Parsja 40 Beha’alotecha (Bemidbar/ Numeri 8:1 – 12:16) 17 juni ’05 / 10 siewan ’65

BEHA’ALOTECHA (bij het aansteken): Aharon krijgt een aantal voorschriften, evenals de Levieten. De laatsten assisteren de kohaniem. Toen de tijd gekomen was voor ’t Pesachoffer bleken sommige mannen onrein. Zij krijgen verlof voor een inhaalmogelijkheid, het Pesach sjenie. De stammen trekken op of blijven op hun plaats als de wolk of de vuurzuil optrekt of pas op de plaats maakt. Er moeten twee zilveren trompetten gemaakt worden. Alle verschillende tonen hebben een speciale betekenis..Jitro wil naar zijn eigen land terugkeren. Als het volk klaagt omdat ze geen vlees kunnen eten en het Egyptische menu in de herinnering roept, breekt een Hemels vuur uit. Mosjé is wanhopig en beklaagt zich om de zware last die het volk op hem legt. HaSjeem besluit de leiderslast te verdelen over 70 oudsten. Het volk wordt beloofd dat ze een maand lang vlees zullen eten, totdat het hun neus uitkomt omdat ze G’d versmaad hebben. Inderdaad komen geweldig veel kwartels neer maar G’ds woede treft het volk zwaar. Mirjam spreekt met haar broer Aharon kwaad over Mosjé; HaSjeem maakt duidelijk dat Hij direct met Mosjé spreekt. Mirjam wordt melaats en Mosjé dawwent (bidt) voor haar. Koheen 8:1-14. Aharon krijgt instructies over de menora. De menora wordt wederom omschreven. De lampen moeten richting de centrale stam schijnen. Mosjé krijgt opdracht om de levi’iem af te zonderen van het volk en hen te reinigen. Zij worden ritueel gewassen, al hun haar wordt geschoren, hun kleren worden gereinigd. Verschillende offers en ceremoniën begeleiden deze afscheiding.

Mosjé begreep eigenlijk niet waarom er een Menora (lamp) nodig was in de Tempel. Elke keer als hij de Tabernakel betrad, zag hij een groot spiritueel licht. G’d heeft uiteraard ons licht niet nodig. Hij is het licht van de wereld. Waarom moesten wij dan toch een Menora aansteken? Omdat het enige wat telt is, dat wij bereid zijn om G’ds geboden op te volgen. G’d wil ons gevoel! Hoewel we dat altijd in daden moeten omzetten (het jodendom is een duidelijke doe-religie) gaat het om gevoelens èn daden! Om echte `lichtende’ mitswot te produceren, moeten we over onze laagste gevoelens heenstappen. Voor de Menora stond een opstapje van drie treden. Voordat Aharon de Menora aanstak, moest hij op dit trapje staan, hoewel hij lang genoeg was om het zonder dit opstapje te doen. Er is een bekende Misjna (Spreuken der Vaderen 4:21) die stelt dat ‘jaloezie, passie en eerbejag de mens uit deze wereld kunnen verdrijven’. De Tora leert ons dat wanneer wij het licht van de Tora willen verspreiden, wij onze jaloezie, lust en eerbejag moeten overwinnen.

Levi 8:15-26. Na deze procedures zijn de levi’iem klaar voor hun taken in het Bet haMikdasj naast de kohaniem. Levi’iem vervangen nu de eerstgeborenen, die eigenlijk geheiligd waren bij de uittocht uit Egypte. Door de zonde van het gouden kalf konden de eerstgeborenen geen dienst meer doen.

3e alija (9:1-14). Mosjé bespreekt het Korban Pesach. Sommigen waren onrein en vroegen om een inhaalmogelijkheid. Wanneer iemand onrein was of ver van de Tempel verbleef, dan kon hij het Korban Pesach op de 14e ijar brengen en het die avond eten met matsa en maror. Niets mocht ervan overgelaten worden tot de ochtend. De regels van het Pesach sjenie lijken op het eerste Korban Pesach, hoewel enkele details verschillen.

