BECHOEKOTAI (bij (het aanvaarden van) mijn wetten). Als jullie Mijn wetten uitvoeren dan zal het Land bloeien. Wanneer jullie Mijn wetten overtreden dan zal Ik vreselijke straffen over jullie brengen. Er volgt een huiveringwekkende opsomming wat het volk allemaal zal overkomen: ziekten, oorlog, overheersing door andere volkeren, zevenvoudige straffen, de steden zullen ruïnes worden. Dit alles mede als de Sjemittajaren niet gehouden worden. Ook psychisch worden de mensen een wrak, ze worden verstrooid en gaan ten onder temidden van vreemde volkeren. Het Land zal woest liggen. Echter, als de mensen weer aan het Verbond denken en boete doen, dan zal HaSjeem (G’d) aan het Verbond denken dat Hij met de Aartsvaderen gesloten heeft. Het laatste deel van de sidra is gewijd aan de waarde die mannen, vrouwen en kinderen hebben i.v.m. een gelofte. Dat betreft ook vee, grond, een huis. Koheen, Levi en 3e alija (26:3-46). In de ‘Tochecha’, strafredenen, staan zeer strenge bedreigingen.
Het is de gewoonte deze afdeling zachtjes voor te lezen. We schamen ons, dat G’d ons zo moet dreigen. Vroeger was het zo dat niemand deze alija wilde hebben. Tegenwoordig wordt de Rabbijn, Gabbaj of Ba’al Koré opgeroepen. De Tochecha begint en eindigt met positievere onderwerpen. G’d verzekert overigens, dat zelfs onder de slechtste omstandigheden het volk Israël nooit vernietigd zal worden.
Een stukje filosofie
Hoe gaan wij om met straf en beloning? In zijn elfde geloofsartikel spreekt Maimonides hierover. Zouden straf en beloning in deze wereld dadelijk en zonder mededogen worden uitgereikt dan zou er geen vrije wil en keus meer overblijven. Iedereen zou slechts het goede doen om direct de beloning te kunnen incasseren en niemand zou het in zijn hoofd halen om de Tora te overtreden om een onmiddellijke straf te ontlopen. Straf en beloning zijn voorbehouden voor de Toekomstige Wereld, de Olam haBa. Een onwrikbaar geloof in G’ds wereldleiding en Zijn rechtvaardigheid overbruggen de kloof tussen de leugen van het heden en de waarheid van de Olam haBa.
In het Joodse denken werd de paradox tussen de goede mens, die het slecht gaat en de slechte, die het goed gaat al zeer vroeg gesignaleerd. Ik moet toegeven, dat het reilen en zeilen van de aardse maatschappij zonder het perspectief van een eindoordeel over de grens van de dood heen voor een kritische toeschouwer bijzonder onrechtvaardig aandoet. De moderne geschiedenis laat niets dan onrecht zien. Duitsland en Japan, de twee agressoren uit de tweede wereldoorlog, zijn op dit moment grote economische machtsblokken met een hoge mate van welvaart. Beloning en bestraffing kunnen in deze wereld niet goed tot hun recht komen. Belangrijk is hierbij te benadrukken dat het lijden door sommige theologen niet altijd als straf wordt ervaren maar soms ook als liefdestuchtigingen. Een beloning in deze wereld kent ook zijn beperkingen. Het kan zijn, dat overwegend slechte individuen voor het weinige goeds, dat zij deden, alleen in deze wereld beloond worden omdat G’d hen de veel grotere, spirituele geneugten in de Toekomstige Wereld wil onthouden. In het Toradenken vormen dit leven en het leven, dat komen gaat één eenheid. Geduld en overtuiging verzachten de wrede aardse realiteit.
Het Jodendom kent geen romantiek van het lijden. In de theologie van het lijden wordt in andere geloven aan heiligen een bepaalde lijdensextase toegekend. Hierbij speelt opoffering voor anderen een centrale rol. Hoewel Maimonides het principe van straf en beloning uitvoerig heeft becommentarieerd in zijn filosofische werken is het opvallend dat hij zich niet in dezelfde uitvoerige beschrijvingen verliest als Dante, die zijn fantasieën over hellestraffen niet kon beteugelen. Dergelijke voorstellingen hebben in het Jodendom nooit ingang gevonden.
De beloning is de nabijheid van G’d maar dat lost het probleem in deze wereld niet op. Is het misschien vreugdevolle extase, die ons het meest nabij brengt? De Psalmist legt hier de nadruk. Hoe het ook zij, de achtergrond van Hemelse besluiten, moeilijk of aangenaam, blijven voor ons ondoorgrondelijk. Voor de praktijk – en daar draait het om in het Jodendom – staat binnen deze context de uitspraak van Antigonos, de man uit Socho centraal: ‘Weest niet als knechten die G’d dienen met de bedoeling beloning te ontvangen maar weest als knechten die G’d om niet dienen’ (Pirké Awot 1:3).
