Parsja 28 19 maart 2005 / 8 Adar II 5765 Parsjat ZACHOR !!!

WAJIKRA: Derde boek van de Tora. Wajikra heet ook Torat Kohaniem – Leer van de Priesters, omdat een groot deel gewijd is aan de taak van de kohaniem in het (draagbare) Heiligdom. Daar moesten brand-, vredes- eerstelingen-, zonde- en schuldoffers en meeloffers gebracht worden. Bij alle offers komt zout te pas. Wie een offer brengt, legt de handen op de kop van het dier. Dit heet semiecha. De offers worden soms geheel, soms gedeeltelijk verbrand; is het laatste geval, dan is wat overblijft deels voor de koheen, en soms ook voor de aanbieder van het offer.Koheen, 1:1-13 Mosje wordt door HaSjeem naar de Ohel Mo’eed (Tent der Samenkomst) geroepen waarna offervoorschriften volgen.

In de loop der generaties is het gebruik geworden om het Tora-leren met de kleuters te beginnen bij Wajikra en niet bij het eerste boek Bereesjiet (Genesis): “Omdat de kindertjes nog puur en rein zijn moeten zij starten met heilige en gewijde zaken” (Midrasj Rabba 7:3). Rabbi Efraïm Luntsjiets verklaart hiermee de kleine openingsalef in het woord wajikra: hier moeten de kleintjes aanvangen! De kinderen lezen over offers, de Tempel en Jeruzalem. Wat is de betekenis van Jeruzalem en waarom blijven wij hopen op herbouw van het Beet haMikdasj? 2000 jaar geleden stroomden van heinde en verre pelgrims richting de heilige stad. Zoveel gelijkgerichte burgers bijeen gaf het volk in religieus en moreel opzicht iedere Jom Tov weer nieuwe kracht en frisse moed. Het Beet-HaMikdasj verenigde het joodse volk en richtte deze nationale eenheid op G’ds Eénheid.
Dit effect van Jeroesjalajiem geeft ook direct aan waarom het geestelijk centrum niet op het platteland maar juist in een stad gevestigd was. Groei van beschaving vindt in het algemeen plaats in steden. Daar waar mensen geconcentreerd zijn, groeit cultuur en ontwikkelen zich nieuwe ideeën. Het platteland biedt voedsel voor het lichaam, de stad geeft voedsel voor de geest. Rabbiner S.R. Hirsch stelt, dat het woord ‘Ier’ – stad – komt van de Hebreeuwse werkwoordstam “Oer” – opwekken. Een stad wekt de mensheid op en is een broeikas voor creativiteit. Onze beschaving is gericht op het ontwikkelen van een band met G’d. Vanuit religieuze optiek was Jeroesjalajiem de hoogste realisatie van het begrip stad.
Levi, 1:14-2:6. Een ola, brandoffer kan van tortelduiven of van jonge duiven gebracht worden. De offerprocedure van vogels en meeloffers volgt.

Wat is een offer? Een offer betekent in het Westen meestal iets van waarde, dat wij afstaan in de hoop meer terug te krijgen dan wij offeren. Maar eigenlijk is het woord ‘offer’ een onzuivere vertaling van het Hebreeuwse woord Korban. Wanneer wij een offer brengen, willen we meestal iemand gunstig stemmen of afkopen. Het is soms een soort omkoperij. We hebben problemen met de vertaling van het woord Korban omdat het begrip offer uit afgodische culturen stamt. Bij afgoderij is het woord ‘opofferen’ wellicht accuraat. In het Hebreeuws is dit anders. De bron van het woord Korban is nabijheid. Korban wordt exclusief gebruikt in relatie met G’d. Wanneer een mens een offer brengt wil hij zichzelf dicht bij G’d brengen, die het ultieme Goede is. Alle andere prachtige dingen in deze wereld verbleken tegenover het ultieme geluk van dichtbij G’d zijn. Tegenwoordig hebben wij de offers niet meer maar in plaats daarvan hebben wij de gebeden. Wanneer wij ons hart uitstorten in gebed, offeren wij iets van onszelf aan G’d en brengen wij onszelf dichter bij het Hogere in de wereld.
De wereld rust op drie spirituele steunpilaren: Tora-studie, Tempeldienst en Ĝemiloet chassadiem – het uitvoeren van liefdedaden tegenover de medemens. Wajikra behandelt de Tempeloffers, die aan de Hemel een bepaalde ‘tevredenheid’ ontlokken. Het offeren wordt beschreven als ‘re’ach nicho’ach’ – ‘een aangename geur’ – en verbindt deze wereld met hogere sferen. Door te offeren ontvangen wij zegen door G’ds nabijheid. Na de verwoesting van de Tempel namen onze gebeden de plaats in van de offers van weleer.
Maimonides en Nachmanides strijden over de uitleg van de betekenis van het offeren van dieren. Maimonides stelt, dat de Joden opdracht kregen om offers te brengen om hen los te weken van de Egyptische afgodendienst. Kennelijk konden zij daar niet zonder. Na de Exodus moesten ze dit echter op G’d richten (Moré Newoechiem 3:4-6). Nachmanides heeft veel bezwaren tegen deze visie. Hij stelt dat er al lang voor de introductie van afgodendienst geofferd werd aan G’d. Adam offerde in Gan Eden en ook Noach bracht dieroffers toen hij de Arke verliet. Rabbi Meïr Simcha van Dwinsk (19e eeuw) harmoniseert de opvattingen van Maimonides en Nachmanides. Hij maakt een verschil in tijd en tussen privé en publiek. Vroeger, vóór de bouw van de Tempel, was het toegestaan om op privé-altaren (bamot) te offeren om de heidense afgodenpraktijken af te leren. Maar de offerdienst in de Tempel was bedoeld om het volk te binden aan G’d. De re’ach niecho’ach – de ‘heerlijke geur’ die de offers voor de Hemel waren – was alleen van toepassing op de offers in het Beet haMikdasj – de Tempel.