De geleerden vragen zich af waarom deze gebeurtenis rond het Pesach Sjenie niet aan het begin van het boek Bemidbar beschreven staat. Chronologisch gezien had het aan het begin van het vierde Toraboek moeten staan. De episode van het Pesach Katan – de Pesachinhaalmogelijkheid – vond plaats in de eerste maand van het tweede jaar na de uittocht uit Egypte. De volkstelling aan het begin van het boek Bemidbar vond plaats op de eerste dag van de tweede maand van het tweede jaar na de uittocht. Rasjie antwoordt, dat de episode van het tweede Pesachoffer een bepaalde G’ddelijke kritiek inhoudt op het Joodse volk. Gedurende de veertigjarige omzwerving is het de Joden slechts één keer gelukt om een Pesachoffer te brengen (alleen in het eerste jaar na de Exodus). Pas onder Jehosjoe’a werd het Korban Pesach weer gebracht (Jozua 5:10). De passage van het Pesach Sjenie toont een negatieve houding van het joodse volk. Daarom begint de Tora met het gebod van de volkstelling, hetgeen juist G’ds liefde voor het joodse volk symboliseert (zie Rasjie Bemidbar 1:1).
Er waren voldoende geldige redenen om geen Korban Pesach te brengen in de latere jaren van omzwerving in de woestijn. Omdat ze gedurende het eerste jaar op één vaste plaats gestationeerd waren, konden ze hun kinderen besnijden. Later waren ze constant op reis. Het zou gevaarlijk zijn om de kinderen een briet mila te geven wanneer ze niet zeker konden zijn van een aantal dagen rust na de besnijdenis. Omdat ze nooit van tevoren wisten wanneer ze zouden optrekken, konden ze dus geen besnijdenis uitvoeren. Een vader met kinderen, die geen briet mila hebben, mag geen Korban Pesach brengen. Daarom konden ze na het eerste jaar in de woestijn geen Pesachoffers meer brengen. Bovendien blies de gezonde noorderwind in de woestijn niet, waardoor het ongezond zou zijn om briet mila te verrichten.

4e alija (9:15-10:10). Het Misjkan werd overdag bedekt met een wolk en ’s avonds door een vuurzuil. Wanneer deze optrokken, trok het volk mee. Wanneer de wolk rustte, maakte het volk kwartier. Soms moest het volk een paar uur na de legering weer inpakken en vertrekken maar soms bleven ze dagen, maanden of jaren op dezelfde plaats. Het volk trok alleen op op bevel van Hasjeem. Mosjé moest twee zilveren trompetten maken om het volk bij elkaar te roepen en de tochten aan te kondigen. Na de intocht in Kena’an zouden de trompetten gebruikt worden in nood of bij (feestelijke) gelegenheden gedurende de Tempeldienst.
De Joden in de woestijn volgden de G’ddelijke wolk, die hen begeleidde. Daar nooit van tevoren voorspelbaar was hoelang men op een plaats zou blijven, betekende elke stop van de wolk dat men moest uitpakken met het risico dat men de volgende dag weer moest inpakken en vertrekken. Reizen onder leiding van de wolk was een behoorlijke test. Was het Joodse volk bereid G’d overal te volgen? Soms wilden ze, aangekomen op een prachtige plaats, langer blijven. En uit een onherbergzaam oord wilden ze sneller weg. De Tora is een les voor eeuwig. Het leert ons dat we niet altijd weten waar onze galoet (ballingschap) ons heenvoert.

5e alija (10:11-34). Op de 20ste ijar, in het 2e jaar na de uittocht, trok het volk op naar de woestijn Paran. Voorop liep de stam Jehoeda (met Jissachar en Zewoeloen). Het Misjkan werd ontmanteld en de levieten-families Gersjon en Merari volgden. Dan kwam de stammengroep Re’oewen, Sjimon en Gad. Daarna de levieten-familie Kehat, die de heilige keliem (voorwerpen) droeg. Daarna de stammen Efraim, Menasje en Benjamin, gevolgd door de hekkensluiters Dan, Asjer en Naftali

6e alija (10:35-11:29). De twee speciale pesoekiem over het optrekken en het rusten van de Arke worden door 2 omgekeerde ‘noen’-letters omgeven. Hierdoor wordt het boek Bemidbar in drieën gedeeld. Het volk klaagt over het manna en herinnert zich de vissen en het andere Egyptische voedsel. Mosjé vraagt zich af of het mogelijk is voldoende vlees bij elkaar te krijgen om aan alle behoeften te voldoen. Hij verzamelt de 70 oudsten die hem helpen bij het leiden van het volk. G’d belooft ook hen te inspireren zodat Mosjé het volk niet alleen hoeft te leiden. Het volk krijgt zijn kwartels en de ouderen krijgen profetische gaven. Twee van deze nieuwe profeten, Eldad en Medad, blijven in het kamp en profeteren Mosjé’s dood en Jehosjoe’a’s leiderschap. Jehosjoe’a vraagt Mosjé hen te straffen maar Mosjé toont zich tevreden over deze profeten.