Het lijden van Job
We vinden de hele thematiek van het lijden van rechtvaardigen terug in de vragen van Job over HaSjeems rechtvaardigheid. Jobs vrienden proberen hem te troosten door zijn belabberde situatie te verklaren zonder te vervallen tot G’dslasterij. Zij pogen Zijn almacht en liefde te harmoniseren met Jobs bittere lot. Dit lukt maar mondjesmaat totdat G’d Zelf uitlegt waarom Job zo beproefd wordt. Hoe luidt G’ds antwoord? De menselijke perceptie is feilbaar. We staan nog maar aan het begin van een ontdekkingsreis naar de waarneembare aardse realiteit. Als we al te beperkt zijn om al die aardse fenomenen te bevatten dan is dat toch zeker onmogelijk voor al die bovenaardse, onvergankelijke aspecten van ons bestaan.
Ons vermogen om te beoordelen of iets al dan niet rechtvaardig is, is uitermate beperkt. Wij kunnen alleen naar het hier en nu oordelen terwijl het Jodendom er van uitgaat, dat het vooraardse bestaan, het huidige leven en de toekomstige wereld een continuüm vormen. In de schaduw van de ultieme levensvragen schiet ons rechtvaardigheids-begrip tekort. Het menselijk brein is beperkt door het hier en nu. Criteria voor een allesomvattend eindoordeel van het ‘totale geheel’ falen. Wij maken als kleine atomen deel uit van dat grotere universum van plaats en tijd. Als wij met een centimeter moleculen proberen te meten, is dit gedoemd te mislukken. Waarom? Omdat de meetlat niet aangepast is aan het doel. Het Joodse antwoord is zeker niet Kantiaans in de trant van ‘we kunnen niets weten’ misschien Aristoteliaans in de zin van ‘we weten nog niet alles’ – maar over een tijdje (in de tijd van de Masjie’ach) wel. Wellicht kennen we een deel van de waarheid zoals de Talmudist en filosoof Rabbi Josef Albo stelt. For the time being is dit misschien voldoende.
Gemeenschappelijk verantwoordelijk
We leren niet alleen mores maar ook halachische principes uit de vloeken. Zo is er de pasoek (vers): “De één zal over de ander struikelen.” (26:37) De Chagamiem (B.T. Sanhedrien 27b) leggen uit, dat de één over de awerot (overtredingen) van de ander zal struikelen. Dit is het bekende principe dat alle Joden voor elkaar verantwoordelijk zijn. Toen de Bnee Jisraeel bij de bergen Geriziem en Ebal G’d en elkaar trouw zwoeren, werden ze verantwoordelijk voor elkaars daden (B.T. Sanhedrien 43b). Dit heeft zowel positieve als negatieve gevolgen: Ik deel mee in uw mitswot, maar u deelt ook in mijn overtredingen en vice versa. Een kwestie van gemeenschappelijke verantwoordelijkheid en gedeeld risico, wat overigens de basis vormt voor iedere (sociale) verzekering.
Het Joodse volk wordt gezien als één groot lichaam. Ieder individu vormt als het ware één van haar organen. Sommige hebben de functie van het hoofd – de intellectuelen – anderen vormen de romp – degenen, die G’d op meer emotionele wijze dienen – en weer anderen vormen de voeten, die het hele lichaam dragen; zo ook vervullen een aantal mensen de geboden als ‘een juk’, dat zij dragen, als de hiel, zonder de diepere inhoud ervan te begrijpen! Het lichaam vormt een geïntegreerd en samenhangend systeem. Hetzelfde geldt ook voor het lichaam van het Jodendom. Indien het ‘laagste deel’ hiervan slecht functioneert, lijden ook de hogere regionen hieronder.
De gemeenschappelijke verantwoordelijkheid vloeit voort uit het gebod om “de naaste lief te hebben gelijk uzelf”. De ander is een deel van het eigen ‘ik’ en indien men een ander genegenheid toont, is men eigenlijk slechts vriendelijk voor zichzelf. Hetzelfde geldt voor wraakgevoelens. Als ik een ander haat, verwerp ik in feite een deel van mezelf. Een haatdragend persoon wordt daardoor een gebrekkig mens en zijn gebeden – die de plaats innemen van de offers uit vroeger dagen – zijn voor G’d onaanvaardbaar, evenals een koheen met een gebrek geen dienst mocht doen in het Heiligdom. Zo wordt het verband tussen onze gevoelens voor de medemens en onze gevoelens voor G’d ook duidelijker. Sommigen nemen zich elke dag vóór het dawwennen (het gebed) voor om naastenliefde te praktiseren, zodat men niet ‘misvormd’ door haat voor de Almachtige hoeft te staan.
