Parsja 33 Achare Mot (Wajikra 16:1 – 18:30) 23 april 2005 / 14 Niesan 5765

ACHARE MOT (na de dood): Wajikra 16:1 – 18:30 De kohaniem moeten zeer zorgvuldig handelen als ze het Heiligdom betreden en zeker op Jom Kippoer, als de Hogepriester het Allerheiligste betreedt. De offers waren 2 gelijke bokken, waarvan de ene geofferd wordt en de andere, met de zonden van het volk beladen, de woestijn wordt ingestuurd (de zondebok). In de loop van Jom Kippoer moet de Hogepriester zich meerdere keren baden en verkleden. Op Jom Kipoer moet men vasten, geen leer dragen, zich niet wassen, niet zalven en geen huwelijksrelaties hebben. Nogmaals wordt uitvoerig gewaarschuwd voor afgodische praktijken. Vastgesteld wordt waar de offers gebracht moeten worden. Bloed mag men niet consumeren, want dat is met het leven verbonden. Diverse seksuele praktijken worden verboden – het volk moet heilig zijn en mag geen van de gruweldaden doen die in Egypte bedreven worden.

 

Koheen, 16:1-17. Kohaniem worden gewaarschuwd de Tempel niet onnodig te betreden. De Koheen Gadol vervult alle verplichtingen van Jom Kippoer in de Tempel, met enige assistentie van andere kohaniem. Het Allerheiligste was gevuld met rook van het reukwerk wanneer de Koheen Gadol daar naar binnen ging. De Tempeldienst van Jom Kippoer was complex. In de Moesaf Amida van Jom Kippoer worden de details eveneens beschreven.

Levi, 16:18-24. Widoej = zondenbelijdenis over weg te zenden bok.

3e alija, 16:25-34. Opdracht om zich op Jom Kippoer allerlei onthoudingen op te leggen.

4e alija, 17:1-7. Herhaalt het verbod om offers buiten de Tempel te slachten.

5e alija, 17:8-18:5. Bloed symboliseert het leven en mag niet gegeten worden. Wanneer men een vogel of een hert slacht, moet men het bloed bedekken met zand, aarde of stof. Bloed van de offers wordt op het altaar gebracht als verzoening. Verbod om heidense gebruiken te imiteren.

De ziel is afhankelijk van het bloed. Daarom moet men die ziel als het ware bedekken, voordat men het vlees mag eten. Het zou van wreedheid getuigen wanneer we het vlees zouden eten terwijl de ziel uitgegoten wordt. Rasjbam (13de eeuw) verklaart het als een maatregel ter voorkoming van bloeddorst. Wanneer we het bloed niet zouden bedekken, zou men denken dat het toegestaan is om dit te consumeren. Daarom wordt het bedekt met zand om het onmogelijk te maken om het nog te eten.
Runder- en schapenbloed hoeven echter niet bedekt te worden omdat dit vocht op het altaar gebracht kan worden ter verzoening van onze zonden en ter verheffing van ons zielenleven. Dit is een goede zaak en moet daarom juist niet aan het oog onttrokken worden.
Waarom staat er bij het bloedbedekken, dat dit een mitswa (gebod) is voor iedereen? Volgens de Sjoelchan Aroech (II:28:8) moet de sjocheet (de rituele slachter) hierin het initiatief nemen. Hij is verplicht om het te bedekken. Maar wanneer hij dit nalaat, moet iedereen die langskomt het bloed bedekken. Dit bloedbedekken wordt gezien als een uiting van barmhartigheid. Vandaar dat degene die dit voor de eerste keer in zijn leven doet, de beracha – zegenspreuk – sjehegianoe zegt. Maar bij de eerste keer slachten zegt men geen sjehegianoe – een uiting van vreugde – níet, omdat men een dier doodt. Rabbi Sjabtai Cohen (17e eeuw) bespreekt het geval van de nalatige slachter die weigert om deze mitswa te vervullen. Slachten en bedekken zijn inderdaad twee aparte mitswot (geboden) maar het toont wel, dat de sjocheet niet bereid is om de mitswot volledig te doen, wat een religieus weinig integere indruk maakt. Vandaar dat er twijfels zouden kunnen ontstaan over zijn sjechieta (slachting) en het voor hem verboden is om zijn werk verder te doen.
De verschillende commentatoren vragen zich verder af wat de woorden ‘met aarde’ betekenen. Na uitvoerige discussie blijkt, dat dit ‘omwikkeld door zand’ moet zijn. Daarom moet men eerst zand uitstrooien over de grond, zodat het bloed daarop valt en daarna weer zand uitstrooien boven het bloed. Men kan pas beginnen met slachten wanneer eerst zand op de grond ligt waarop het bloed kan uitdruppelen. Rabbi Joseef Karo (1488-1575) bespreekt het geval van iemand die onderweg is en geen zand heeft. Hij raadt dan af om te slachten: “Wacht tot je zand hebt!” Als het niet anders mogelijk is – men zit bijvoorbeeld op een schip – laat men het bloed in een doek vloeien. Aan wal moet men de doek uitwassen. Het uitgewassen bloed bedekt men met zand, maar zónder beracha.
De Geleerden leidden verder uit de Toratekst af, dat men het bloed niet op een minachtende manier mag bedekken. Men mag er niet met de voet wat zand over heen schoppen. Dit zou een bizoej mitswa zijn – een minachting voor de Tora-geboden. Deze gedachte generaliseert zich naar alle opdrachten uit de Tora die met de nodige kawod (eerbetoon) gedaan moeten worden.
De Tora stelt: “wanneer men wild vangt of gevogelte, die gegeten zullen worden.” Men leidt hieruit af dat alleen wanneer dieren voor consumptie geschikt zijn, men het bloed moet bedekken. Maar zodra de slachting mislukt of wanneer het dier treife blijkt te zijn omdat er gaten in de longen zaten, hoeft men het niet te bedekken omdat het vlees niet geschikt is voor consumptie. Al met al is het bedekken van bloed een uiting van eerbied voor dierlijk leven. Een eye-opener in onze consumptiemaatschappij, waar het dier gedegradeerd is tot producent van vlees, eieren en melk.