7e alija (11:30-12:16). Mosjé en de oudsten verzamelen het volk en G’d stuurt de kwartels. Het volk verzamelt ze dag en nacht. Zodra ze begonnen te eten ontbrandde G’d’s woede. Het volk werd getroffen door een plaag. Mirjam bespreekt Mosjé kritisch met Aharon. G’d geeft hen een standje en Mirjam wordt melaats. Mosjé spreekt een kort gebed uit voor zijn zuster. Het volk blijft een week lang wachten op Mirjam.
“Wie wil er leven?”. De Talmoed (B.T. Awoda Zara 19b) vertelt dat Rabbi Alexandri uitriep “Wie wil er leven? Wie wil er leven?”. Een grote menigte verzamelde zich spoedig om hem heen:“Geef ons leven!”. Rabbi Alexandri antwoordde hen met een spreuk uit de Psalmen: “Wie is de man die graag wil leven, vele dagen begeert om geluk te zien? Behoed je tong voor kwaadspreken, je lippen voor het spreken van bedrog” (Tehilliem 34:13-14). De “Chafeets Chaïm” verklaart: Toen de menigte Rabbi Alexandri voor het eerst hoorde, dachten zij dat hij hen een levenselixer of levensverlengend medicijn wilde aanbieden. Maar in plaats daarvan toonde hij hen een spiritueel medicijn dat het leven van de mens verlengt, in deze wereld en in de komende wereld. Elk afzonderlijk woord lesjon hara is een aparte overtreding en wordt vermenigvuldigd met de hoeveelheid mitswot die overtreden worden door die uitspraken. Let wel: indien iemand ongeveer tien woorden lesjon hara per dag spreekt, dan zijn dat in één jaar tijd al 3650 overtredingen lesjon hara. Maar iemand die zich hiervan niets aantrekt, spreekt op een dag misschien wel 100 woorden. Aan de andere kant, iemand die wel voorzichtig is, wordt beloond voor elk moment dat hij geen lesjon hara spreekt. Dit is het levenselixer! Omdat we in dit geval te maken hebben met een zeer grote hoeveelheid mitswot is het begrijpelijk waarom afzien van lesjon hara een levensverlengend effect heeft.

Moeilijk stil te blijven
Bevindt men zich in een groep waar men roddelt en is men niet in staat dit gezelschap te verlaten, dan nog blijft het verboden om lesjon hara te spreken, ook al voelt men zich ongemakkelijk door te zwijgen. Hoewel niemand graag wordt aangezien voor saai of asociaal, kan men troost vinden in de beloning die men krijgt naar gelang de ontbering en moeite (Pirke Awot – Spreuken der Vaderen 5:25). Onze Wijzen zeiden hieromtrent: “Voor iedere seconde dat de mens zwijgt, verdient hij een beloning die in grootte zelfs het voorstellingsvermogen van Engelen te boven gaat” (Igeret HaGra).

Lesjon Hara in geschrifte
Lesjon hara kan men overbrengen door spreken en schrijven. Vernederende informatie in persoonlijke brieven, boeken, kranten, pamfletten en posters bevatten dus ook lesjon hara. Controleer voordat je een brief verstuurt of deze lesjon hara bevat. Woorden zijn vluchtig maar e-mails, sms’jes, reacties op de web-sites en brieven blijven nog lang bestaan en worden door velen meegelezen.
Het is niet toegestaan om andermans brief aan anderen te tonen om de schrijver te beschimpen. Zelfs als men geen commentaar geeft maar de lezer het idee kan krijgen dat de schrijver niet erg slim is, veroorzaakt men lesjon hara door toespelingen en insinuaties. Ik ontving eens een brief, die bol stond van verkeerde Talmoedische interpretaties en verwijzingen, kromme logica en spelfouten. Ik mocht deze brief uiteraard niet aan anderen laten lezen met als doel de schrijver belachelijk te maken.

Gebarentaal
Door middel van tekens, signalen, bewegingen, gelaatsuitdrukkingen en lichaamstaal mag men eveneens geen `non-verbale’ lesjon hara doorgeven. Voorbeelden zijn: dingen over anderen op een sarcastische toon zeggen, kuchen (uche, uche, uche), knipogen of bij hoog en laag beweren, dat er helemaal niets slechts werd gezegd. Dit verandert namelijk niets aan het feit dat er een kwetsende mededeling werd gedaan.

Jezelf betrekken in de lesjon hara
Jezelf toevoegen aan de lesjon hara is geen vrijbrief om ook over anderen te roddelen. Hieronder vallen ook situaties waarin men samen met een vriend precies hetzelfde heeft gedaan en waarin men eerst over zichzelf begint te praten. Uitspraken als “toen we jonger waren, stalen Mosje en ik veel uit winkels” of “Niemand uit onze groep deed ooit zijn best”of “Ik geef te weinig tsedaka en dit geldt ook voor dhr. Jacobs” zijn dus gewone roddel en lesjon hara. Kwaadsprekerij heeft zeer ontwrichtende gevolgen en trekt een samenleving uit zijn voegen. Vandaar dat de Tora een melaatse, die zo geworden is vanwege zijn roddel en achterklap, uit de gemeenschap stoot. Herinner wat Mirjam overkwam! (Gedeeltelijk bewerkt uit een vertaling van “Guard your tongue” met toestemming van de auteur).

Reacties zijn gesloten.