opheffen (wanneer die aan hun relatie in de weg staat). Levi, 31:1-12. Pinchas gaat mee als ‘legerrabbijn’. Het leger van 12.000 man doodt alle mannelijke Midjanieten inclusief de vijf koningen en Bileam. Vrouwen, kinderen en het vee worden buitgemaakt. Steden en paleizen worden verwoest. Het leger keert terug naar Arwot Moaw.

Geloften nemen een belangrijke plaats in in het Jodendom. Wanneer men een offer belooft aan de Tempel moet men zijn gelofte nakomen op de eerstkomende Jom-Tov (feestdag), wanneer men Jeruzalem bezoekt. Geloften mag men nooit lichtvaardig afleggen. Iedere gelofte draagt het risico in zich dat het niet uitgevoerd wordt en dat is een slechte zaak. In drie gevallen echter wordt aangeraden om wèl een gelofte af te leggen, wanneer men ook serieus van plan is deze uit te voeren. Allereerst kan men van een slechte gewoonte proberen af te komen door met een gelofte het besluit tot zelfverbetering te versterken. Zo kan men van alcoholisme of roken afkomen. Ten tweede was het een traditie van Aartsvader Ja’akov om een gelofte aan G’d te doen in tijden van nood. Daarnaast mag men, als men een mitswa kan uitvoeren, “bezweren” om deze gelegenheid niet onbenut voorbij te laten gaan.
Opheffing Wanneer men zich realiseert, dat het onmogelijk is om een gedane gelofte te vervullen, kan men naar een grote geleerde gaan of naar drie leken om de gelofte te laten opheffen. Men moet dan verklaren dat men op het moment van het afleggen van de gelofte niet volledig de implicaties daarvan realiseerde. Had men zich dat wél gerealiseerd, dan had men deze gelofte nooit afgelegd. Daarom is de gelofte in dwaling geschied en kan hij opgeheven worden.
Praktijkvoorbeeld Een praktische toepassing van het opheffen van geloften is het geval van een tsedaka-donateur, die van zijn gebruikelijke schenkingsbestemming wil afwijken. Neem het geval van de man, die zijn tienden altijd besteedde aan het ondersteunen van armen in Israël. Stel nu, dat enkele van zijn familieleden plotseling in ernstige financiële problemen raken doordat een kostwinner wegvalt. In een dergelijk geval heeft deze donateur niet alleen het recht maar ook de plicht om een aanzienlijk gedeelte van zijn tienden (tsedaka) aan zijn familieleden te spenderen in plaats van aan armen in Israël. Daar een onverplichte religieuze daad de status van een gelofte krijgt, moet men opheffing van geloften aanvragen bij de bevoegde Rabbinale autoriteiten alvorens van tsedaka bestemming te veranderen. Toch mag dit er niet toe leiden, dat men geloften licht neemt. Daarom wordt deze sidra (Tora-afdeling) ook gericht aan de stamvoorzitters. Normaal richt G’d zich tot de Kinderen Israëls of de Kohaniem (Priesters).
Stamoudsten Waarom is het hier anders? Nachmanides (1194-1270) stelt, dat deze voorschriften niet direct voor het gewone volk bedoeld waren. Wanneer de mensen zouden horen dat men zelf zomaar een gelofte zou kunnen opheffen, zouden ze de zaak niet serieus nemen. Daarom werd deze wetgeving alleen gericht aan de stamoudsten. Rabbi Mosjé Sofeer (1762-1839, Hongarije) geeft echter een ander antwoord op deze vraag. Hij citeert het verhaal van de Richter Jiftach, die te snel een offer aan G’d beloofde na een overwinning op de Ammonieten. Het offer bleek uiteindelijk zijn dochter te worden. Waarom is Jiftach niet naar de Hogepriester uit die tijd, Pinchas, gegaan om zijn gelofte te laten opheffen? Pinchas wachtte tot Jiftach bij hèm zou komen en Jiftach wachtte, omdat hij de leider was van het volk, tot Pinchas bij hèm zou komen. Iedereen probeerde zijn eigen “kowed” te koesteren. Dat kostte het levensgeluk van de dochter van Jiftach. Beiden werden gestraft. Pinchas verloor zijn geestelijke inspiratie en Jiftach stierf een jammerlijke dood. Vreselijk! Wat we allemaal niet doen voor onze kowed! Soms wordt het welzijn van hele families en stammen opgeofferd aan het ego van één persoon. Triest maar waar.