3e alija, 2:7-3:1. Meeloffers en eerstelingen. Zuurdeeg noch honing mogen als vuuroffer gebracht worden.

Offers konden alleen gebracht worden ter verzoening van een per ongeluk begane overtreding. Nachmanides (1:9) verklaart, dat de zondaar vreselijk vernederd werd wanneer hij moest aanzien hoe een dier geslacht en verbrand werd. Het was een plaatsvervangende schaamte en angst. Eigenlijk zou de zondaar, omdat hij in opstand kwam tegen de opdrachten van HaSjeem, geofferd moeten worden maar G’d heeft dit niet gewild. Door het slachten van een dier tonen wij dat onze animale neigingen ons tot rebellie tegen G’d en tot overtredingen hebben aangezet. Door het aanschouwen van het offeren, realiseren we ons, dat het lichamelijke deel van onze persoonlijkheid langzaam vergaan zal. Zijn we wel hoger dan dieren? Onze nesjomme, onze G’ddelijke ziel, staat in verband met het G’ddelijke in de wereld. Zou het dierlijke in ons overheersen dan zouden wij eindigen als een dier. Het brengen van een offer zet de mens aan tot inkeer.
4e alija, 3:1-17. De procedure van vredeoffers – sjelamiem – wordt beschreven.

Zondigen doen we op drie niveau’s: in gedachten, spraak en daad. Daarom keren we ook alles weer ten goede op drie niveaus: in de doe-werkelijkheid, op verbaal niveau en in de cerebrale en emotionele sfeer. Tesjoewa in een daad geschiedt door semicha – door onze handen te laten rusten op het offer. Met de widoej spreekt men verbaal spijt uit en door het brengen van de ingewanden en de nieren tonen wij berouw over onze gedachten (nieren worden gezien als de basis voor de gedachten). Het bloed van het dier werd op het altaar gesprenkeld om te laten zien hoe het bloed van de zondaar eigenlijk op het altaar gebracht had moeten worden. Bloed van het dier komt ervoor in de plaats. De confrontatie van de zondaar met het offeren van een dier was een audiovisuele les in tesjoewa. Als het offeren dit effect niet had, dan was het het ‘offer van een slechtaard’, een gruwel (Spreuken 21:27). ‘Gehoorzamen is beter dan offeren en luisteren is beter dan het vet van alle rammen” (Samuel I: 15:22). Nederigheid, bescheidenheid en G’ds opdrachten volgen was de hoofdboodschap van de offers. Deze gedachte ligt ook aangeduid in de kleine letter ‘alef’, waarmee het derde boek van de Tora begint. Mosje wilde eigenlijk alleen ‘Wajikar’ schrijven – G’d sprak tot mij a.h.w. slechts bij toeval, zoals ook bij de G’dsspraken tot Bile’am. G’d droeg hem op ‘Wajikra’ te schrijven. Als compromis werd het een kleine alef. Dit was Mosje’s grootheid: dat hij zo bescheiden was (Bemidbar 13:3).
5e alija, 4:1-26. Zondoffers kenden verschillende gradaties. Als een Hogepriester zondigde ‘en daardoor het volk in schuld gebracht heeft’ of wanneer het Sanhedrin verkeerd paskende (besliste) werd een chatat = zondoffer gebracht.

