Parsja 32 Metsora (Wajikra/Leviticus 14:1 – 15:33) 16 april 2005 / 7 Niesan 5765

Metsora (melaatse), 32e parsja: Wajikra 14:1 – 15:33.
Wie genezen wordt verklaard van tsara’at moet een offer brengen, al het lichaamshaar afscheren, baden, de kleding wassen en nog zeven dagen wachten alvorens terug te keren naar de legerplaats. Uitvoerig is beschreven hoe het offeren moet geschieden. Indien een huis aangetast (b)lijkt door tsara’at dan moet het huis leeggeruimd worden en ook hier moet de koheen een oordeel over geven. Als de aandoening aan het huis zich uitgebreid heeft, dan moet het huis afgebroken worden en al het puin moet naar een onreine plaats gebracht worden. Heeft de uitslag zich niet uitgebreid nadat het huis bepleisterd is, dan is het rein. Ook thans moet een offer gebracht worden. Vloeiingen veroorzaken onreinheid. Als de vloeiing ophoudt moet men in het mikwe gaan, kleren wassen en een offer brengen. Na samenleving moeten man en vrouw baden en ze zijn onrein tot de avond. Een vrouw die buiten de normale periode vloeit is ook onrein, tot het einde van de vloeiing, waarna ze zeven reine dagen telt en een offer brengt.

Koheen 14:1–14:12 en Levie 14:13-20. De reiniging-procedure voor de melaatse geschiedt met twee vogels, cederhout, rode wol en hysop.

Melaatsheid is geen normale ziekte. Het is een inmenging van Boven. G’d grijpt in in het intermenselijke verkeer! Roddelen is anti-religieus omdat een godsvruchtig individu zich voornamelijk met de relatie mens-G’d bezig houdt en zich niet zo druk zou moeten maken over de vraag of ‘others grass greener’ is. Melaatsheid is psychosomatiek. Een spirituele aandoening krijgt lichamelijk gestalte in witte vlekken. Om rein te worden moest de melaatse twee vogels offeren. Volgens de Zohar gaf een vogel verzoening voor kwaadspreken en verzoende de andere voor het gebrek aan positief praten. Soms kan een klein compliment iemands dag weer helemaal goed maken. Beide `zonden’ stammen uit een gemeenschappelijke oorsprong: alleen maar kijken naar het negatieve. Lesjon hara is niet zozeer een verbale overtreding maar veeleer een negatieve levenshouding. Hetzelfde glas kan evengoed half leeg als half vol zijn. Een kwestie van perceptie. Kwaadsprekerij pikt overal de negatieve aspecten uit, vergroot die en creëert negatieve gevoelens, die bij een positieve attitude juist veel goeds had kunnen genereren. Wanneer we op het negatieve gefocust zijn, worden we verbitterd en agressief. We doen anderen tekort maar het meest treffen we onszelf. Niet alleen kwaadspreken is slecht maar ook het weigeren het positieve in de wereld te zien en te benadrukken.
“Ook cederhout, rode wol en hysop” (14:4)
Rode wol en hysop geven aan dat wij ons moeten vernederen als een worm (rode wol betekent in het Hebreeuws ook worm) en als de lage hysopplant. Waarom is het cederhout als symbool voor hoogmoed voorgeschreven? De volgorde van de ingrediënten is ook niet logisch. Van hoog naar laag had het moeten luiden: cederhout, hysop en rode wol?!

Maimonides schrijft in Hilchot De’ot (1:4) dat de gulden middenweg de optimale levensweg vormt op ieder terrein. Wanneer men echter eenmaal vervallen is tot extreem gedrag, kan men hier alleen uit komen door over te hellen naar het andere extreme. Daarna kan men langzaam terugkeren tot de gulden middenweg (2:2). Toch is hoogmoed anders dan alle andere verwerpelijke eigenschappen:“Er zijn eigenschappen waar men nooit middelmatig in mag zijn. Zo moet men zeer ver blijven van hoogmoed. We moeten niet alleen bescheiden zijn, maar ook nederig en zeer ingetogen. Daarom staat er bij Mosje Rabbenoe ook dat hij bijzonder nederig was (2:3). De Lechem Misjne schrijft dat het zeker niet de bedoeling is dat men met verscheurde kleren over straat gaat. Ook in bescheidenheid is de gulden middenweg ideaal. Toch moet men iets meer moet overhellen naar bescheidenheid.