De Ba’al Sjem Tov (1698-1760) legde eens uit, dat het vers “Heb uw naaste lief gelijk uzelf” een verklaring is op het vers (Dewariem 6:5): “U moet van uw G’d houden met heel uw hart, met alles waartoe u bij machte bent.” De liefde van de mens voor zijn Schepper komt tot uitdrukking in de liefde voor Zijn schepselen. Men ziet dit ook in de praktijk van het dagelijks leven. Houdt men van de Vader, dan houdt men ook van de kinderen. Vaak vindt een vader in het feit dat men op zijn kinderen gesteld is, een bewijs, dat ook hij gewaardeerd wordt. De verticale en horizontale relaties lopen in elkaar over…
5 keer de letter waw
De Tochega ligt ingesloten tussen een goed begin en een positief einde. Na de Tochega verzekert Hasjeem ons dat Hij het verbond met Ja’akov, Jitschak en Awraham zal gedenken. Waarom wordt Ja’akov, onze jongste aartsvader, als eerste genoemd? Het antwoordt luidt dat wanneer de verdiensten van Ja’akov onvoldoende zijn, G’d zijn vader Jitschak en zijn grootvader Awraham borg laat staan voor het voortbestaan van het Joodse volk. Waarom staat Ja’akovs naam malé (volledig, met een waw) geschreven na de Tochega? De extra letter waw in de naam van Ja’akov garandeert, dat het Joodse volk eens de tijd van de Masjie’ach deelachtig zal worden. Rasjie merkt op dat Ja’akov vijf keer in Tenach geschreven wordt met een extra waw. De naam van de profeet Elijahoe mist in Tenach vijf keer deze zelfde waw. Ja’akov neemt de letter waw van de naam Elijahoe tot onderpand om hem als het ware te dwingen eens te verschijnen om de verlossing van zijn nakomelingen te berichten en de komst van de Masjie’ach aan te kondigen. Moge dit spoedig geschieden.
Een vloek?
De Lubawitscher Rebbe suggereert dat de straffen en waarschuwingen soms ook als berachot (zegeningen) gezien kunnen worden. Hij citeert een passage uit de Talmoed (Moe’ed Katan 9b), waarin Rabbi Sjimon Bar Jochai zijn zoon naar twee Rabbijnen stuurt voor een beracha (zegen). Toen zijn zoon terugkwam, beklaagde hij zich dat hij een kelala (vloek) had gekregen in plaats van een beracha. Toen zijn vader hoorde wat de vloek zoal inhield, legde hij uit dat het eigenlijk een zegen was. Ze hadden tegen de jongen gezegd: “Moge je zaaien en niet oogsten.” In feite bedoelden ze, legde Rabbi Sjimon Bar Jochai uit, dat hij gezegend zou worden met kinderen, die niet zouden sterven gedurende zijn leven. Veel uit de Tochega kan wellicht ook positief uitgelegd worden.
4e alija (27:1-15). Wanneer men fondsen wil doneren aan het Beth haMikdasj, kan men de waarde van een individu aan de Tempel aanbieden. Afhankelijk van geslacht en leeftijd bepaalt de Tora een donatie. Offerdieren mogen niet geruild worden. Wanneer dit toch ondernomen wordt, dan worden beide dieren heilig voor de Tempel. Wanneer een offerdier niet geschikt is voor het altaar, wordt het geschat door een Koheen en kan het gelost worden door een vijfde van de waarde toe te voegen. Iemand kan de waarde van zijn huis ook offeren, waarna het huis gelost kan worden met een vijfde extra.
5e, 6e en 7e alija (27:16-34). Wanneer iemand zijn onroerend goed aan de Tempel schenkt, wordt het geschat naar de kwaliteit en het aantal jaren tot het komende Joweel. Als het niet gelost wordt, gaat het in het 50e jaar naar het Beth haMikdasj. Hetzelfde geschiedt wanneer de dienaren van de Tempel de goederen voor de lossing verkocht hebben. Een eerstgeborene is automatisch geheiligd voor het altaar. Men mag het niet als ander offer bestemmen. Het tiende van dieren mag alleen in Israël gegeten worden in rituele reinheid en mag niet gelost worden.