3e, 4e en 5e alija, 31:13-54. Mosjé, Elazar en de stamvorsten gaan naar buiten om de terugkerende soldaten te begroeten. Mosjé was kwaad dat de officieren de vrouwen van Midjan in leven hadden gelaten, omdat zij juist de grote slachting onder Israël in de affaire van Ba’al Pe’or hadden veroorzaakt. Alleen de kleine meisjes blijven over als krijgsgevangenen. De soldaten moesten zeven dagen buiten het kamp blijven, omdat ze ritueel onrein waren vanwege de oorlog. Elazar, de koheen, geeft voorschriften voor het kasjeren en touwelen (onderdompelen) van het buitgemaakte eetgerei. G’d liet Mosjé de oorlogsbuit tellen. Deze wordt gelijk verdeeld tussen soldaten en burgers; 1/500 was de belasting voor de soldaten, 1/50 (standaardbedrag van teroema = heffing) gold voor de burgers. Deze belastingen werden overgedragen aan Elazar, de Koheen. De officieren benaderen Mosjé met goudgaven als dank voor HaSjeem dat niemand gesneuveld was in de oorlog.

In de oorlog met Midjan werd allerlei eetgerei buitgemaakt. De Tora geeft twee voorschriften die niet zo duidelijk uit de tekst blijken. Om treife (niet kosjere) voorwerpen kosjer te maken, moesten zij door vuur gehaald worden en daarna nog een keer in een mikwe worden ondergedompeld om ze als het ware Joods te maken. Het mikwe wordt ‘water van nida’ genoemd, omdat beide reinigingsprocedures – van de nida-vrouw en van eetgerei dat van elders komt – van dezelfde disharmonie met de omgeving blijk geven. Het kosjer-maken door uitbranden noemen we in het Nederlands ‘kasjeren’, waardoor de treife resten en absorpties uit het voorwerp gekookt of gebrand worden. Het proces waarbij niet-Joods vaatwerk geschikt wordt gemaakt voor gebruik in een Joods gezin noemen wij ‘touwelen’. Wanneer men gebruikte voorwerpen van niet-Joden koopt, moet men het normaliter eerst kasjeren (indien het voor voedsel is gebruikt) en pas daarna touwelen. De touwelplicht geldt ook voor nieuwe voorwerpen die men in de winkel koopt.

Het mikwe wordt gezien als een baarmoeder van waaruit alles vernieuwd en verbeterd terug kan keren. Het mikwe bestaat uit water. Water symboliseert verandering, groei en ontwikkeling. In het Scheppingsverhaal wordt verteld, dat er vier rivieren stroomden vanuit het Paradijs, het Hof van Eden. Water is onbestendig en verandert constant. Juist doordat de dingen niet vastliggen in het leven, kan alles ten goede worden gekeerd. Water, in aardse vorm, kent een geestelijke tegenhanger: berouw. Net zoals water viezigheid kan wegwassen, kan berouw alle geestelijke onzuiverheden opheffen. Water symboliseert geestelijke reiniging. Door het onder te dompelen in het water, wordt het eetgerei verbonden met de volmaakte toestand in het Paradijs. Hierdoor is verandering van status mogelijk. Hierdoor mag het op een Joodse tafel gebruikt worden waar men eet lesjeem Sjamajiem – ‘voor G’d’. Wij eten niet alleen maar om onze honger te stillen, maar om G’d daarmee te dienen en de energie van het voedsel te gebruiken om ons dagelijks leven te verheffen tot een hoger niveau van gewijde dienstbaarheid. Dit is het idee van het touwelen van eetgerei. Zelfs nadat het kosjer is gemaakt doordat alle treife restanten in het voorwerp weggebrand zijn, moet er toch nog een stuk heiliging plaatsvinden.

6e alija, 32:1-19. De stammen Re’oeween en Gad (later ook de halve stam Menasjee) willen aan de oostkant van de Jordaan blijven vanwege hun vele vee. Mosjé is bang dat de rest van het volk ontmoedigd zal raken als 2,5 stam achterblijven en brengt de ervaring met de verspieders van ongeveer 38 jaar geleden in herinnering. De 2,5 stam beloven hun broeders te vergezellen op hun veroveringstocht door Kena’an en pas terug te keren naar de oostelijke Jordaanoever wanneer allen hun rechtmatige deel hebben gekregen. Zo raakte het volk niet ontmoedigd.

7e alija, 32:20-42. Mosjé antwoordt dat de 2,5 stam moet zweren dat zij met de overige stammen zij aan zij zullen vechten. Daarna volgt de beschrijving van de steden waar de 2,5 stam hun gezinnen en vee laten wonen voordat ze de Jordaan overtrekken.