6e alija, 18:6-21. Alle verboden huwelijksrelaties worden opgesomd. “Wechai bahem” – wij moeten met de Tora leven.
Kinderen aan de Molech offeren is verboden.

Uit “wechai bahem” – wij moeten met de Tora leven.– leren we twee belangrijke concepten. Het Jodendom is niet alleen een religie, het is een levensweg. Bovendien leert deze pasoek (vers), dat alle mitswot moeten wijken voor levensgevaar, met uitzondering van de drie zwaarste overtredingen. Men moet leven met de mitswot en er niet door sterven.

7e alija, 18:22-18:30. Wij moeten verder heilig zijn door ons af te wenden van alle vormen van ontucht door ethisch te leven

Toch nog even enkele Hagada-verklaringen:

Wa’afiloe koelanoe chagamiem – al waren we allemaal grote Geleerden

In de Gemara (B.T. Sjabbat 11a) staat dat iemand die constant en intens bezig is met de Tora niet hoeft te dawennen (vrijgesteld is van de tefilla – het gebed) zoals Rabbi Sjimon Bar Jochai en zijn vrienden, die hun hele leven wijdden aan continue Tora-studie. Volgens de Talmoed Jeroesjalmie (Berachot 8a) is de Tora-lerner ook vrijgesteld van het lezen van Sjema. De redenering luidt: “Dit is lernen, dat is lernen en het ene lernen hoeft niet te stoppen voor het andere lernen.” Daarom had ik ook kunnen denken dat het vertellen over de uittocht uit Egypte dezelfde dien (status) heeft als Tora-leren. Dit zou betekenen dat je Tora-leren niet hoeft te stoppen om over de uittocht uit Egypte te vertellen, omdat ook de wonderen van de uittocht uit Egypte en de betekenis daarvan allemaal onderdeel vormen van de Tora van HaSjeem.

Vertelling heeft iets extra’s
Hoewel de siepoer Jetsijat Mitsrajiem (vertellen over de uittocht uit Egypte) een aparte mitswa is, geldt hetzelfde voor Sjema. Alhoewel het een onderdeel van de Tora is, is het toch een aparte mitswa. Desondanks valt het onder hetzelfde ‘lernen’ en zou je kunnen stellen dat men Tora-studie niet hoeft te onderbreken voor de vertelling van de uittocht uit Egypte. Daarom laat men ons horen dat men toch verplicht is om Tora-leren te stoppen voor de Seideravond, om te kunnen vertellen over de uittocht uit Egypte. De vertelling over de uittocht uit Egypte heeft iets extras. Daarom volgt hier het verhaal van de vijf Rabbijnen in Bnee Berak die doorseiderden totdat hun leerlingen kwamen vertellen: “Rabbotenoe, higia zeman keriat Sjema sjel sjachariet” – “Mijne heren, de tijd van het ochtend Sjema is al aangebroken.” Waarom moesten de leerlingen hun meesters herinneren aan Sjema? De vijf Wijzen meenden dat men de Seider niet hoefde te stoppen voor Sjema want beide zijn een onderdeel van Talmoed Tora (Tora-studie) waarmee men eigenlijk niet hoeft te stoppen voor het lezen van Sjema. De Hagada vertelt ons dat de verklaring van het monotheïsme uiteindelijk toch belangrijker is.

Het vertellen over de uittocht uit Egypte is belangrijker omdat daarbij over de grote wonderen voor Am Jisraëel wordt verteld en bekendheid wordt gegeven aan de bovennatuurlijke gebeurtenissen (pirsoem hanees) hetgeen aanleiding vormt om G’d te loven. Toch is het belangrijkste van de mitswot dat wij de eenheid van G’d overal achter zien. Daarom is Sjema belangrijker dan het vieren van de Seider. De Seider vormt een inleiding op onze monotheïstische geloofsbelijdenis.