Daarom staat er:“Cederhout, rode wol en hysop”. Wanneer men zich hoog verheven voelde als een ceder, dan is de enige weg terug zich te vernederen als een worm. Dit is het uiterste in bescheidenheid. Daarna moet men terugkeren tot hysop. Op dit verzadigingspunt van de gulden middenweg moet men blijven balanceren (Rabbi Chaïm Kanijevski).
De Chidoesjé haRiem vraagt zich af waarom er bij de `helende’ ingrediënten ook cederhout staat vermeld. Het symboliseert slechts hoogmoed. Soms zijn bescheidenheid en nederigheid juist pasoel (ongeschikt). Wanneer we op moeten komen voor het Jodendom moeten we sterk zijn. Daarom werd de Tora gegeven op de berg Sinaï, omdat dit een lage berg was. Laag omdat we bescheiden moeten zijn, een berg omdat we sterk moeten zijn in Jiddisjkeit:“Een tsaddiek (rechtvaardige) zal als een dadelpalm bloeien en als een ceder op de Libanon groeien” (Psalmen 90:13) Velen menen dat bescheidenheid een minderwaardigheidscomplex betekent. Dat is onjuist. Het werkelijk nederige mens kent zijn goede eigenschappen. Hij realiseert zich dat hij zeer intelligent is maar begrijpt tegelijkertijd dat G’d hem zijn wijsheid heeft gegeven. De cederboom groeit kaarsrecht de lucht in. Een dadelpalm groeit met de bladen naar beneden. Daarom vergelijkt de Psalmist een tsaddiek met ceder en dadelpalm. Het hoofd fier naar boven maar desondanks naar beneden neigen in nederigheid.
“en de levende vogel zou hij in het open veld laten wegvliegen”(14:7). Rabbi Sjlomo Ganzfried, de auteur van de Kitsoer Sjoelchan Aroech, vraagt zich af waarom de melaatse in zijn reinigingsprocedure twee vogels moest offeren. Waarom wordt er één geslacht en waarom mag de andere wegvliegen naar een veld? De reinigingsprocedure geeft richtlijnen voor de correctie die de kwaadspreker moet ondergaan. De dieren komen in plaats van de mens. De eerste vogel wordt geslacht om daarmee aan te geven dat we de fouten uit het verleden achter ons moeten laten. We moeten er acuut mee stoppen. Zou hij vanaf nu volledig zwijgen dan zou hij niet begrepen hebben waar het om gaat. De tweede vogel moet blijven leven: het is niet G’ds bedoeling, dat de zondaar zal sterven. We moeten ons leven richten op de Tora: “Dood en het leven zijn in de hand van de tong” (Spreuken 18:21). Ons aardse bestaan is alleen werkelijk leven als het doorspekt is met Tora: de enige manier waarop we Lesjon Hara kunnen rectificeren is door ons intens bezig te houden met Tora (“Een genezing van de tong is de boom des levens.” (Spreuken 15:4)). Wanneer men echter Tora leert, kan men hoogmoedig worden, omdat men meer weet dan de omgeving. Omdat melaatsheid eveneens een symptoom was van hoogmoed, moeten we juist hiervoor oppassen. Daarom moet de tweeden vogel weggestuurd wordt op het veld: Tora moet men leren zoals mensen van het veld, die Tora onder moeilijke omstandigheden leren. `Op het veld’ betekent in bedekte termen Tora leren onder drukkende omstandigheden (vgl. B.T. Eroewien 21b).