Hoe belangrijk is land voor ons? Is land belangrijker dan vrede? Het joodse denken over vrede biedt een paradoxaal beeld. Vrede staat centraal in de joodse filosofie en praktijk maar het gezegde ‘Slaat U mij op de ene wang dan keer ik U mijn andere wang toe’ is christelijk van oorsprong. Het jodendom erkent het recht van zelfverdediging.
Het probleem van ‘Land voor vrede’ houdt de gemoederen al lang bezig. ‘Land voor vrede’ is niet alleen een politiek probleem. Het is voor velen ook een religieuze kwestie, die verband houdt met de periode van Tenach. Kerk en Staat zijn in Israël gescheiden. Toch speelt de religie een belangrijke rol, ook in de politiek.
Binnen religieuze kring bestaan er drie stromingen: de kolonisten, de volgelingen van de Lubawitscher Rabbi M.M. Schneersohn en politici, die de opvattingen van Rabbijn Sjach huldigen. De kolonisten op de Westbank behoren tot de Goesj Emoeniem – het Blok der Getrouwen. Deze groepering hanteert voornamelijk Bijbelse argumenten om Judea en Samaria te bevolken. Voor hen luidt de voornaamste vraag welke gebieden van het Heilige Land door G’d aan het joodse volk werden toegezegd. Aan de Aartsvaderen werd ruim 3700 jaar geleden een zeer Groot-Israël toegezegd: de zuidgrens vormde de golf van Akaba en Suez. In het noorden liep de grens langs de Eufraat, in het westen en oosten dienden de Middellandse Zee en de Arabische woestijnen tot grens. Zoveel gebied is echter nooit in joodse handen geweest. Na de Exodus uit Egypte veroverden de twaalf stammen vrijwel het hele

gebied van de moderne staat Israël met uitzondering van een deel van de Negev-woestijn maar daar tegenover stond een aanzienlijk grondgebied in het huidige Jordanië.
Toen 2800 jaar geleden David en Salomo de scepter zwaaiden over het joodse land werd Israël erg uitgebreid. In het noorden drongen zij door tot de Eufraat. Ook de Negev-woestijn behoorde tot hun rijk. Na Griekse en Syrische overheersing brak de periode van de Maccabeeën aan. Tot de tijd van de Romeinen waren Judea en Samaria joods. De profetische toezeggingen en daadwerkelijke veroveringen in de loop der geschiedenis geven grote variaties te zien. Niettemin behoorde de Westbank in die gehele periode tot het oude Israël. Goesj Emoeniem verzet zich daarom met hand en tand tegen teruggave van deze gebieden.
De Lubavitsjer Rebbe en Rav Sjach benaderden `Land voor vrede’ vanuit de joodse wet maar komen tot tegengestelde conclusies. Bij een orthodoxe massa-bijeenkomst in Bné Berak heeft Rabbijn Sjach eind 1991 de Israëlische regering opgeroepen om vestiging van nieuwe nederzettingen op de Westbank te stoppen. Rabbijn Sjach maakte duidelijk dat hij de Groot-Israël gedachte pas bewaarheid ziet in Messiaanse tijden. Op dit moment is daarvan nog geen sprake. De situatie op de Westbank is explosief. Voor Rav Sjach is gevaar voor leven van soldaten en burgers essentieel. ‘Levensgevaar gaat voor landbezit en beloften uit de Tora’.
De Lubawitscher Rebbe richtte zich echter volledig op het oorlogsrecht dat beschreven staat in de joodse codex. De veiligheidsvraag is doorslaggevend in de codex. Hij maakte zijn visie reeds in 1978 bij de Camp David akkoorden bekend, toen de Sinai-woestijn werd teruggegeven. Hij was wars van allerlei beloften van buitenlandse mogendheden, die garant zouden staan voor Israëls veiligheid. Teruggave van de Westbank is onmogelijk omdat dit gebied essentieel is voor Israëls veiligheid, hetgeen inderdaad de hoogste prioriteit is in de joodse codex. Destijds wilde hij voor teruggave van de Sinai-woestijn nog wel een uitzondering maken, als daar naar het oordeel van strategische experts geen veiligheidsrisico’s aan verbonden zouden zijn. Voor het oordeel van politici gaf hij weinig. Die hebben vaak heel andere overwegingen dan veiligheid in hun achterhoofd. Maar Judea en Samaria zijn altijd joods land geweest; die mochten volgens hem onder geen beding worden teruggegeven. Land voor vrede achtte hij geen reële optie.

Reacties zijn gesloten.