Wat betekenen verzoening en vergeving? Het jodendom concentreert zich vooral op het concrete doen. Natuurlijk zijn emoties, intenties en gedachten belangrijk; niettemin ligt de nadruk op het doen. De materiële wereld werd geschapen om daarin het G’ddelijke te openbaren. Daarmee werd het doel van de mens aangegeven: het verheffen van het materiële deel van de wereld. Daarom werd deze wereld zo fysiek geschapen. De wereld is opgebouwd uit vijf opklimmende lagen: de minerale wereld, de plantenwereld, de dierenwereld, de mensenwereld en G’d. Wanneer een lagere wereld opgaat in een hogere wereld, verheft men die wereld. Oorspronkelijk was de mens vegetarisch maar sinds Noach eet hij vlees. Ons devies luidt: “een koe die in de wei sterft, is een koe gebleven. Een koe die deel uitmaakt van een religieuze gebeurtenis is gestegen naar een hogere laag van gewijde dienstbaarheid”. Het verdwijnen van de offerdienst met de verwoesting van de Tempel in het jaar zeventig na de gewone jaartelling, betekende dat de mens de lagere werelden – mineralen, flora en fauna – niet meer kon ‘upgraden’ en opwaarderen tot een hoger religieus niveau. Hoewel in de seculiere wereld het verdwijnen van de offerdienst als een progressief moment wordt gezien, ervaren wij het als een terugval. Hoe verder wij verwijderd raken van de Openbaring op de berg Sinaï, des te zwakker is onze geest.
6e alija, 4:27-5:10. Offerprocedure van het individuele chatat = zondoffer en het ‘korban ole wejoreed’ – het brandoffer naar draagkracht.

Het Mikdasj moest een plaats worden waar G’ds Naam geheiligd zou worden. Hiervandaan kwamen de G’ddelijke Openbaringen. Tegenwoordig heeft Israël de taak van het Heiligdom enigszins overgenomen. Dat is onze volksmissie: kiddoesj HaSjeem. Heiliging van G’ds naam is een groepsmissie. Wat zijn de essentiële ingrediënten? Derech Erets! Dit wordt vaak vertaald als een aards beroep. Maar deze notie van Derech Erets is veel te eng. Rabbi Ja’akow Emden (18e eeuw, Duitsland) wijst erop, dat ook brede maatschappelijke betrokkenheid onmisbaar is. Derech Erets richt de maatschappij in naar de ethische richtlijnen van de Tora. De Ge’oela Sjelema – de uiteindelijke verlossing – kan wereldwijd alleen uitgaan van een Tora-staat. Daarom is Derech Erets aldaar van nog veel groter belang dan in de gola, de ballingschap. Israël moet de Tempel van de wereld worden.
Deze uitdaging wordt ons niet op een zilveren presenteerblad aangereikt. Op dit moment is de Israëlische maatschappij in de verste verte nog niet zo ver. Maar het is niettemin de kiem van een Tora-maatschappij. De taak om dit zaadje te planten en tot bloei te brengen is ontzagwekkend en overweldigend. Het is de uitdaging van het Tora-jodendom vandaag de dag, zoals Rav Dessler (20e eeuw, Gateshead) het verwoordde: “Wee hem, die op de dag van het oordeel verschijnt en nog steeds blind is voor dit concrete feit” (Michtav Me’elijahoe III: 352). Of zoals Rabbi Elijahoe Bloch, de Rosj Jesjiewa van Telz, het stelde: “De gezonde elementen van het volk dragen een grote verantwoordelijkheid voor de instandhouding van het Joodse land” (Bulletin Union of Students of Yeshivat Telz – Cleveland, Tewet 5747). Onder deze omstandigheden zijn alle vormen van betrokkenheid van de Tora-gemeenschap – sociaal, politiek, economisch en intellectueel – acuut noodzakelijk, wil deze “G’ddelijke proefballon”, Israël, slagen als een Tora-staat (slotrede van de vierde Kenessia Gedola van de Agoedat Jisraël in 1954 van Rabbi Joseef Kahaneman, Rosj Jesjiewa van Ponowecz).

7e alija, 5:11-26. Meeloffer van de onvermogende en schuldoffers.
Bij alle offers moest zout gebracht worden. Maar alleen bij het meeloffer staat dat het zout een teken is van een G’ddelijk verbond. Waarom alleen hier? Chatam Sofeer legt uit, dat dit verschil wel degelijk een diepere achtergrond heeft. Bij het zouten van het offervlees had men nog kunnen denken, dat dit gedaan werd om de kohaniem (priesters) te plezieren. Zo hoefden ze geen ongezouten vlees te eten. Maar bij het meeloffer heeft zouten geen zin. Het is duidelijk alleen bedoeld als uitvoering van een opdracht van Boven. Dat is het ware verbond met G’d. Want wanneer wij G’d dienen omdat wij het leuk vinden of goed doorhebben waarom G’d bepaalde opdrachten geeft, dienen wij eigenlijk meer onze emoties en ons verstand dan G’d. Wanneer iets onbegrijpelijk wordt, en we het desondanks doen, is het pas ware godsdienst!

Reacties zijn gesloten.