3e alija 14:21-32. Wanneer de melaatse arm is, hoeft hij geen zoogdieren te offeren. Het gaat om de intentie.
Op de achtste dag werd er bloed van het offer gedaan op het rechter oor van de melaatse, zijn rechterduim en zijn rechter grote teen. Volgens Rabbiner Hirsch staat het oor voor onze geest, de hand voor onze daadkracht en de voeten voor onze aardse ambities. Al deze mensaspecten moeten gewijd worden aan G’d voordat de zondaar weer kan herstellen.

4e alija 14:33-53. Alleen Israël kan tsara’at iemands huis aantasten. Wanneer de koheen op de 7e dag ziet dat de plaag zich op de wanden van het huis heeft uitgebreid, gebiedt hij de stenen van de rotte plaats eruit te halen en ze buiten de stad op een onreine plaats te werpen. Een hele reinigingsprocedure volgt, waarbij ook korbanot (offers) moeten worden gebracht.
Er bestaan drie soorten melaatsheid: aan huizen, aan kleren en aan mensen. De eerste Hemelse waarschuwing treft het huis. Sorteert dat geen effect dan worden de kleren getroffen. Pas daarna is de mens zelf doelwit van deze heropvoedende maatregel. Wanneer de Tora melaatsheid aan huizen behandelt, staat er midden in de tekst: “De koheen zal opdragen om het huis uit te ruimen voordat de koheen de plaag komt bezien, zodat niet alles wat in het huis is onrein wordt” (14:36). De Tora laat eerst het huis uitruimen om te voorkomen, dat voorwerpen onrein worden. De Tora heeft consideratie met ons vermogen! De Midrasj vraagt: “Waarop bespaart de Tora eigenlijk? Gaat het over eetvoorwerpen dan kan men ze touwelen (onderdompelen in een mikwe) zodat ze weer rein worden. Gaat het om voedsel en drank, dan kan men dat eten wanneer men zelf onrein is. De Tora spaart hier alleen aardewerk, dat nooit meer rein kan worden in een mikwe”. Rabbi Meïr in Sifra borduurt hierop voort:“Wie worden getroffen door onreinheid? Slechte mensen natuurlijk! Als de Tora al aandacht besteedt aan onbetekenende voorwerpen van slechte mensen hoeveel te meer zal zij het vermogen van goede mensen willen sparen! De Tora is niet uit op bestraffing maar op heropvoeding. Maar de mens behoudt de vrije keus. Ook al kiest hij het slechte, toch wordt hij nog positief bejegend!

5e alija 14:54-15:15, 6e alija 15:16-28, 7e alija 15:29-33
Hier worden de verschillende vloeiingen en de daaraan gerelateerde onreinheden besproken.
Na een bloedvloeiing moet een vrouw het mikwe bezoeken. Ze wordt `nida’ hetgeen ‘verwijderd, afgescheiden’ betekent. Seksueel contact gedurende de menstruatieperiode is verboden. Hoewel dit een chok (een onbegrijpelijke wet) heet, heeft de maandelijkse onthouding toch enige logica. Minimaal twaalf dagen per maand geen lichamelijk contact voorkomt sleur en verveling. Iedere keer wanneer de vrouw uit het mikwe komt, is het een herbeleving van de wittebroodsweken.
Het mikwe moet ook bezocht worden bij bekering tot het Jodendom. In feite wordt de ontstaansgeschiedenis van het Joodse volk herhaald. Vlak voor de uittocht uit Egypte moesten de Joden zich besnijden, zich onderdompelen in reinigingswater, en een offer brengen. Wanneer nieuw bestek, pannen en borden in een Joods gezin worden binnengebracht, moeten deze ‘getouweld’ worden. Dit is een soort bekering van het eetgerei want onze tafel is als een altaar. Alle vaatwerk moet geheiligd worden als de vaten uit de Tempel.
De mens leeft in een fundamenteel conflict met natuur en milieu:“In het zweet uws aanschijns zult u brood eten”. Gebruik van (metalen) instrumenten is de eerste stap op weg naar beschaving. Rabbiner Hirsch (1808-1888) zegt dat het gebruik van instrumenten – zelfs bestek bij het eten – een uiting is van onze heerschappij over het aardse. Eten is een functie uit de dierlijke sfeer. Wanneer wij eetgerei gebruiken om onze dierlijke behoeften te bevredigen, wenden wij onze hoogste geestelijke vermogens aan om onze animale natuur te dienen. Door onderdompeling in het mikwe ontstaat een verheffing van het aardse. Zelfs eten en voortplanting krijgen wijding.

