Parsja 36 Behar (Wajikra/ Leviticus 25:1-26:2) 21 mei ’05 /19 ijar ’6 5

BEHAR (op de berg). Gedurende het 7e jaar mag het land niet bezaaid worden. In het Joweeljaar worden slaven vrijgelaten en krijgt iedereen zijn/haar oorspronkelijke grondbezit terug. Op andere tijdstippen kan familie een slaaf terugkopen. De prijs van grond wordt berekend naar het aantal te verwachten oogsten. Buiten het Joweeljaar om kan grond teruggekocht worden door een bloedverwant of zelfs een ander als de oorspronkelijke eigenaar niet kapitaalkrachtig genoeg is. Je mag geen rente berekenen als je iemand geld leent. Een slaaf moet men menselijk behandelen; de heer mag hem niet met strengheid regeren. Koheen 25:1-13. Zes jaren mag er gewerkt worden maar het zevende jaar moet het land braak liggen. Zeven cycli van zeven jaar moeten geteld worden, waarna het vijftigste het joweeljaar is: alle slaven worden vrijgelaten en alle landerijen gaan terug naar de oorspronkelijke eigenaren.

Is het Jodendom socialistisch of kapitalistisch? Op Jom Kippoer van het Joweeljaar gaan alle onroerende goederen terug naar hun oorspronkelijke eigenaars. Die waren hun landerijen kwijt. Vanuit die optiek koestert de Tora nivelleringsmotieven en eerlijke verdeling van beschikbare goederen. Aan de andere kant krijgt de oorspronkelijke kapitalist zijn kapitaalgoederen terug! De Tora is een systeem op zich en laat zich niet meeslepen in verkiezingsslogans of man-made filosofieën. De Tora is zichzelf genoeg en hoeft niet te spiegelen aan “de wensen van de mensen”. Natuurlijk heeft iedereen zijn privé-verklaringen, waarmee hij of zij G’ds woord meent te kunnen begrijpen. Maar uiteindelijk is de Tora geen sociaal-economisch handboek. De Tora heeft eeuwigheidswaarde en laat zich nooit uitputtend verklaren naar de waan de dag.

Levi 25:14-18. We mogen elkaar niet bedriegen.

Behalve dat men elkaar niet mag bedriegen door woekerwinst of oneerlijkheid, verbiedt de Tora ook ona’at dewarim, elkaar verbaal tekort doen. In Sefer haChinoeg (338) stelt Rabbi Aharon haLevie, dat de achtergrond van deze mitswa het promoten van Sjalom is: “Groot is de vrede want daarzonder is er geen beracha (zegen). Rampzalig is het machloket want ruzie brengt vele vloeken”. Onze Wijzen hebben vele vormen van belediging uitgewerkt maar de grootste gemene deler is dat men elkaar geen pijn mag doen of kwetsen. Het is onmogelijk om alle details op te schrijven maar iedereen moet dit `kwetsverbod’ naar eigen geweten invulling geven. Zelfs kleine kinderen mag men niet kwetsen behalve om hen op te voeden. De Tora verbiedt ons niet te reageren op aantijgingen maar agressie moet duidelijk beteugeld worden. Zelfs wanneer we zwaar beledigd worden, moeten we oppassen niet al te kwaad te worden. Ingetogen antwoorden is het devies.
De psychologie achter beledigen is simpel. De Chagamiem omschrijven dit als “zichzelf verheffen door een ander naar beneden te drukken”. Wanneer men negatief over anderen spreekt, is dit meestal om het eigen ego op te poetsen. Het gaat hierbij voornamelijk om de kawana (intentie). De Talmoed breidt het verbod op kwetsen uit naar onbetamelijk gedrag op de markt door het wekken van een valse indruk dat men iets wil kopen.
Ona’at dewarim (verbaal tekort doen) kan vele vormen aannemen. Het kan betekenen dat men iemand uitnodigt voor een maaltijd terwijl men weet dat hij op die bewuste datum buiten de stad is of informeren naar de prijs van bepaalde handelswaren zonder de bedoeling ze ooit te kopen. Een andere vorm van ona’at dewariem is een ba’al tesjoewa (iemand die tot inkeer is gekomen) te herinneren aan zijn vroegere zonden of iemand die ernstig lijdt, vermanen met de woorden ‘dat hij gestraft wordt voor zijn zonden’. In de eerste twee gevallen is het bedrog duidelijk omdat wij met zo’n ongemeende invitatie een gevoel van verplichting om iets terug te doen bij de andere partij creëren. Doelloos naar prijzen informeren laat de verkoper in de waan dat wij iets zullen kopen, terwijl wij eigenlijk alleen maar bezig zijn met prijsvergelijking en zijn tijd lopen te verdoen.
Maar in de laatste twee voorbeelden is het bedrog moeilijk aan te geven. Een ba’al tesjoewa herinneren aan zijn vroegere zonden is pijnlijk maar kan moeilijk bedrog genoemd worden. Ona’a in financiële zin betekent verdrukken oftewel de waarheid verdoezelen en een verkeerde indruk wekken omtrent de waarde van de zaken die verkocht worden. In feite gebeurt het zelfde bij het beledigen van een ba’al tesjoewa. Onze Chagamiem (Geleerden) vertellen ons dat iemand die zich bekeert a.h.w. een nieuwe persoonlijkheid wordt en dat hij/zij niet langer verbonden is met zijn/haar minder fraaie verleden. Vroegere overtredingen kunnen nu zelfs veranderd worden in verdiensten. Wanneer wij dan iemand herinneren aan zijn vroegere misdrijven, alsof dat nog steeds een deel van zijn/haar persoonlijkheid uitmaakt, creëren wij een valse indruk, die pijn veroorzaakt. Als wij iemand zeggen dat hij lijdt als gevolg van zijn zonden, proberen wij hem duidelijk te maken, dat hij eigenlijk geen rechtvaardig mens is en dat zijn hele vrome uiterlijk alleen maar een façade, een voorgevel is, terwijl het best kan zijn dat hij om heel andere redenen ongelukkig is.
Waarheid is het zegel van HaSjeem (G’d). Waarheid duurt lang en valsheid is vluchtig. De `emmes’ heet ‘het zegel van G’d’ omdat Hij daarin aanwezig is. Maar wanneer de waarheid geweld wordt aangedaan, wordt G’ds aanwezigheid verduisterd. Het woord ‘Emet’ (waarheid) stelt de totaliteit van de bestaande realiteit voor. De letters van het woord ‘Emet’ beslaan het hele alfabet, Alef is de eerste letter, mem is de middelste letter en tav is de laatste letter. Al de letters van het woord ‘Emet’ hebben twee poten. Maar het woord Sjeker (leugen) bestaat uit drie letters die vlak bij elkaar staan in het alfabet en die allemaal op een enkele poot staan. Sjeker (leugen) heeft geen poten omdat het geen langdurig bestaan beschoren is.
We leven in de tijd van ikwesa d’ mesjicha, het laatste stadium van ballingschap, waarin “de waarheid zal ontbreken”. Dit is nu realiteit geworden. ’s Ochtends kunnen we namaakkleding met nepmerk en imitatieleren schoenen aantrekken, op een nep houten stoel zitten, ontbijt eten met surrogaat eieren, dineren met sojavlees gezouten met een zoutsubstituut en als toetje een vruchtensap zonder vruchten drinken. Veel is tegenwoordig namaak en imitatie, de synthetische maatschappij ten voeten uit.
Gedurende de maand Eloel kwam de plaatselijke melkboer eens naar de Telzer Rav en biechtte op, dat hij zijn melk altijd verdunde. Hij wilde tesjoewa doen. De Telzer Rav vertelde hem dat de eerste stap op weg naar verbetering was om onmiddellijk te stoppen met de verdunning van de melk. Een week later kwam de melkboer weer terug bij de Telzer Rav, helemaal ontdaan: “Ik heb geen druppel water meer bij de melk gedaan, zoals de Rav had voorgeschreven, maar ik lijd er verschrikkelijk onder. De mensen willen mijn melk niet meer omdat zij zeggen dat het niet meer goed smaakt”.
Wij zijn inmiddels zo verslaafd aan leugens en Sjeker dat bedrog zelfs de ‘Emet’ (waarheid) lijkt. Het moge ons dan ook niet verbazen dat de Sjela HaKadosj telkens benadrukte, dat succes in de opvoeding van de kinderen bestaat uit de waarheid. Daar mogen geen compromissen mee gemaakt worden. De waarheid is soms hard maar zonder een ‘echt’ fundament staat alles op losse schroeven. Met name geldt dit voor onze Tora…