Ma’asee beRabbi Eliëzer

In de Tosefta (Pesachiem hoofdstuk 18) staat dat zij de hele nacht bezig waren met hilchot Pesach (de voorschriften van het Pesach-offer). Rabbi Jitschak Ze’ev Soloveitschik uit Brisk bewijst hieruit dat men ook met de hilchot Pesach, de verplichting van vertellen over de uittocht kan vervullen. Toch is duidelijk dat wanneer iemand het de hele seideravond alleen maar over hilchot Pesach heeft, hij de mitswa van het vertellen over de grote wonderen bij de uittocht uit Egypte heeft verzaakt. Hij heeft inderdaad veel verteld en verdient zeker ‘een pluimpje’ maar een belangrijk aspect van de Seider heeft hij laten liggen. Moeilijk blijft dus waarom deze grote Geleerden – volgens de Tosefta – de hele Seider-nacht hebben gelernd over de voorschriften van het Pesachoffer.

Rabbi Akiwa en Rabbi Elazar ben Azarja hebben aan het einde van Gemara Pesachiem een meningsverschil over de vraag of het Korban Pesach alleen maar gegeten mag worden tot middernacht of tot de ochtendgloren. Volgens Rabbi Elazar ben Azarja mag het Pesach–offer alleen maar gegeten worden tot middenin de nacht en volgens Rabbi Akiwa tot de ochtendgloren. Toen in Bnee Berak chatsot (middernacht) aanbrak stond Rabbi Elazar ben Azarja op om naar het Beet Hamidrasj (leerhuis) te gaan want volgens hem bestaat er na chatsot geen mitswa meer om over de uittocht te vertellen. Hij wilde dus direct teruggaan naar Tora-leren, omdat er verder geen mitswa was om te vertellen. Rabbi Akiwa bleef echter bij zijn mening, dat men tot de ochtendgloren moet doorvertellen over de uittocht uit Egypte. Om geen machloket (ruzie) te maken en bij elkaar te blijven, werd toen besloten tot een compromis. Vanaf middernacht tot de ochtendgloren hebben ze zich beziggehouden met hilchot Pesach (voorschriften van het Pesach-offer) omdat dat beide aspecten bevat: het leren van Tora en het vertellen over de uittocht uit Egypte.

Hoewel de bijeenkomst van de vijf Geleerden in de Hagada en het verhaal uit de Tosefta twee aparte gebeurtenissen zijn (de bijeenkomst in de Hagada vond plaats in Benee Berak en daar zaten Rabbi Eliëzer en Rabbi Akiwa met hun collega’s aan en de bijeenkomst van de Tosefta vond in Loed plaats met Rabban Gamliël en de Zekeniem (Ouderen)), zijn deze Ouderen Rabbi Jehosjoe’a, Rabbi Akiwa, Rabbi Elazar ben Azarja en Rabbi Eliëzer. Op verschillende plaatsen in de Talmoed staat dat ze vaak bijeenkwamen (vgl. B.T. Makkot 24b, Soeka 41b).

Ad sjeba’oe talmidehem weamroe: rabbotenoe higia zeman Keriat Sjema sjel sjachariet

Chassidiem vertellen over de grote Rabbi Levi Jitschak uit Berditchev, dat hij de gewoonte had op Seider-avond wanneer hij terugkwam uit Sjoel te luisteren naar hoe gewone mensen Seider vierden. Op een keer kwam hij langs het huis van een am ha’arets die hij hoorde zeggen: “Echhhhhaaad chagam, echhhhhaaad rasja, echhhhhaaad tam, echhhhaaad sje’eno jode’a lisjol.” De vader legde zijn kinderen uit dat hij zich herinnerde hoe hun grootvader hem leerde dat er in de Sjoelchan Aroech – het joodse wetboek – staat geschreven dat je “echad” (Eén) van Sjema lang moet zeggen om G’ds eenheid uit te diepen (Sjoelchan Aroech, I:61:6). En zo deed hij dit nu ook bij dit stukje uit de Hagada. Rabbi Levi Jitschak van Berditchev hief zijn handen op ten Hemel en zei: “Heer der wereld, wie is U als Uw volk Israël?” De bedoeling van de uittocht uit Egypte was, dat wij het Hemelse juk op ons zouden nemen. Daarom zaten vijf grote Geleerden in Bnee Berak de hele nacht op om te vertellen over de uittocht uit Egypte tot men bij de diepere bedoeling aankwam en het tijd was voor het lezen van Sjema ‘s ochtends. Kijk naar deze eenvoudige Jood, die nauwelijks begonnen is met de Seider en al bezig is met de verklaring van G’ds eenheid!”

Beginletters sjachariet
Rabbi Levie Jitschak voegde eraan toe dat het woord ‘sjachariet’ bestaat uit de beginletters van chagam (wijze), rasja (slechterik), tam (eenvoudige), sje’eno jode’a lisjol (diegene die nog geen vragen kan formuleren). Sjema van sjachariet betekent dan de Eenheidsverklaring van alle vier kinderen – of soorten Joden – samen.

Reacties zijn gesloten.