Seksualiteit heet bij ons ‘heilig’. Er bestaan vele menstruatietaboes in primitieve maatschappijen. Maar wat is dat eigenlijk menstruatie? Biologisch gezien is dit oneconomisch en onesthetisch. Waarom kan de vrouw niet net zoals de man constant gereed zijn voor het voortplantingsproces? Biologen noemen dit een onbegrijpelijke inefficiëntie van de natuur. Voor primitieve volkeren was dit afschrikwekkend en onlogisch. Het werd toegeschreven aan een kwade macht.
Maar bij ons past dit in het patroon van menselijke onvolmaaktheid na Adams zondeval. We kunnen ons zowel in lichamelijk als geestelijk opzicht niet makkelijk perfectioneren. De grootste menselijke onvolmaaktheid is zijn sterfelijkheid. Potentieel zouden mensen zichzelf constant kunnen vernieuwen en eeuwig leven. Een ander gevolg van de zondeval was dat een vrouw tijdens de baring als in doodsnood verkeert. Ook onze houding tegenover ons eigen lichaam en tegenover seksualiteit werd totaal anders. Kinderen krijgen zou een normale, biologische functie moeten zijn maar tegenwoordig is het een bron van neurotische dwang-matigheden, frustraties en taboes.
De menstruatiecyclus staat in verband met onze ontaarde toestand, onze breuk met de natuur, onze degradatie en herinnert ons constant aan onze zondeval. Was een vrouw onrein dan mocht ze niet in de Tempel, want de Tempel is het Paradijs in miniatuurvorm. Het Joodse huwelijk heet ‘kidoesjien’ – heiligheid. Het vermogen om kinderen te scheppen is heilig. De besnijdenis vindt plaats aan de genitaliën. Pas na de besnijdenis van Awraham werd Jitschak geboren. Na de besnijdenis kunnen er nesjommes (zielen) naar beneden afdalen met een groter kedoesjagehalte. De Briet-mila is de eerste stap op weg naar de verheffing van de mensheid uit zijn gevallen toestand. Door de Briet-mila wordt de band met Gan Eden – ook Adam werd besneden geschapen – hersteld. Voor de vrouw geschiedt het herstel van de band met het Paradijs via het mikwe. Het mikwe bestaat uit regenwater en is spiritueel verbonden met de rivier, die uit Eden voortkwam (zoals in het Scheppingsverhaal wordt verteld nadat Adam en Eva uit het Paradijs waren verdreven). Al het stoffelijke heeft een spirituele tegenhanger. Het lichamelijke aspect van de mens gaat in het fysieke mikwe maar onze nesjomme gaat in het spirituele mikwe. Water symboliseert de vloeibare toestand. Het verschil tussen vloeistof en vaste stof is verandering.
Het mikwe is aarde en water. Leven is een doorlopende combinatie van verandering en bestendigheid. Bestendigheid en behoud van identiteit tegenover doorlopende groei. De mens is stof en water: vaste vorm en verandering. Wanneer iemand het mikwe ingaat, dompelt hij zich onder in het basisidee van verandering. Men maakt zijn ego kapot (onder water kan men niet leven). Dat is geestelijke reiniging, wedergeboorte. Elke keer opnieuw weer een microbekering.

Reacties zijn gesloten.