3e alija 25:19-24. G’d belooft zijn zegen gedurende het zesde jaar (twee jaar voor het Joweel), zodat het land voldoende voor drie jaar zal opbrengen..

4e alija 25:25-28. Wanneer iemand noodgedwongen onroerend goed moet verkopen uit zijn erfdeel, dan zal een naast familielid hem helpen lossen. Men verkoopt in feite geen land maar alleen een aantal oogsten.
5e alija 25:29-38. Wanneer men een huis in een ommuurde stad koopt, heeft men één jaar tijd om het te lossen. Dit is een mitswa. Huizen in open steden kunnen gelost worden tot het Joweel. Huizen in steden van Levieten kunnen na één jaar gelost worden. Wanneer dit niet geschiedt, dan gaan ze in het Joweeljaar terug naar de Leviet. Er zijn 48 Levietensteden. Het is verboden om de omgeving van deze Levietensteden te veranderen. De groene stroken rond deze steden mogen niet worden aangetast. Iemand die het financieel moeilijk heeft, moeten we helpen. We mogen geen rente vragen voor leningen.

6e alija 25:39-46). Wanneer iemand zich noodgedwongen moest verkopen als slaaf, mag zijn meester hem niet mishandelen. Wij zijn dienaren van G’d, moeten niet op een minderwaardige wijze worden verkocht en mogen niet te onderdanig zijn.

Vrijheid is een groot goed. G’d wil, dat wij ons direct tot Hem verhouden, zonder tussenpersoon. Op ons werk is er echter de chef. Maar G’d stelt duidelijk, dat “voor Mij de Bné Jisraëel dienaren zijn” (25:55). De Talmoed leidt hieruit af, dat wij ook in de arbeidsrelatie altijd iets van onze vrijheid moeten behouden. Dit heeft ook consequenties in het arbeidsrecht. In traktaat Bawa Metsia (10a) leert Rav, dat een arbeider zelfs midden op de dag zijn werk mag verlaten als uiting van deze individuele vrijheid. Wanneer wij onze werkplek of baan willen verlaten, moet dat kunnen. Het Jodendom is wars van eeuwige afhankelijkheidsrelaties. Daarom wordt een slaaf die zijn heer na 6 jaar weigert te verlaten met zijn oor aan de deurpost gepriemd.

7e alija 25:47-26:2. Een Joodse slaaf bij een heiden moet worden gelost. Op een steen mag men niet knielen.

Reacties zijn gesloten.